De Turkse diaspora

De lange arm van Ankara

Turkije wil een machtig land worden en Turkse migranten in Europa zijn daarbij nodig. Ze moeten integreren én Turks blijven. Maar de geschiedenis wijst uit dat het land waar je al generaties woont uiteindelijk toch je land is.

Medium 19075388egypte web

De naam ‘Departement voor Turken in het Buitenland en Gerelateerde Gemeenschappen’ spat in witte letters van de gevel van het twaalf verdiepingen tellende kantoorgebouw langs een van de uitvalswegen van Ankara, de stoffige en dicht bebouwde hoofdstad van Turkije. ‘Er werken hier inmiddels driehonderd mensen’, zegt Melek Yücel Salur, die tot aan haar middelbare-schooltijd in Nederland opgroeide. Ze was eerder in dienst van het Nederlands Instituut voor het Hoger Onderwijs Ankara (Niha) dat de samenwerking tussen Nederland en Turkije op het gebied van wo, hbo en mbo ondersteunt. Ze vertrok er voordat de Nederlandse minister van Onderwijs, Jet Bussemaker, haar bezuinigingsplannen voor de komende jaren aankondigde: in 2015 kort het ministerie op de subsidie aan het Niha en per 2016 wordt die beëindigd.

In een gesprek op het winderige dakterras van het nieuwe Turkse departement krijgt de overstap van Yücel Salur zo ongemerkt een extra lading: de Nederlandse diplomatieke dienst krimpt en de samenwerking met het buitenland – op onder meer de terreinen van cultuur en onderwijs – staat onder druk, terwijl Turkije zijn internationale aanwezigheid fors opschroeft, niet alleen diplomatiek maar ook sociaal en cultureel.

Volgens Gürsel Dönmez, de tweede man op het nieuwe Turkse departement, ‘kijkt Europa, in tegenstelling tot Turkije, met de sjablonen van de twintigste eeuw naar de huidige tijd’. Met de groei van Turkije als economische macht en de internationale nadruk op globalisering zijn wereldwijde netwerken volgens hem van wezenlijk belang. Turkije is al lang geen zendende natie meer van waaruit migranten in de hoop op werk en een betere toekomst voor hun kinderen naar westerse landen trekken, benadrukt hij. ‘Uit alle delen van de wereld vestigen mensen zich nu hier. Meer en meer internationale studenten studeren met een beurs van de Turkse overheid aan Turkse universiteiten.’

Vanuit het departement in Ankara worden sinds het voorjaar van 2010, en onder auspiciën van de religieus-conservatieve en nationalistische regering van de AK-partij, de banden aangehaald met de circa zes miljoen Turken in het buitenland. Daarnaast intensiveert het land de betrekkingen met wat aan Turkije gerelateerde gemeenschappen worden genoemd: naar schatting tweehonderdduizend mensen op de Balkan, in Oost-Europa, de Kaukasus en in Centraal-Azië. Een ontwikkeling die op gang kwam na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie en de val van de Berlijnse Muur in 1989. Dat stelde Turkije in staat om de historische, taalkundige, religieuze en culturele betrekkingen met deze landen weer aan te halen. Recentelijk kwamen daar de bloeiende handelsbelangen bij in het Midden-Oosten en Afrika. Een derde aandachtsgebied is de stroom buitenlandse studenten die met een beurs van de Turkse overheid in het land studeren, 11.500 ondertussen. Als deze jonge mensen naar huis terugkeren, maken ze in de ogen van Ankara deel uit van de Turkse diaspora.

Vijf van de zes miljoen Turkse migranten vestigden zich in de afgelopen halve eeuw in Europa. Ankara wil dat ze daar actief deelnemen aan het openbare leven, maar ze moeten tegelijkertijd de Turkse cultuur behouden. Topambtenaar Dönmez spreekt van een ongekende dynamiek. De tijd dat Turken in het buitenland slechts gastarbeiders waren is voorbij. Ze behoren inmiddels ook tot de middenklasse. Ze zijn kunstenaar, advocaat, ondernemer of academicus. In tegenstelling tot de eerste generatie beschikken zij wel over de kennis hoe samenlevingen in Europa functioneren. Met nadruk: ‘Er is een Turkse diaspora ontstaan.’

Het is de taak van zijn ministerie, aldus Dönmez, om te voorkomen dat Turkse migranten van zichzelf vervreemden. De inzet is dat vanuit Ankara en in samenspraak met Turkse maatschappelijke organisaties in Europa migranten met een Turkse achtergrond op dezelfde wijze als de autochtone bevolking gebruik kunnen maken van hun wettelijke rechten. Ongelijke behandeling, discriminatie, assimilatie en xenofobie zullen effectiever worden aangepakt dan tot nu toe is gebeurd. Althans dat is het plan. ‘We puzzelen nog op de manier hoe we met Turkse maatschappelijke organisaties kunnen samenwerken om hun positie in de vestigingslanden te versterken’, aldus de tweede man van het Turkse departement. ‘Bijvoorbeeld: op welke specifieke punten is vanuit Nederland ondersteuning door Ankara gewenst?’

‘Turkije wil een groot en machtig land worden. Turkse migranten zijn daarbij instrumenteel’, zegt universitair hoofddocent Murat Erdogan in een vraaggesprek in zijn werkkamer. Hij is onder meer directeur van het Migration and Politics Research Center van de Hacettepe Universiteit. De campus ligt zo’n twintig kilometer buiten Ankara, langs een andere dicht bebouwde uitvalsweg. Die visie is niet pas ontstaan met de komst in 2002 van de religieus-conservatieve AK-partij onder leiding van premier Erdogan. Ook andere Turkse regeringen richtten zich in de afgelopen decennia al tot ‘hun’ burgers in Europa. Wat nieuw is, is de diasporastrategie, die in 2009 bijvoorbeeld ook door de Turkse Foreign Economic Relation Board werd gelanceerd: netwerken van bloed- en taalverwantschap maken het gemakkelijker om wereldwijd handel te drijven.

Het migratie-instituut van Murat Erdogan rondde in maart een onderzoek af in elf landen met omvangrijke Turkse gemeenschappen, waaronder negen EU-landen. Uit deze Euro-Turkse Barometer 2013 blijkt dat migranten met Turkse wortels zowel geïntegreerd zijn in Europa – zeventig procent ziet het als hun permanente thuis –, maar dat ook de banden met Turkije hecht blijven. Zijn conclusie: ‘Niet zozeer het hebben van een paspoort is bepalend.’ Gemiddeld wonen zijn respondenten al meer dan een kwart eeuw in Europa. De helft heeft ook de nationaliteit aangenomen van het land waar ze wonen.

Desondanks blijft het vertrouwen in Turkije ongekend groot. Erdogan distantieert zich van het diasporaparadigma van de Turkse overheid dat hij omschrijft als ‘emancipatorisch reactionair’. ‘Ik hanteer het niet als een politiek maar als een sociologisch begrip.’ Ook staat zijn concept los van het klassieke diasporaparadigma zoals we dat van de joden kennen. Joden leven al eeuwenlang in de verstrooiing, maar in essentie blijf je jood en voel je je verbonden met andere joden in de diaspora. Murat Erdogan: ‘Turkse migranten wonen in Europa maar hebben, als een vorm van ondersteuning, sterke banden met Turkije. In die zin kun je spreken van een diaspora. Maar ik meen dat deze mensen niet vooral of alleen Turk zijn, zoals de Turkse regering benadrukt.’

Wel zegt Erdogan te kunnen begrijpen waarom de gerichtheid op het land van herkomst zo sterk blijft: ‘Wat migranten in Europa ervaren is niet bijster positief. Ze voelen zich uitgesloten, gediscrimineerd, beledigd, ook door overheden. Menigeen heeft het vertrouwen verloren dat zijn rechten en belangen worden gekend en onderkend. Kijk maar naar de zogeheten Döner-moorden in Duitsland. Lange tijd werd ontkend dat buitenlanderhaat het motief was. Wat zie je daarom nu? Turkije springt in dat gat.’

Natiestaten, in een reactie op de Franse Revolutie, gaan volgens de Leidse hoogleraar sociale geschiedenis Leo Lucassen uit van een homogene bevolking die dezelfde taal spreekt en vasthoudt aan dezelfde tradities: het gedeelde verhaal. Hij somt enkele historische voorbeelden op: Italië hield aan het eind van de negentiende eeuw via ambassades en consulaten intensief contact met Italianen in het buitenland. Duitsland hanteerde het concept Deutschtum im Ausland. Japan ontwikkelde het zogeheten Nikkeijin-idee. Afstammelingen van Japanners die aan het eind van de negentiende eeuw om economische redenen naar Peru en Brazilië vertrokken, werden uiteindelijk weer Japans staatsburger.

Lucassen: ‘Dat Turkije de nationalistische trom roert, dus sterk nationalistisch is, is wel een noodzakelijke politieke voorwaarde, maar niet voldoende om de nationalistische gevoelens van hun mensen in het buitenland te activeren.’ Hij zegt dat er nog weinig systematisch onderzoek is gedaan naar welke voorwaarden bepalend zijn voor succes. Wel is duidelijk dat ten minste drie belangen samen moeten komen: economische, politieke en ideologische. Een herkomstland als Turkije heeft er voordeel bij dat migranten geld naar huis terug sturen en handelsactiviteiten richting het moederland van hun ouders ontwikkelen. Het benadrukken van de bloedband is daarbij instrumenteel.

Daarnaast valt er volgens Lucassen politieke winst te halen in het stemhokje. Dat doe je als overheid door ideologisch te benadrukken dat de burger, waar die ook woont, wel Turks moet blijven. Recent is in Turkije de kieswet gewijzigd waardoor Turken in het buitenland niet meer naar Turkije hoeven te reizen om hun stem uit te brengen. En de ideologische belangen, meent Lucassen, hebben we in het voorjaar in Nederland kunnen ervaren met de Yunus-affaire. Aan de hand van de ophef over een Turks migrantenkind dat uit huis was geplaatst en bij een lesbisch stel was ondergebracht, benadruk je dat jouw mensen tot assimilatie worden gedwongen en dat ze dat zelf ook zo ervaren. ‘Maar vooral: dat jij vanuit Ankara iets voor hen kunt betekenen; dat je voor hen opkomt.’

Het wordt volgens Lucassen pas echt een ideologisch project waar veel mensen in geloven en naar gaan handelen als de nadruk op de bloedband zowel van boven (overheid) als van onderaf (migranten zelf) wordt gefaciliteerd en geëntameerd. Lucassen: ‘Je ziet dat 95 procent van de Turken hier met Turken trouwt, en het liefst ook nog eens afkomstig uit de streek waar hun ouders vandaan komen. Ook is de drang sterk om de Turkse taal levend te houden en ze geven hun kinderen vrijwel uitsluitend Turkse namen, ook in de tweede en derde generatie.’ Hij zegt: het vasthouden aan de etniciteit vertraagt hun integratie in Nederland. Het is evident dat dat op de langere termijn spanningen in Nederland oplevert. Maar ook: de geschiedenis wijst uit dat je je uiteindelijk niet met hand en tand kunt verzetten tegen de nesteling in het land waar je al generaties woont. Je kunt dat hoogstens een tijdje tegenhouden.

Han Entzinger, hoogleraar integratie- en migratiestudies aan de Erasmus Universiteit Rotterdam, betitelt het diasporaparadigma van de Turkse overheid als conservatief: ‘De meer moderne opvatting is dat je tijd, plaats en omstandigheden meerekent. Ook die hebben bepaald wie je bent en hoe anderen je zien.’ Uiteindelijk, voorspelt ook hij, verschuift de focus van Turkse migranten na een aantal generaties: het meer individuele perspectief vervangt het nationale perspectief.

Ahmet Azdural, directeur van het Inspraakorgaan Turken dat met opheffing wordt bedreigd nu het wettelijke kader en dus ook de financiering voor inspraakorganen van etnische groepen is weggevallen, onderschrijft die analyse. ‘Je zou verwachten dat de integratie van Turkse Nederlanders – de grootste minderheidsgroep in Nederland – zich zo zou ontwikkelen.’ Maar hij verzucht dat er een politiek van uitsluiting gaande is in Nederland. Althans zo wordt het ervaren door menige Turkse Nederlander. ‘De nadruk van de regering bij integratie ligt eenzijdig op sociaal-culturele aspecten: de acceptatie van liberale waarden die als Nederlandse waarden worden gepresenteerd. En er is tien jaar na 9/11 nog steeds een anti-islamhouding.’ De overheid bekommert zich, in de opvatting van zijn achterban, te weinig om de functionele integratie: onderwijs, werk, het tegengaan van discriminatie. In gesprekken met Turkse ouders hoort Azdural steeds dezelfde zorg: dat hun kinderen naar zwarte, dus minder goede scholen gaan en dat iedereen dat normaal vindt. Dat versterkt het idee dat de overheid migranten geen evenredige kansen biedt. Dat leidt ertoe, ervaart hij de laatste jaren, dat de aantrekkingskracht van Ankara toeneemt. ‘Turkije zegt de maatschappelijke positie van Turken in Europa te willen versterken en assimilatie tegen te gaan. Dat spreekt migranten aan. Het appelleert aan de gevoelens van angst voor het verlies van hun culturele identiteit.’

Advocaat Ejder Köse (vreemdelingenrecht en Turks associatierecht) is sinds eind vorig jaar lid van de tachtig leden tellende adviesraad die het Departement voor Turken in het Buitenland en Gerelateerde Gemeenschappen vanuit Europa bijstaat. Hij is net terug van een tweedaagse bijeenkomst in Ankara. In een ontmoeting op zijn advocatenpraktijk in Rotterdam-Zuid draait hij aanvankelijk de rollen om. Hij vraagt mij: ‘Waarom denkt u dat Turkije met de Yunus-kwestie zo hard op de trom sloeg?’ Ik opper: dat deed Turkije welbewust. Hij knikt instemmend. ‘Premier Erdogan en andere Turkse autoriteiten hebben niet gezegd dat het lesbische pleeggezin hét probleem is. Waar het om draait is dat elk kind terecht moet komen in een pleeggezin met een cultuur die dicht bij die van zijn ouders staat.’

Nadat de rust weer enigszins was weergekeerd, hebben de Raad voor de Kinderbescherming en Jeugdzorg, vertelt Köse, hun hand naar de Turkse gemeenschap uitgestoken. ‘Maar ook toen bleek dat ze feitelijk geen ingangen hebben. Daar is in het verleden nooit aan gewerkt.’ Tegelijkertijd fungeert de Yunus-kwestie volgens hem ook als een wake-up call voor de Turks-Nederlandse gemeenschap zelf: ‘Als het zo belangrijk is dat migrantenkinderen in crisissituaties niet in “vreemde” culturen worden opgevangen, dan moeten er wel Turks-Nederlandse pleeggezinnen zijn die zich om hen bekommeren.’

De Rotterdamse advocaat is lid geworden van de adviesraad van het Turkse departement – samen met nog vier andere Turkse Nederlanders – om tegenwicht te bieden aan de polarisatie, de uitsluiting van moslims die volgens hem sinds 9/11 in Nederland aan de gang is. Hij vertelt zijn eigen migrantenverhaal: ‘Lange tijd vond ik Nederland het fijnste land om in te leven. Ik voelde me niet anders dan alle andere Nederlanders. Tot Rita Verdonk in 2003 minister van Vreemdelingenzaken en Integratie werd en het idee uitdroeg dat het hebben van twee paspoorten de loyaliteit met Nederland in de weg staat. We werden gedwongen om te kiezen. We werden niet geaccepteerd als Turkse Nederlanders of Nederlandse Turken. Je anders-zijn werd dus benadrukt, terwijl je daar voorheen zelf nooit zo over had nagedacht.’

Köse en de andere leden van de adviesraad (zie kader) maken nu een rondgang langs Turkse maatschappelijke organisaties. Ze willen weten welke onderwerpen vanuit Nederland onder de aandacht van Ankara moeten worden gebracht. Drie zaken springen eruit: het recht op onderwijs in de Turkse taal op Nederlandse basisscholen (het Onderwijs in Allochtone Levende talen, oalt, werd in 2004 afgeschaft); dat het bedrag van tienduizend euro waarmee Turkse mannen in het buitenland de dienstplicht kunnen afkopen te hoog is; en het niet geaccepteerd worden in Nederland.

Het bedrag voor de dienstplicht is, na een schriftelijk verzoek daartoe van Köse in Ankara, teruggebracht tot zesduizend euro. Het is zijn eerste succesvolle optreden als lid van de adviesraad, ook al meent een meerderheid van de Turkse migranten dat de afkoop volledig zou moeten worden afgeschaft. Köse zegt het belangrijker te vinden dat met de systematische aandacht vanuit Turkije het gemankeerde zelfvertrouwen van Turkse migranten wordt opgekrikt. ‘Zij hebben het gevoel dat er eindelijk eens iemand voor hén opkomt.’ Tegelijkertijd zegt dat volgens hem ook iets over het geringe gezag van het brede scala aan Turkse zelforganisaties in Nederland: ‘Er is geen eenheid, in de zin dat er voor bepaalde zaken gemeenschappelijk gestreden kan worden – bijvoorbeeld aangaande de ineffectiviteit van inburgeringstrajecten. Er is niemand die, noch tegen de Turkse gemeenschap noch tegen de Nederlandse overheid, kan zeggen: dit is belangrijk en zo gaan we het doen.’

Als gevolg hiervan, benadrukt Köse, zetten Turkse Nederlanders zich nu af tegen Nederland: ‘Dat is geen goede ontwikkeling, niet voor Turkse migranten zelf maar ook niet voor Nederland. De inzet zou moeten zijn dat de participatie van Turkse migranten in Nederland wordt bevorderd.’

Het is juist die drang naar eenheid onder Turkse migranten in Europa die hoogleraar Leo Lucassen ter discussie stelt en die Murat Erdogan van het migratie-instituut van de Hacettepe Universiteit als een gevaar ziet. Lucassen: ‘Een deel van de Turkse migranten hier, Koerden en alevieten (liberale, sjiitische moslims die hun wortels hebben in Centraal-Anatolië), kan zich niet echt in dit diasporaverhaal vinden. Hun eigenheid komt zo onvoldoende tot uitdrukking.’

Erdogan trekt vergelijkingen met de recente Taksim-protesten in Turkije zelf: ‘De nieuwe stedelijke elite zegt feitelijk dat ze geen premier wil die zich opstelt als een autoritaire vader, als een sociale ingenieur die zich zelfs met je privé-leven bemoeit.’ Hij voorziet dat eenzelfde weerstand onder Turken in Europa gaat ontstaan als Ankara de lange arm te ver uitstrekt. Zoals bijvoorbeeld met het plan om een familie-attaché te stationeren op Turkse ambassades. Deze gaat zich bekommeren om zaken als huiselijk geweld en problemen in gezinnen in de Turkse gemeenschap, en buigt zich over de vraag hoe, in overleg met de Nederlandse overheid en instanties, een nieuwe Yunus-affaire kan worden voorkomen. Murat Erdogan: ‘De Turkse regering moet beseffen dat migranten ten minste met één been in Europa staan.’

Het Departement voor Turken in het Buitenland

Van de zes miljoen Turken in het buitenland leven er ruim drie miljoen alleen al in Duitsland. Nederland telt officieel 389.000 mensen met Turkse wortels. Het Departement voor Turken in het Buitenland en Gerelateerde Gemeenschappen valt onder staatsminister Bekir Bozdag. Hij is onder meer ook verantwoordelijk voor het Directoraat voor Godsdienstzaken (Diyanet). Nederland telt ruim honderd zogeheten Diyanet-moskeeën met een vanuit Turkije uitgezonden islamitische voorganger.

Het budget van het nieuwe departement voor 2013 bedraagt 93 miljoen dollar. 8,4 miljoen daarvan is bestemd voor projecten van Turkse ngo’s in het buitenland. Het meeste geld van het ministerie, 68 miljoen dollar, wordt uitgegeven aan beurzen voor de inmiddels 11.500 internationale studenten die aan Turkse universiteiten studeren. Ze komen uit 140 landen, in meerderheid uit Centraal-Azië waarmee Turkije historische, religieuze, culturele en economische banden heeft, en verder uit het Midden-Oosten, de Balkan en de laatste jaren ook uit Afrika. Daarnaast studeren er nog eens 8500 internationale studenten op eigen kosten aan Turkse universiteiten.

In de tachtig leden tellende adviesraad – zeventig aangewezen voor vijf jaar en tien ereleden – van het departement in Ankara zitten vijf Turkse Nederlanders: advocaat Ejder Köse, Yusuf Altintas van ISBO, de koepel van bijzondere scholen op islamitische grondslag, Osman Elmaci, werkzaam bij de FNV en Özcan Hidir van de Islamitische Universiteit Rotterdam. De zakenman Turgut Torunogullari is erelid.

Turkije investeert onder de paraplu van de ministeries van Buitenlandse Zaken en Cultuur ook fors in wat wel de culturele diplomatie wordt genoemd. Een voorbeeld daarvan zijn de Yunus Emre-instituten, naar het idee van de Goethe-instituten, de internationale culturele instelling van Duitsland. Er bestaan inmiddels 32 Yunus Emre-instituten in 25 landen, zegt Remzi Kabadayi. Hij is recent benoemd tot directeur in Nederland en zoekt momenteel een pand in Amsterdam, het liefst aan de Herengracht.


Beeld: Peter Hilz/HH