De lafhartige minnaar

Benjamin Constant, Adolphe, vertaald door Martin de Haan. Uitg. Atheneum-Polak & Van Gennep, 109 blz., Ÿ 39,90 ..LE In een voorwoord bij de tweede druk van de oorspronkelijk in 1816 gepubliceerde roman Adolphe schreef Benjamin Constant een opmerkelijke zin: ‘De verwoedheid waarmee men in verbeeldingsliteratuur mensen uit de werkelijkheid probeert te herkennen, is voor die literatuur een ware plaag. Zij wordt erdoor bedorven en een verkeerde richting in gedwongen, en het belang en het nut ervan worden tenietgedaan. Wie toespelingen zoekt in een roman, verkiest pesterij boven de natuur en vervangt de bestudering van het menselijk gemoed door kletspraat.’

De vermaledijde a-literaire manier van lezen waarin naarstig naar het werkelijkheidsgehalte van het boek wordt gezocht, en waarin schrijver en hoofdpersoon klakkeloos aan elkaar gelijk worden gesteld, is, al geloven pessimisten anders, kennelijk niet alleen iets van deze tijd.
De politicus en publicist Benjamin Constant (1767-1830) publiceerde de kleine roman als tussendoortje. Het tussendoortje zou hem eeuwige roem bezorgen. Constant had, om de afstand tussen hemzelf en zijn hoofdpersoon zo groot mogelijk te maken, de roman vooraf laten gaan door een mededeling van de uitgever. De uitgever had het manuscript toevallig in handen gekregen. De truc mocht niet baten: het lezerspubliek zag in de lafhartige minnaar Adolphe de schrijver zelf. Constant stond immers behalve als politicus bekend als minnaar van een stoet maŒtresses, onder wie Belle van Zuylen en Madame de Sta‰l.
Inmiddels is de vermeende werkelijkheid achter het boek vergeten en is Adolphe een klassieker geworden. Vandaar dat de roman nu opnieuw prachtig is uitgegeven in de serie Grote Bellettrie van Atheneum-Polak & Van Gennep. De vraag is natuurlijk of deze klassieker, los van het literair-historische belang ervan, nog steeds de moeite van het lezen waard is. Het antwoord is helaas ontkennend.
Adolphe bevat het relaas van een tragische liefde. Op een dag besluit de jonge Adolphe dat hij de geneugten van de liefde moet leren kennen. Daartoe maakt hij de oudere EllÇnore het hof, een vrouw die als maintenee van een graaf een wankele reputatie heeft. Als hij haar hart heeft gewonnen is er geen weg meer terug. Onafwendbaar tekent het noodlot zich af. Omdat hun liaison door de buitenwereld als schandelijk wordt gezien, kan Adolphe uit verantwoordelijkheidsgevoel niet met haar breken. Vanwege de schande kan hij een maatschappelijke loopbaan wel vergeten. Maar zijn grootste zonde is niet de schande, maar zijn gebrek aan liefde voor EllÇnore en zijn gebrek aan daadkracht om een einde aan de verhouding te maken. Zoals Constant schrijft: ‘Een man die zich volkomen oprecht denkt op te offeren voor de vrouw die hij tot wanhoop heeft gebracht, geeft zich in werkelijkheid over aan de illusies van zijn eigen ijdelheid.’
In zijn voorwoord bij de tweede druk expliciteert Constant ook de moraal van zijn verhaal. De roman waarschuwt voor de voorbijgaande hartstocht: 'Spelenderwijs brengt men slagen toe waarvan men noch de kracht, noch de weerslag op zichzelf kan berekenen; en een verwonding die oppervlakkig lijkt, kan ongeneeslijk zijn.’ Het moralisme van het boek, de onnavolgbare fatsoensregels van toen, de psychologie die destijds ongetwijfeld als heel verfijnd werd gezien maar nu eerder als stereotypie, de uitgesponnen manier van vertellen - het maakt Adolphe voor mij weinig enerverend.