De ware vrijheid: De levens van Johan en Cornelis de Witt

De landprins en de zeeprins

Luc Panhuysen

De ware vrijheid: De levens van Johan en Cornelis de Witt

Atlas, 527 blz., e 37,50

Wanneer er een dramatische gebeurtenis plaatsvindt, is het altijd verleidelijk te zoeken naar voorafschaduwingen van dat drama, naar handelingen of uitspraken die als profetisch kunnen worden beschouwd. In zijn meeslepende dubbelbiografie van Johan en Cornelis de Witt kan Luc Panhuysen niet om het feit heen dat Johan op de Latijnse School van Dordrecht de hoofdrol speelde in de door zijn docent Johannes Michaelius geschreven tragedie Caesar ofte Kaisermoorders, dat eindigde met de dichtregels: «Wanneer men lang genoeg heeft ge zweet voor het volk/ Wat krijgt men dan voor zijn loon? In het hart een blanke dolk».

Volgens Panhuysen is hier echter niets «profetisch» aan, omdat Johan die rol simpelweg te danken had aan het feit dat hij de beste van de klas was. Toch zou je ook dat kunnen zien als een voorafschaduwing van wat komen ging. Reeds op zijn 28ste werd hij immers gekozen tot raadspensionaris van de Staten van Holland, omdat hij met kop en schouders bo ven de andere regenten uitstak. Hiermee werd hij de machtigste man in de Republiek, een baan die in 1653, midden tijdens de desa streus verlopende Eerste Engelse Zeeoorlog, buitengewoon riskant was. De aanvaarding van dat ambt getuigde duidelijk van moed en een andere regent stelde verwonderd vast dat het Johan blijkbaar niets kon schelen dat hij «geheel aan stukken in de doodskist» terecht zou komen.

In 1672, toen de Republiek niet alleen voor de derde maal in twintig jaar in oorlog met Engeland was maar tevens werd aangevallen door Lodewijk XIV en de bisschoppen van Keulen en Münster, zouden Johan en zijn twee jaar oudere broer Cornelis inderdaad aan stukken worden gescheurd. Hun lichamen zouden echter geenszins com pleet in hun kisten belanden, aangezien Cornelis’ weduwe moest aanzien hoe in een trekschuit een van haar medepassagiers trots een vinger van haar man liet rondgaan.

De moed die Johan aan de dag legde toen hij onder uiterst hachelijke om standigheden regeringsverantwoor delijkheid op zich nam en de doodsverachting waarmee Cornelis samen met De Ruyter de Nederlandse vloot aanvoerde tijdens de fa meuze tocht naar Chat ham en de zeeslag bij Solebay, waren niet louter aangeboren. Hun onverschrokkenheid was in hoge mate het resultaat van hun opvoeding, die het stempel droeg van de stoïcijnse idealen van hun vader Jacob. Volgens de Griekse Stoa en Ro meinse navolgers ervan als Cicero en Seneca diende men zich in het onvermijdelijke te schikken. De stoïcijn hechtte zich niet aan het tijdelijke en liet zich niet regeren door zijn hartstochten, slechts door eer en plicht liet hij zich leiden. Centraal stonden deugden als constantia (standvastigheid), temperantia (gematigdheid) en prudentia (het inzicht om publiek of privé adequaat te reageren).

Op het persoonlijke vlak kon deze stoïcijnse houding zich uiten op een manier die op ons als onbegrijpelijk kil en harteloos overkomt, zoals blijkt uit de brief die Johan na de dood van zijn vrouw aan een neef schreef. Hij meldde dat zijn dochters niet naar de kermis in ’s-Hertogenbosch zouden gaan «… om dat God het heeft beliefd mijn lieve huisvrouw gisteren omtrent één uur uit deze wereld tot zich in de eeuwige vreugde te halen». In het klad stond aanvankelijk voor het woordje «we reld» eerst nog «bedroefde», maar dat werd kennelijk als ongepast geschrapt. Panhuysen maakt duidelijk dat Johan zielsveel van zijn vrouw hield en door haar dood zwaar getroffen werd, maar zelfmedelijden was uit den boze, om dat het aanmatigend was.

Ook voor het vervullen van een openbaar ambt had deze houding duidelijke consequenties. Het was er bij Johan en Cornelis ingehamerd dat er een ondeelbare samenhang bestond tussen de persoonlijke deugdzaamheid en de integriteit van degenen die re geerden. Iemand die macht uitoefende, mocht dat doen omdat hij beter, voorbeeldiger was dan de rest. Wie met gezag bekleed was diende dus het goede voorbeeld te geven. Zodoende moest een regent van onbesproken gedrag en onomkoopbaar zijn. Naar zeventiende-eeuwse maatstaven – in een tijd waarin patronage normaal was en niemand er vreemd van opkeek wanneer de raadspensionaris zich inspande om zijn broer en vader een baantje te bezorgen – was Johan dat zeker.

Het waren onmiskenbaar republikeinse idealen waardoor de gebroeders De Witt werden gedreven, zodat zij er uit principe op tegen waren dat erfelijkheid bepaalde wie het staatshoofd werd, maar daarmee waren het nog geen democratische idealen. De regering behoorde in handen te zijn van de besten, de aristoi. In het zeventiende-eeuwse Nederland werd die aristocratie niet in de eerste plaats gevormd door de landadel, maar door de stedelijke elite van kooplieden. Deze regentenklasse diende het «gemene volk», dat losbandig en agressief was, in toom te houden en met strenge doch rechtvaardige hand te leiden.

Uiteraard laadden de regenten al spoedig de verdenking van «vermaagkropping» en nepotisme op zich, zodat het «grauw» van tijd tot tijd in opstand kwam en de huizen van de elite plunderde. Het was deze spanning tussen regeerders en geregeerden die werd gebruikt door aanhangers van het Oranjehuis.

Kort nadat hij door middel van een staatsgreep de macht had gegrepen, was stadhouder Willem II in 1650 overleden. Acht dagen na zijn dood baarde zijn vrouw een mannelijke nakomeling, die uiteraard ook Willem werd gedoopt. Bij zijn doop betitelde de predikant de jonge Oranjetelg weliswaar als «zonnewijzer voor het gemene volk», maar voorlopig leek de rol van het Oranjehuis uitgespeeld. Geschrokken van de monarchale ambities van Willem II voelden vooral de Hollandse regenten er niets voor om diens zoon in de toekomst te benoemen tot stadhouder en opperbevelhebber van leger en vloot.

Beide kampen beriepen zich op het begrip «vrijheid», dat sinds de strijd tegen de Spaanse overheersing een centrale rol speelde in de zich ontwikkelende identiteit van de Republiek. De prinsgezinden benadrukten dikwijls dat die vrijheid onder leiding van de Oranjeprinsen «duur gekocht» was, terwijl hun tegenstanders het bij voorkeur hadden over «de ware vrijheid», die te rugging op de stedelijke vrijheden uit de Middeleeuwen en dus al lang be stond voordat Willem van Oranje op het toneel verscheen. Die ware vrijheid moest verdedigd worden tegen de grillen en ambities van het Oranjehuis.

Zolang de jonge Oranjeprins nog een kind was, dreigde er weinig gevaar, maar vooral sinds hij in 1666 was benoemd tot «Kind van Staat» begon hij een factor van betekenis te worden. Hoewel de Staten van Holland een jaar later het «Eeuwig Edict» aannamen, dat inhield dat Holland «voor eeuwig» het ambt van stadhouder afschafte, nam de invloed van de prinsgezinden toe. Deels werd dit veroorzaakt door het feit dat in Engeland sinds 1660 het republikeinse regime van Cromwell was vervangen door de monarchie, onder leiding van Willems oom Karel II. Johan de Witt was fel tegen het Eeuwig Edict geweest, maar door de toenemende polarisatie was zijn gematigde houding niet langer vol te houden en kwam hij steeds meer tegenover de prins te staan, over wiens opvoeding hij de supervisie had. De politieke successen van Johan en de maritieme overwinningen van Cornelis wekten de woede van de prinsgezinden, die hen uitscholden voor respectievelijk «landprins» en «zeeprins». De implicatie was helder: de broers hadden duidelijk prinselijke ambities, het waren usurpators.

In het «rampjaar» 1672 zou de echte prins aan het langste eind trekken. Terwijl de Republiek vrijwel volledig onder de voet gelopen dreigde te worden en het door predikanten en prinsgezinden opgehitste volk te hoop liep tegen de gehate regentenklasse, kozen tal van medestanders van de gebroeders De Witt eieren voor hun geld en schaarden zich achter Willem III, die tot stadhouder werd gekozen.

Johan legde zich op stoïcijnse wijze neer bij de gewijzigde omstandigheden. Cornelis, die enkele jaren eerder nog werd gehuldigd als overwinnaar op de Engelsen, werd echter van hoogverraad beschuldigd en gearresteerd. Hierdoor moest Johan zich intensief bemoeien met de verdediging van zijn broer. Cornelis werd zwaar gemarteld, maar ook tijdens deze beproeving kwam er geen klacht over zijn lippen. Evenmin bekende hij, waarna hij maar werd verbannen. Toen Johan hem kwam ophalen werd de Haagse Gevangenpoort belegerd door schutters en het gepeupel, waarna de twee mannen op gruwelijke wijze werden afgeslacht.

Panhuysen maakt duidelijk dat de ondergang van Johan en Cornelis, en van het bestel van de Ware Vrijheid, niet in de eerste plaats het gevolg was van de binnenlandse strijd tussen «staatsgezinden» en «prinsgezinden». Het was de internationale politiek die hun de das om deed. Tot 1648 had de Republiek zich omhoog kunnen werken in de rangorde der Europese landen, omdat de oude grootmacht Spanje grotendeels was uitgerangeerd, het enorm verdeelde Duitsland in brand stond en landen als Engeland en Frankrijk ge plaagd werden door tal van interne problemen. De kleine Republiek leefde boven zijn stand. De tragiek van de Ware Vrijheid was dat dit regime samenviel met het volwassen worden van Engeland en Frankrijk, twee grootmachten die hun plaats gingen opeisen. Ook onder een krachtige Oranjeprins zou dat niet anders zijn geweest. De ironie wilde dat Willem III vanaf 1688 als Engelse koning zelf zou bijdragen aan de groei van Engeland, terwijl zijn politiek tegen Frankrijk niet af week van die van Johan de Witt.