Essay Heldenmoed en heldendom

De Lafhartige Samaritaan

De afgelopen decennia adviseerde de overheid de burger om niets te doen als hij getuige was van geweld op straat. ‘Vooral niet de held uithangen!’ Srebrenica liet zien waar dat toe kan leiden. Maar de laatste tijd lijkt Nederland weer behoefte te hebben aan helden. Deel 3 uit de serie Heldenmoed: De Hollandse held.

WIJ HOLLANDERS HEBBEN EEN BROERTJE DOOD aan persoonsverheerlijking en pluimstrijkerij. Helden wantrouwen wij uit het diepst van ons hart. De beste Hollandse held is een held die dood en begraven is. Dan is een low profile immers gegarandeerd!
Dat is het stereotiepe beeld van de Hollandse omgang met heldendom. Het is een plat stereotype, vanwege de gemakzucht waarmee het wordt gebruikt, maar meer nog vanwege de gênante zelfvertedering die erin doorklinkt. De historicus P.W. Klein kreeg van Franse studenten eens de vraag waar Nederland zijn helden ter aarde bestelt. ‘Wij hebben geen Pantheon’, antwoordde hij. ‘Wij hebben geen helden. Onze grootste admiraals noemen we gemoedelijk Bestevaer.’ Dat konden die arrogante fransozen in hun zak steken.
Er valt moeiteloos een reeks van dit soort zelfrecensies te citeren, waarbij Nederlanders zichzelf op het gebied van heldenverering een tekort toeschrijven – maar dan een tekort waar andere volken nog een puntje aan kunnen zuigen. ‘Nederlanders hebben een onhandige hand van helden kiezen’, schrijft Nelleke Noordervliet met nauw verholen trots. ‘Ze hebben daar geen zintuig voor, lijkt het wel.’ Johan Huizinga schreef in Nederlands geestesmerk (1934) dat het ‘onheroïsche’ een grondtrek is van ‘het Nederlandse volksbestaan’, en dat bedoelde hij niet als kritiek.
Op het eerste gezicht doen zulke uitspraken recht aan de werkelijkheid. Neem het woord ‘held’ in de mond en een Nederlander begint al te grinniken. Al gauw vallen dan de namen van Jan van Schaffelaar en Jan van Speijk – allebei theatraal, om niet te zeggen suïcidaal, gesneuveld in een strijd die ons nu vooral aandoenlijk voorkomt. Van Schaffelaar sprong in 1482 als Utrechts huursoldaat van de toren van Barneveld, belaagd door de gevreesde Amersfoorters. Van Speijk ging in 1831 de andere kant op: ‘liever de lucht in’ dan in handen te vallen van de muitzieke Belg. Daarmee werd hij de prototypische ‘antiheld’ – een begrip dat waarschijnlijk alleen in het Nederlands voorkomt.

WAAROM NOEM IK DIT BEELD van de antiheroïsche Nederlander een stereotype? Niet omdat er geen element van waarheid in zou zitten. Waar ik me tegen wil verzetten, is de simplistische aanname dat die antiheldhaftigheid in ons nationale DNA zou zijn vastgelegd.
Groot propagandist van die gedachte is de historicus Herman Pleij, die al twintig jaar lang met verve betoogt dat onze doe-maar-gewoon-mentaliteit rotsvast in ons volkskarakter is verankerd. Dat komt zo: in de Middeleeuwen moesten we gezamenlijk de waterwolf het hoofd bieden, en daarbij konden we hoge heren en praatjesmakers missen als kiespijn. Gewoon allemaal samen de handen uit de mouwen steken! Toen is dat nuchtere karakter van ons met een soort nationale oerknal opgeborreld uit de modder van de moerasdelta, en daar is sindsdien nooit meer iets aan veranderd.
We bevinden ons hier op het meest zompige terrein van de volkskunde van de koude grond: het verband tussen volkskarakter en woonomgeving – en dan niet onze huidige omgeving, maar die van zes, zeven eeuwen geleden. Het is een charmante gedachte dat Nederlanders van nature immuun zouden zijn voor bombastisch heldengedoe – maar helaas, ze klopt niet. Kijk alleen naar diezelfde Van Speijk. Na zijn heldendaad werd bij koninklijk besluit vastgelegd dat altijd één schip van de Nederlandse marine zijn naam moest dragen. De huidige HMS Van Speijk is een multi purpose-fregat van de Karel Doormanklasse en kwam in 1995 in de vaart.
Ook de vuurtoren van Egmond aan Zee is naar Van Speijk vernoemd. De toren werd bekostigd uit de opbrengst van de veiling van overblijfselen van de kanonneerboot nr. 2 en haar bemanning. Een stuk van de bebloede scheepsjas van Van Speijk werd aangekocht door het Rijksmuseum. In de Oude en de Nieuwe Kerk in Amsterdam zijn de zeehelden bijgezet die sneuvelden in dienst van de Republiek. Daar vind je ons Pantheon! De praalgraven steken elkaar naar de kroon in barokke overdaad en de begeleidende teksten zijn in lyrische verrukking niet te overtreffen.
Zeehelden uit een recenter verleden worden lang niet meer zo uitbundig geëerd. Karel Doorman, die in 1942 ten onder ging in een heroïsche poging de Japanners de doorgang naar Java te beletten, kreeg in Nederland geen monument. Wel hebben wij een ‘Helden der Zeeplein’ in marinestad Den Helder – een tochtige vlakte met daarop een groot bakstenen monument. Maar bij nadere beschouwing zijn het geen krijgshelden die daar worden geëerd, maar mensenredders van de KNZHRM die niet van hun missie terugkeerden.
Het was 1935 toen dit gedenkteken werd opgericht, maar een kwart eeuw later was deze meest Hollandse manier om je als held te onderscheiden – mensen uit het water redden – mikpunt van spot geworden. In Godfried Bomans’ bundel Kopstukken (1959) is een interview opgenomen met De menschenredder, ‘strategisch woonachtig aan het enige kanaaltje dat de stad Zutphen rijk is’. Niet minder dan 95 medailles rinkelen op zijn borst. De menschenredder is aangesloten bij de Bond van Redders op de Binnenwateren. ‘Wij moeten ons wel aansluiten’, verklaart hij, ‘om op te kunnen tegen de redders van de kust. Het gebeurt wel eens dat er ’n roeiboot met drie tegelijk omslaat, maar die buitenkansjes zijn toch zeldzaam.’
De ongeveinsde heldenverering die vroeger heel gewoon was, verkeerde vanaf de jaren zestig in ironie. Het cliché van Herman Pleij werd werkelijkheid: Nederlanders gingen voluit voldoen aan dat beeld dat ze allergisch zijn voor heroïek.
Gelukkig waren er ook andere geluiden. Toen de journalist Henri Knap nog zijn ‘Amsterdams Dagboek’ schreef in Het Parool, had hij een apart rubriekje waarin hij een onderscheiding, het Iepenloof met de Rupsen, toekende aan ieder die iets heldhaftigs had gedaan. Meestal ging het om mensen die in de gracht waren gesprongen om een drenkeling te redden. Kort na de oorlog, toen Knap zijn rubriek begon, hadden de iepen langs de Amsterdamse grachten last van een rupsenplaag die de gevreesde iepziekte veroorzaakte. Maar eigenlijk was het Iepenloof een verwijzing naar een hoge nazi-onderscheiding: het Eikenloof met de Zwaarden. Knap was een ouderwets voorvechter van burgermoed, maar getuige de benaming van zijn onderscheiding – dat loof met die rupsen – kon zelfs hij zich al niet onttrekken aan een licht ironische toets als het om heldendom ging.

BIEDT HET RECENTE VERLEDEN DAN HELEMAAL geen helden meer die zonder dubbele bodem worden vereerd? Natuurlijk wel: ‘verzetshelden’ bleven recht overeind in de cultuur van nivellering, ironie en scepsis die in de tweede helft van de afgelopen eeuw de overhand kreeg. Wel kromp hun keurkorps steeds verder in. Er bleken allerlei bijmotieven te zijn geweest: zucht naar geweld en avontuur, nationalisme van bedenkelijk allooi, soms op het antisemitische af.
Slechts één categorie bleef glorieus boven iedere verdenking verheven: degenen die hun leven hadden gewaagd om joden te helpen. Hun verzet bestond uit onderduik verlenen, persoonsbewijzen vervalsen en voedselbonnen stelen. Acties die zich in stilte en bescheidenheid voltrokken en die beter aansloten bij het eigentijdse beeld van wat een Hollandse held zou moeten zijn.
Toch zijn er ook van deze onverdachte helden nauwelijks standbeelden of andere materiële eerbewijzen te vinden. Zelfs niet van degenen die hun daden met hun leven moesten bekopen, zoals Gerrit van der Veen, die het Amsterdamse bevolkingsregister opblies om het ophalen van joden te bemoeilijken, en de arbeiders die werden doodgeschoten tijdens en na de Februaristaking, gericht tegen het begin van de razzia’s in 1941. De Dokwerker op het Jonas Daniël Meijerplein is een symbolische figuur; zelfs de namen van de slachtoffers ontbreken. Nederlandse oorlogsmonumenten zijn abstract of symbolisch – alsof we ons geen gesneden beelden mogen maken van helden die echt hebben bestaan.
Mij lijkt dat we de oorzaak van deze terughoudendheid niet moeten zoeken in een diepgeworteld antiheroïsch sentiment, maar in de naoorlogse cultuur van democratisering en nivellering. Het gaf geen pas om enkelen te eren terwijl zo velen dat verdienden. De Nederlanders waren beslist geen heldenvolk, zoals koningin Wilhelmina graag wilde geloven, maar toch liggen de herinneringen aan stil en onopvallend heldendom hoog opgetast. Ook in mijn eigen buurt, de Nieuwmarktbuurt in Amsterdam. Dat ontdekte ik bij lezing van het boek Er stond iemand naast mij, dat de oorlogsherinneringen bevat van Jan Carel Wijnbergen, destijds wonend aan de Recht Boomssloot. Drie jaar lang bracht hij onder de schuilnaam Gerard Maas joodse kinderen weg naar onderduikadressen in het hele land. Hij somt een hele reeks andere buurtbewoners op die hun leven op het spel zetten om hun joodse buren te helpen.
Toen ik bij Jan Carel Wijnbergen op bezoek was, zag ik aan de wand een oorkonde hangen. Ik kon mijn ogen niet geloven! Daar hing in vol ornaat het Iepenloof met de Rupsen! Was Jan Carel soms ook nog een Amsterdamse held die drenkelingen uit de gracht viste? Nee. Dit Iepenloof was toegekend aan Karel Christiaan Wijnbergen, Jan Carels broer.
Uit het bijbehorende kranteninterview blijkt dat Karel Christiaan het Iepenloof in 1948 ontving ter gelegenheid van zijn 22ste redding. Vooral tijdens de oorlog ging Karel Christiaan Wijnbergen bijna helemaal samenvallen met Bomans’ menschenredder. De straatverlichting was uit en de ene na de andere voorbijganger sukkelde de sloot in. Maar Karel Christiaan zat ‘in een oude broek voor het raam om springklaar te zijn’.

NU WIL HET GEVAL dat hier ook een mensenredder voor u staat. Jazeker, ik heb ook iemand uit de Recht Boomssloot gered! En ik vind dan ook dat ik ook recht heb op het Iepenloof met de Rupsen. Het gebeurde een jaar of tien geleden. ’s Avonds laat hoorde ik iemand schreeuwen op de gracht. De kreten herhaalden zich met tussenpozen van een paar seconden en er klonk angst in door. Toen ik het raam opendeed hoorde ik dat iemand ‘Help’ riep, ‘get me out’, en ik hoorde ook geplas uit het water komen.
Ik greep mijn Argentijnse lasso en stormde de trap af, de gracht op. De kreten kwamen van de overkant. Ik zag nu dat daar iemand in het water lag die zich vastklampte aan een bootje. Ik rende, onderweg mijn pantoffels verliezend, naar de brug en slingerde me aan de overkant met behulp van een lantaarnpaal zonder vaart te minderen als een aap de bocht om.
Op de wallenkant ter hoogte van het hulpgeroep stond een groepje jongelui. Zij stonden daar te staan. Wel wees één van hen me: kijk, daar ligt-ie. Alsof ik een soort functionaris was, een grachtopziener, een koninklijk erkend mensenredder. Ik liet me in het bootje zakken en zag dat de drenkeling een grote neger was. Hij was uitgeput en rook naar alcohol. Ik pakte hem bij zijn polsen, maar kon hem in m’n eentje niet omhoog krijgen. Even later sprong een jongen naast me in het bootje, waarna we de man met vereende krachten uit het water konden hijsen. Daarna duwden we hem omhoog de kade op, waar de inmiddels gearriveerde politie en ambulance zich over hem ontfermden. Onderweg naar huis raapte ik mijn pantoffels op.
De hele actie had nog geen kwartier geduurd en had me natte broekspijpen en vieze sokken opgeleverd. Ik had niet in het water hoeven springen en geen enkel risico gelopen. Toch meen ik aanspraak te kunnen maken op het Iepenloof met de Rupsen – waarom? Niet vanwege het tonen van fysieke moed, maar vanwege betoonde bemoeienis op de openbare weg in Nederland. Het was immers niet waar dat – zoals de gevleugelde uitdrukking wil – ‘ieder in mijn plaats hetzelfde zou hebben gedaan’. Het tegendeel werd aanschouwelijk gemaakt door de aanwezigheid van het groepje jongelui dat erbij stond en ernaar keek.
Zoals alle success stories heeft dit verhaal inmiddels een vaste vertelvorm aangenomen. Zo laat ik meestal niet onvermeld dat ik mijn actie begon als pantoffelheld, om deze te volvoeren als held op sokken. Dat is niet alleen om te koketteren: ik voelde me echt een rare held. Ik was degene die ‘abnormaal’ deed, als je ervan uitgaat dat de meerderheid de norm vertegenwoordigt. Waarom deed ik dat eigenlijk? Was ik een maffe do-gooder, wilde ik soms beter zijn dan de rest? Vond ik het leuk om m’n neus in andermans zaken te steken? Was ik een bemoeial, een trottoiropzichter, een uitslover, een brave Hendrik? Het moderne Nederlands beschikt over een heel scala aan uitgelezen scheldwoorden voor mensen die zich ongevraagd tegen anderen aan bemoeien.
Of – nog iets anders – ‘had’ ik soms iets met dit soort lui? Hoorde ik op de een of andere manier bij het soort volk dat zich niet over het vasteland voortbeweegt maar dat zich in het grachtenwater bevindt? Wie zich het vuur uit de sloffen loopt voor een of andere hem onbekende sucker, wordt een beetje een sucker by association. Zo iemand was in het Nederland van de afgelopen decennia eigenlijk niet ‘normaal’.

NA MIJN ACTIE SLOFTE ik naar huis, eenzaam en bescheiden, zoals Lucky Luke aan het eind van een verhaal het dorp uit rijdt. Maar ik heb een andere keer een heldendaad verricht die met applaus werd beloond. Dat gebeurde ietsje verderop, op het terras van ijssalon Tofani aan de Nieuwmarkt, nog langer geleden, zo’n twintig jaar wel. Voor onze neus was een grote Hells Angel aan komen rijden, die een ijsje ging kopen en intussen zijn motor op volle kracht liet draaien. Niemand kon elkaar meer verstaan maar iedereen keek gebiologeerd voor zich uit, als konijnen in een koplamp. Tot ik al mijn moed bij elkaar raapte en beleefd vroeg of-ie het ding niet uit kon zetten. Totaal verbouwereerd voldeed de Angel aan mijn verzoek. Zoiets was hem nog nooit overkomen! En ik – ik kreeg applaus van het terras. Ik had klaarblijkelijk het onmogelijke gepresteerd.
Wat is er in Nederland gebeurd waardoor iemand met zulke minimale inspanningen de held kan uithangen? Laat ik de vraag proberen te beantwoorden aan de hand van een ander verhaal, over een echte heldendaad. De Almelose scholiere Charity zag in 2002 op het station van Apeldoorn dat twee treinconducteurs werden mishandeld door een vijftal jongens. Aan het perron stond een trein te wachten van waaruit honderden mensen werkeloos toekeken. Totdat Charity ingreep. Pas toen schoten anderen te hulp en werden de conducteurs ontzet.
In de trein zaten ook militairen – ook zij deden niets. Onbegrijpelijk? Niet als je de culturele context in aanmerking neemt. Drie jaar tevoren had de overheid in een Postbus 51-campagne expliciet opgeroepen niets te ondernemen als je getuige bent van geweld op straat. Latere Postbus 51-spotjes moedigden tenminste aan om in zo’n geval het alarmnummer te draaien: ‘Deel drie tikken uit: 112’. Maar, bezwoer de Rotterdamse burgemeester Opstelten, bij de lancering: ‘Vooral niet de held uithangen!’
Aan dat adagium hebben onze ministers en onze jongens zich ook trouw gehouden in Srebrenica. De moord op duizenden moslimmannen onder de ogen van Dutchbat is omringd met een serie onbegrijpelijke vragen. De vreemde uitspraken van overste Karremans en luitenant-generaal Couzy. De weigering om zwaargewonde moslimburgers medisch bij te staan. De handtekening van majoor Franken onder ‘Frankens lijst’. De feestelijke luidruchtigheid van Dutchbat-militairen en bezoekende hoogwaardigheidsbekleders op het moment dat even verderop de massamoord gaande was. Allemaal even onbegrijpelijk – voor wie de Nederlandse cultuur van de afgelopen decennia niet kent.
Het besef dat je niet onverschillig hoort toe te zien als in je omgeving iemand hulp nodig heeft, was in onze cultuur altijd stevig gefundeerd. Sinds de Barmhartige Samaritaan, zeg maar. Natuurlijk werd er vaak tegen gezondigd – maar de norm zelf stond niet ter discussie. Vanaf de jaren zestig kwam daar verandering in. Toen groeide in Nederland de overtuiging dat het beter is je met zulke situaties niet te bemoeien. Dat was riskant en daar waren instanties voor.
Mettertijd ontwikkelden deze praktische overwegingen zich tot een nieuwe norm, een intrinsieke deugd. Het was niet alleen verstandiger om je afzijdig te houden – het hoorde zo! Het was een beetje verdacht als je de held ging uithangen en wél ingreep. Publieke inmenging of terechtwijzing door een onbekende werd als een soort ongewenste intimiteit ervaren. Met bepaalde dingen bemoeide je je niet. Niet op straat en ook niet in het publieke debat. Niet als burger en niet als overheid.
De trend paste in de modieuze ontwikkeling naar minder regels, minder overheid en minder bemoeienis die in Nederland vanaf de jaren tachtig op gang kwam. Alle zaligsprekingen uit die tijd – respect voor privacy en zelfbeschikking, eigen verantwoordelijkheid, zelfregulering, onderhandelingshuishouding – hadden als grootste gemene deler een heilig geloof in non-interventie.
Ik duid deze groepshouding van afzijdigheid aan met de term ‘passivisme’: passief blijven. Passief blijven als ‘isme’ – als iets wat nastrevenswaardig is. Srebrenica liet zien hoe ver die cultuur van passivisme in Nederland was doorgedrongen. Ze had zich ook genesteld in organisaties wier taak het juist is om in te grijpen. Zelfs onze interventie liep daardoor uit op non-interventie. Het vrolijke gehos van de Dutchbatters na hun ontsnapping uit Srebrenica sprak boekdelen: ze hadden niet het gevoel iets verkeerds te hebben gedaan. Het waren jonge jongens, opgegroeid in een cultuur van ‘niet mijn pakkie-an’, afzijdigheid en antiheldendom.

SREBRENICA IS BIJNA VIJFTIEN JAAR GELEDEN. Nu vechten Nederlandse militairen moedig in Afghanistan. Zij zijn ‘helden van onze tijd’, zei premier Balkenende tijdens een bezoek aan Uruzgan in 2006, en niemand vond het nodig om daar iets aan af te doen. Hetzelfde geldt voor de wedergeboorte van de Militaire Willemsorde.
Er ontstaat een hernieuwde ontvankelijkheid voor voorbeelden van moedig, onderscheidend gedrag. Charity viel na haar heldhaftig optreden een ‘Amerikaanse’ behandeling ten deel. Door iedereen werd ze gekust en KRO-kijkers kozen haar tot ‘held van het jaar’. Ze kreeg bij de verkiezing bijna twee keer zo veel stemmen als alle andere kandidaten bij elkaar.
De laatste jaren miechelt het in Nederland van de heldentoestanden en -competities. Nationale Gedichtendag 2004 stond in het teken van helden en heldendichten. Datzelfde jaar werd op het Amsterdamse Over het IJ Festival een heuse Heldenplatz ingericht: een Plein van de Onbekende Held. En deze maand verscheen het glossy blad Helden op de markt.
De zuigkracht van het maaiveld begint dus te verslappen – waardoor? Het fundamentalistisch-nivellerende gedachtegoed van de jaren zeventig is grotendeels uitgewoed. De terroristische dreiging zal een rol spelen. Ook is er in een grenzeloze en onherbergzame wereld een hernieuwde behoefte aan gemeenschapsgevoel. Een gemeenschap heeft baat bij inspirerende voorbeelden, bij profiles in courage.
Volgens de filosoof Ludwig Feuerbach projecteren mensen in hun religieuze ideeën die wensen die op aarde onvervuld moeten blijven. Onze goden laten zien wat we zelf heimelijk zouden willen zijn. Voor onze helden geldt misschien wel net zoiets. Als dat zo is, volgt daaruit dat onze omgang met heldendom inderdaad veranderlijk is. Maatschappelijke ideaalbeelden zijn in de geschiedenis immers ook niet constant.
Welke zouden de eigenschappen zijn die wij nu in onze helden bewonderen? Ik denk dat Hollandse helden van nu het tegenbeeld tonen van de afzijdigheid en de risicomijding die we de afgelopen decennia over onszelf hebben afgeroepen. Onze helden zijn degenen die eigenzinnig dorsten zijn, die niet langs de kant bleven staan, vertrouwend op overleg en wachtend op de officiële instanties. Met hun activisme appelleren ze aan onze gedroomde identiteit. Daarom vereerden we ze zo lang in stilte: onze bewondering is gemengd met jaloezie en aangelengd met schaamte.
Hollandse helden van onze tijd toonden niet alleen fysieke moed, maar waren ook geestelijk onvervaard: ze trotseerden ook het oer-Hollandse verwijt van bemoeizucht en ‘aanstelleritis’. Mensen als Charity, Joes Kloppenburg en Meindert Tjoelker grepen in waar anderen passief bleven. In 1998 omschreef VVD-Kamerlid Atzo Nicolaï hen als ‘verzetshelden’ van deze tijd.

NATUURLIJK IS HET NIET TOEVALLIG dat bij het eren van helden wordt teruggegrepen op het beeld van verzetsstrijders uit de oorlog. Zij vormen nog steeds de ‘gouden standaard’ van onze moraal. De oorlogsherinnering confronteert ons met vragen van burgerschap, moed en verantwoordelijkheid. En die vragen zijn onverminderd actueel. Ook nu wordt burgermoed gevraagd. Bijvoorbeeld van journalisten, boekhandelaars, cabaretiers, filmmakers, museumdirecteuren en schouwburgexploitanten: de moed om niet te zwichten voor de tirannie van islamfanatici. Maar ook van voorbijgangers op straat, om niet passief toe te kijken bij geweld.
De oorlogsherinnering vormt daarbij een krachtige en blijvende inspiratiebron. Evenmin als een officieel Pantheon hebben we in Nederland een Heldenplein. Ons heldenplein vind je op de plekken waar verzetsstrijders in de oorlog naartoe zijn gebracht. Kamp Amersfoort. De fusilladeplaats van Kamp Vught, waar 329 verzetsmensen zijn doodgeschoten.
Ook bij het levend houden van dít heldendom zijn vraagtekens gezet, bijvoorbeeld door de historicus Chris van der Heijden. In zijn boek Grijs verleden (2001) betoogde hij dat de meeste mensen tijdens de bezetting niet goed of fout, maar ‘grijs’ waren geweest. In dat licht wordt ook het moreel kompas dat we graag in de oorlog willen zien, volgens Van der Heijden dof en onwaarachtig. Daarom kan hij niet wachten tot die oorlogsherdenkingen eindelijk eens voorbij zijn.
Op 10 oktober van dit jaar kwam de Volkskrant met een mooie special over dit onderwerp. Marjan Schwegman, directeur van het Niod, bepleit daarin een kentering: het wordt tijd voor een hernieuwde openbare waardering voor verzetshelden. Alsof heel Nederland het de afgelopen tien jaar met Van der Heijden eens zou zijn geweest! In werkelijkheid speelt deze opeenvolging van revisionismen zich hoogstens af binnen het kleine wereldje van historici. Gewone mensen hebben die propaganda voor de ‘grijze Nederlander’ altijd gewantrouwd.
Keer op keer blijkt dat de grote meerderheid van de Nederlanders, jongeren incluis, het juist belangrijk vindt met herdenken door te gaan. Het inzicht dat de meeste Nederlanders in de oorlog niet wit of zwart maar ‘grijs’ waren, vormt daartoe alleen maar een extra aanmoediging. Juist in die grijze verleiding schuilt immers het gevaar. Grijs is een kleur voor analyse en voor begrip achteraf – desnoods niet alleen begrip ván maar ook begrip vóór degenen die voor die verleiding bezweken. Maar het is niet de kleur die je zelf zou willen aannemen als het erop aankomt.
Een ‘grijze’ opstelling is niet onvermijdelijk en al helemaal niet nastrevenswaardig. Harry Mulisch heeft het eens mooi uitgedrukt: ‘Je had helden die echt goed waren en klootzakken die totaal fout waren. Daar tussenin zat van alles natuurlijk, maar je hád ze wel.’

Dit is een bewerkte versie van een lezing die schrijver en journalist Herman Vuijsje gaf in de serie Heldenmoed en heldendom in Paradiso, Amsterdam. Op 1 november spreekt Nelleke Noordervliet over ‘(Anti)Helden en heldinnen in de Nederlandse literatuur en op 15 november bezingt Bianca Stigter ‘Helden en superhelden op het witte doek’. Zie www.verstigt.nl