Haagse bezuinigingen bieden kansen aan Erdogan

De lange arm van Ankara

Turkse Nederlanders en Turkse belangenorganisaties richten zich in toenemende mate op het moederland. Een ontwikkeling die door de regering-Erdogan van harte wordt toegejuicht, maar die de integratie niet bevordert.

Medium hh 21552677

‘Niet alleen het politieke klimaat in Nederland ten aanzien van Turkse Nederlanders is in de afgelopen jaren verhard’, zegt Bahattin Aydin van Spuistraat 10 Advocaten in Amsterdam, ‘het is ook lastiger geworden voor hun belangen op te komen.’ Aydin is sinds 2007 verbonden aan het Amsterdamse advocatenbureau dat – in uitgebreidere vorm – een voortzetting is van Bureau Rechtshulp. Hij loodst mij naar een onverwarmde en ongezellige kamer op de begane grond van het smalle, eeuwenoude pand. ‘We zijn aan het verbouwen’, excuseert hij zich. Veel van zijn cliënten komen uit zijn Turks-Nederlandse achterban.

Hij woont zelf in de wijk Geuzenveld in Amsterdam te midden van een omvangrijke groep migranten die, net als zijn ouders vanaf de jaren zestig, vanuit Gümbet in de noordoostelijke Turkse provincie Sivas naar Nederland kwamen. Sinds zijn studiejaren is hij actief in de conservatief-religieuze Milli Görüs-beweging Noord-Nederland. Momenteel is hij onder meer voorzitter van de jongerenafdeling van de Mevlana Moskee, net over de ring in Amsterdam-West, en maakt hij deel uit van een denktank van hoogopgeleide moslims binnen de Turks-islamitische beweging.

Islamitische Nederlanders voelen zich niet serieus genomen door de Nederlandse overheid, merkt Aydin. ‘Neem nu het ritueel slachten. De meerderheid van de Tweede Kamer stemde in met een inperking. Door moslims wordt nu spottend opgemerkt dat als het niet ook een joods ritueel zou zijn geweest het volledig onmogelijk zou zijn gemaakt. De joodse lobby is veel effectiever dan die van de moslimmigranten.’ Het politieke en publieke dédain voor zo’n belangrijk voorschrift in de islam voedt volgens hem de gevoelens van angst voor verlies van hun culturele en religieuze identiteit. Dit speelt bij Turken vooral bij twee onderwerpen: het onderwijs in eigen taal en bij de jeugdzorg.

Tien jaar geleden werd in het Nederlandse basisonderwijs Onderwijs in Allochtone Levende Talen (oalt) afgeschaft. In Turkse kring leeft sterk de opvatting dat hierdoor de Nederlandse taalachterstand bij veel Turkse jongeren te verklaren is. Als ze de Turkse taal niet voldoende beheersen, hoe kunnen ze dan goed Nederlands leren?

Bij Jeugdzorg, vinden veel Turken, wordt onvoldoende rekening gehouden met de culturele en religieuze achtergrond van islamitische jongeren die uit huis worden geplaatst. De Turkse regering gaat hun nu helpen. Aysenur Islam, de nieuwe Turkse minister van Familie en Sociale Aangelegenheden, verklaarde eind maart dat de Turkse overheid zich binnenkort actief zal inzetten om Turkse migrantenkinderen in moslimpleeggezinnen, liefst Turkse, onder te brengen. ‘We openen hiervoor kantoren bij ambassades en andere vertegenwoordigingen van de Turkse staat in het buitenland.’

Turkse Nederlanders krijgen hierdoor het idee dat de regerende conservatief-islamitische en nationalistische AK-partij in Turkije veel voor hen kan betekenen. ‘Alleen al daarom was de aandacht van veel Turkse Nederlanders niet zozeer gericht op de gemeenteraadsverkiezingen op 19 maart in Nederland, maar op die van 30 maart in Turkije’, weet Aydin. ‘De redenering is als volgt: ook voor migranten in Europa is het belangrijk dat in Turkije een partij met een islamitische agenda aan de macht blijft die het land ook nog eens in economische zin machtiger maakt. Op termijn komt dat, is de algemene verwachting, ook hun positie in Nederland ten goede.’

De Turkse staat bekommert zich al decennia om ‘zijn’ burgers in het buitenland. De regerende AK-partij doet daar met een nieuw diasporabeleid nog een fikse schep bovenop. Vanuit een speciaal departement voor Turken in het buitenland worden de banden aangehaald met de circa vijf miljoen Turken in Europa. Ankara wil dat zij actief deelnemen aan het openbare leven in de landen waarin ze zich hebben gevestigd, maar ze moeten tegelijkertijd de Turkse cultuur behouden. Ongelijke behandeling, discriminatie en xenofobie moeten effectiever worden aangepakt dan tot nu toe is gebeurd. Tegelijk beschouwt premier Erdogan hen als ambassadeurs van Turkije. In een publicatie van de denktank van het Turkse ministerie van Buitenlandse Zaken stelt de voormalige directeur van het departement dat hechtere betrekkingen met Turkse migranten deel uitmaken van het Turkse buitenlandbeleid. Feitelijk komt het erop neer dat Turkse migranten van belang worden geacht in het streven van Ankara om een groot en machtig land te worden.

Het gonsde van de verhalen dat duizenden moslimkinderen uit huis zouden zijn gehaald – en dan vaak ook nog onterecht

Deze toenaderingspogingen van de AK-regering zijn zeker niet kansloos. Hoewel onderzoek na onderzoek uitwijst dat het grootste deel van de migranten met Turkse wortels goed is geïntegreerd, blijven ook de banden met Turkije hecht – tot in de derde generatie. Dat geldt in het bijzonder voor de religieus-conservatieve meerderheid die haar levensstijl weerspiegeld ziet in de groeiende islamisering van Turkije onder leiding van premier Tayyip Erdogan. In het Nederlandse overheidsbeleid, zo is een veelgehoorde klacht, ligt de nadruk eenzijdig op sociaal-culturele aspecten (liberale, individualistische waarden) en te weinig op functionele integratie: onderwijs, werk, het tegengaan van discriminatie. Nieuwe groepen in Nederland krijgen hierdoor nauwelijks ruimte voor eigenheid en dat doet geen recht aan een nieuwe werkelijkheid: migranten veranderen door de Nederlandse context, maar ze blijven zich tegelijkertijd verhouden tot hun land van herkomst.

Veel Turkse Nederlanders spreken daarom van een vertrouwenscrisis. Ze onderstrepen dat de overheid ‘allochtonen’ geen evenredige kansen biedt, waardoor er feitelijk sprake is van uitsluiting. In die opvatting staan de religieus-conservatieven zij aan zij met liberale en links georiënteerde migranten. Waarom gaan onze kinderen voornamelijk naar zwarte scholen waar de kwaliteit onder de maat is en de kans op leerachterstanden toeneemt?

‘Terwijl het ontwikkelingsvermogen en de vitaliteit van steeds meer migranten ongekend groot zijn, is Nederland niet bereid om de macht met hen te delen’, meent Zeki Arslan, programmamanager bij Forum, het instituut voor multiculturele vraagstukken in Utrecht. ‘Ze kloppen aan de poort om medeverantwoordelijkheid te nemen voor de ontwikkelingen in Nederland, maar worden daar onvoldoende toe in de gelegenheid gesteld. Kijk alleen maar naar het onderwijs, waar nauwelijks migranten doordringen tot de schoolbesturen.’

Er wordt nog gepuzzeld op hoe het diasporabeleid vanuit Ankara in Europa kan worden uitgerold. De noden van de migranten verschillen immers per vestigingsland. Maar dat het de Turkse regering ernst is, bleek ook in februari op de Wittenburgconferentie, die ditmaal in Ankara plaatsvond. Sinds 2008 komen de Turkse en Nederlandse ministers van Buitenlandse Zaken en een omvangrijke ambtelijke delegatie van beide landen jaarlijks bijeen om te praten over uitbreiding van de economische betrekkingen, de Europese Unie, migratie en het tegengaan van terrorisme en mensenhandel. Aan de werkgroepen werd van Nederlandse kant deelgenomen door vertegenwoordigers van de ministeries van Buitenlandse Zaken, Veiligheid Justitie, Sociale Zaken en Werkgelegenheid en door vertegenwoordigers van de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (nctv), de Immigratie- en Naturalisatie Dienst (ind) en de Koninklijke Marechaussee. Ankara wil dat de bilaterale gesprekken over migratie verder reiken dan deze conferentie en pleitte met succes voor de vorming van een interdepartementale ambtelijke werkgroep. Nederland is volgens een ingewijde schoorvoetend met dit voorstel akkoord gegaan. Om het ambtelijk jargon te citeren: aan de precieze taakstelling van deze werkgroep wordt nog gewerkt.

Wat Nederland betreft is de Turkse overheid – mede op verzoek van Turkse zelforganisaties hier – aarzelend en tastend bezig om het accent niet alleen te richten op het versterken van de maatschappelijke positie en de rechtspositie van Turkse Nederlanders, maar juist ook op jeugdzorg en Turkse taallessen. Hoe heikel die eerste kwestie is, werd begin vorig jaar duidelijk door de ophef, zowel in Nederland als in Turkije, over wat de Yunus-affaire is gaan heten. De casus van een Turkse jongen die uit huis was geplaatst en bij een lesbisch stel werd ondergebracht, werd aangegrepen om het beeld te schetsen van jonge Turkse Nederlanders die tegen de wil van hun ouders tot assimilatie worden gedwongen. Het gonsde van de verhalen dat duizenden moslimkinderen uit huis zouden zijn gehaald – en dan vaak ook nog onterecht. Exacte getallen zijn niet te achterhalen omdat Jeugdzorg noch de etnische achtergrond noch de religieuze affiliatie van cliënten vermeldt.

Volgens Mehmet Akbulut, directeur van adviesbureau Exire in Rotterdam, zijn er jaarlijks 120 tot 150 Turks-Nederlandse kinderen die pleegzorg nodig hebben. Hij heeft ruim dertigduizend euro van Turkije ontvangen om de komende maanden meer kennis in jeugdzorginstellingen in de regio Rotterdam te ontwikkelen over culturele verscheidenheid en om de nieuwe lichting raadsleden, vooral die van ‘allochtone’ afkomst, bewust te maken van de invloed die zij kunnen hebben op de inrichting van Jeugdzorg. Dat gebeurt met instemming van het Contactorgaan Moslims en Overheid (cmo) dat in hetzelfde pand als hij kantoor houdt. ‘Jeugdzorg wordt in 2015 een gemeentelijke taak. De raad is dan de opdrachtgever’, legt Akbulut uit. ‘Raadsleden kunnen dus in de gaten houden hoe de verantwoordelijke wethouder het budget besteedt.’

Akbulut ontvangt mij in een voormalig internaat van Diyanet (het Turkse directoraat voor godsdienstzaken) in Rotterdam-Noord, dat nu dienst doet als onderkomen voor Turks-Nederlandse studenten. Het naastgelegen pand is nog steeds in gebruik als moskee. Mannen zitten op deze zonnige middag voor de deur van het gebedshuis op bankjes met elkaar te praten. Het gebedssnoer glijdt door hun vingers. De directeur van Exire erkent het belang van een instelling als Jeugdzorg, maar vindt dat onvoldoende wordt ingespeeld op de culturele en religieuze verscheidenheid in het huidige Nederland. Hij geeft een voorbeeld: ‘Een Turkse opa zei tegen zijn kleinzoon: “Dassagini yerim”, “ik eet je ballen op”. Dat is een uiting van liefde en betekent: ik houd ontzettend veel van jou. Het jongetje vertelde echter aan een vriendje wat zijn opa had gezegd en die vertrouwde het zijn moeder toe. De vrouw vermoedde dat de opa een pedofiel was en schakelde Jeugdzorg in.’ Vervolgens kwamen niet alleen de opa maar alle gezinsleden bij Jeugdzorg in beeld. Akbulut: ‘De oude man was van een liefhebbende grootvader opeens een verdachte geworden. Inmiddels is hij teruggekeerd naar Turkije, al had hij graag zijn oude dag te midden van zijn kinderen en kleinkinderen in Nederland doorgebracht.’

‘Niemand heeft duidelijk kunnen verwoorden waar de groeiende onvrede in de Turks-Nederlandse gemeenschap uit bestaat’

Met de stichting Adam (Mens) wil Akbulut nu – opnieuw samen met het cmo – modelpleeggezinshuizen opzetten. Het idee is dat professionals, een man en een vrouw die tevens moslim zijn, aan het hoofd staan van een onderkomen waarin maximaal zes pleegkinderen van moslimouders worden opgevangen. Hij ervaart dat meer en meer moslims in Nederland zich in de steek gelaten voelen door de overheid, politieke partijen en instellingen als Jeugdzorg. ‘Moslimorganisaties worden op de een of andere manier niet als volwaardig gezien’, zegt hij. ‘Dat schuurt, want tegelijkertijd wordt van ons verwacht dat we ons verbinden met Nederland.’

In Amsterdam is Turkije wat betreft Jeugdzorg vooralsnog buiten de deur gehouden. Diversiteitsland, waarvan Salih Türke directeur is, en Spirit Jeugd Opvanghulp hebben de handen ineengeslagen. Onder het motto ‘pleegzorg is een zaak van ons allemaal’ zijn begin maart de eerste ambassadeurs met een bi-culturele – voornamelijk Turkse – achtergrond geïnstalleerd. Zij moeten pleegzorg bij een bredere doelgroep in Amsterdam onder de aandacht brengen en eventuele vooroordelen wegnemen.

Vanuit Deventer is Kazim Akdemir, die lange tijd in het bestuur zat van de Turks Islamitische Culturele Federatie (ticf) en bestuurder is van een Diyanet-moskee in zijn woonplaats, ook bezig om Turks-Nederlandse pleegouders te werven. ‘Ik heb inmiddels een lijst met 160 namen’, zegt hij. Zijn campagne opereert onder de naam Umut Yildizi (Ster van Hoop). Akdemir gebruikt eveneens de wervende banner ‘Ailenizde bana da yer var mi?’ (‘Is er plaats voor mij in uw gezin?’)

Het recht op onderwijs in de Turkse taal is het tweede heikele punt in de Turks-Nederlandse verhoudingen, benadrukt Yusuf Altuntas, voorzitter van Milli Görüs Noord-Nederland met 23 moskeeën. Hij maakt deel uit van de tachtig leden tellende adviesraad van het speciale departement voor gemigreerde Turken in Ankara. ‘Ruim 140 Turkse imams in Nederland staan op de loonlijst van de Turkse overheid’, zegt hij: ‘Je zou je kunnen voorstellen dat een vergelijkbare regeling ook voor Turkse onderwijzers in Nederland wordt uitgedacht.’ Wetenschappers betwijfelen echter of onderwijs in de moedertaal een positief effect heeft op hun kennis van het Nederlands. Dat is de reden dat het oalt-onderwijs werd afgeschaft. Sinds die tijd zet de Nederlandse overheid in op het aanleren van Nederlands onder migranten.

Nederlandse politici en beleidsmakers geloven volgens Forum echter ten onrechte dat het vasthouden aan de moedertaal een uiting is van een gebrek aan bereidheid van migranten om te integreren. Het instituut heeft de staatssecretaris van Onderwijs Sander Dekker begin dit jaar gevraagd om zijn wetsvoorstel om basisscholen structureel ruimte te bieden om tot vijftien procent van hun onderwijstijd Engels, Frans of Duits als instructietaal te hanteren, uit te breiden met de thuistalen van kinderen van migranten (Turks, Arabisch, Japans, Chinees et cetera). Dekker neemt het voorstel niet over. De doelstelling van zijn beoogde wetsvoorstel – kinderen voorbereiden op een internationale samenleving door hun nieuwe talen aan te leren – komt volgens hem niet overeen met de doelstelling van Forum: leerachterstanden van kinderen proberen weg te werken door hun thuistaal op school verder te ontwikkelen.

In november vorig jaar ving de Turkse arbeidersvereniging in Nederland (htib), met een beroep op Europese richtlijnen, op dit punt ook al bot bij de rechtbank in Den Haag. Het hoger beroep hiertegen loopt nog. De Turkse Federatie Nederland, die de Turkse cultuur in Nederland levend wil houden en is gelieerd aan de ultranationalistische mhp, de Turkse Partij van de Nationalistische Beweging, is dan ook begonnen met het op eigen houtje aanbieden van Turkse taallessen, verspreid over twintig locaties in Nederland en met hulp van Ankara in de vorm van tweehonderd studieboeken. Het lesmateriaal is in Turkije ontwikkeld voor migrantenkinderen die het Turks onvoldoende beheersen. Voorzitter Murat Yedik: ‘We vinden dat het taalonderwijs door professionals moet worden gegeven. Daarvoor hebben we bij het departement in Ankara een projectplan ingediend en veertigduizend euro aangevraagd. Dat verzoek loopt nog.’ Eenzelfde voorstel diende de stichting Turks Islamitische Culturele Federatie in. ‘De federatie heeft vooralsnog in Ankara nul op het rekest gekregen’, aldus voorzitter Arif Yakisir.

Terwijl de geldkraan in Nederland dicht zit, lobbyen Turkse zelforganisaties nu dus in Ankara. ‘Hierdoor stellen ze zich indirect ook op als een verlengstuk van de belangen van Turkije’, verzucht Emre Ünver, voorzitter van het Inspraakorgaan Turken (iot) en pvda-raadslid in Amsterdam. Dat is een slechte ontwikkeling, vindt hij. ‘Het gaat ten koste van de gedeelde belangen van alle bijna vierhonderdduizend Turkse Nederlanders.’ Nu het wettelijke kader en dus ook de financiering vanuit Den Haag voor inspraakorganen van etnische groepen wegvalt, is het iot druk bezig om zichzelf via een ledenwerfactie in de achterban in stand te houden als spreekbuis van de gehele Turks-Nederlandse gemeenschap. Ünver gruwt van het diasporaparadigma van de Turkse overheid. ‘Onze ouders zijn hier uit vrije wil gekomen en hun kinderen zijn hier opgegroeid. Ik voel me net zo Nederlands als Turks, maar bovenal Amsterdammer.’

Den Haag klaagt dat er parallelle samenlevingen aan het ontstaan zijn, juist ook onder migranten van Turkse komaf, zegt Zeki Arslan, programmamanager bij Forum (waarvan de subsidie volgend jaar wordt gestopt). Dit terugtrekken in de eigen etnische en religieuze groep is volgens hem een gevolg van de groeiende frustratie van ook hoogopgeleide migranten. Hij pleit voor een nieuwe visie op integratie die aangeeft hoe oude en nieuwe Nederlanders macht, inkomen en kennis kunnen delen. ‘Noem het een routekaart.’ Komt die er niet, waarschuwt hij, dan is het niet verwonderlijk dat de verbondenheid elders wordt gezocht, dat het perspectief op het land van herkomst verder toeneemt.

Arslan vindt dat Turkse Nederlanders daarbij ook zelf aan zet zijn. Hij verwijt hun dat er geen intellectuele voorhoede is ontstaan. ‘Er is daardoor een gebrek aan leiderschap’, constateert hij. ‘Niemand is erin geslaagd om duidelijk te verwoorden waar de groeiende onvrede en het groeiende ongemak in de Turks-Nederlandse gemeenschap nu precies uit bestaat. En niemand neemt het voortouw om de gerichtheid op het land van herkomst te kanaliseren en om te buigen in de richting van het land van aankomst. Mede hierdoor ontstaat een gat waar Ankara nu inspringt.’


Beeld: passagiers van de eerste Turkish Airlines-vlucht tussen Istanbul en Rotterdam worden feestelijk onthaald op Rotterdam Airport, 4 maart (Jan de Groen/HH)