De lange mars van de mufti van jeruzalem

Dit is de laatste aflevering van dit feuilleton. Over enkele weken geeft de Arbeiderspers een bundel met de onverkorte afleveringen van deze reeks uit onder de titel Jakhalzen van het Derde Rijk.
In mei 1941 slaat eindelijk het grote uur voor de Groot-Mufti van Jeruzalem, Amin al-Hussaini, volgens Churchill ‘een ton dynamiet die op twee benen rondloopt’. Eindelijk werpt een anti-Engelse junta in Irak onder Ali Kilani het masker af, verdrijft de Engels-gezinde Nouri-es-Said en sluit een verbond met de door de Mufti gesteunde opstandeling Fariz el-Karkani, die nog een ijzeren kruis heeft overgehouden aan zijn militaire verrichtingen in de Eerste Wereldoorlog. De Mufti roept op tot de jihad tegen de Engelsen. Arabische en Palestijnse vrijwilligers stromen toe. Indien de opstand doorzet en ook generaal Dentz, die Vichy trouw is gebleven, zich er in Syrie bij aansluit, bestaat de kans dat ook Reza Sjah in Iran de zijde van de Arabische opstand tegen de Engelsen kiest.

Dat zou de doodsteek zijn voor het eenzaam tegen nazi- Duitsland vechtende Engeland, zeker als de Duitsers het initiatief van de Italianen in Noord-Afrika overnemen en doorstoten naar Egypte. Churchill geeft daarop bevel de Mufti uit de weg te ruimen. Leden van de ondergrondse joodse organisatie Irgoen Zwai Leoemi, in de strijd tegen de nazi’s of nazi-bondgenoten tijdelijk hevig pro-Engelsen, zullen dit karwei wel even opknappen. Maar de aanslag wordt een mislukking. De paar Duitse jagers die Hitler als steun aan de rebellen in Irak heeft gestuurd, komen tussenbeide. Weliswaar stokt het offensief van Karkani, die zwaar gewond moet uitwijken naar het Syrie van de Vichy-Fransen - hij wordt overgebracht naar Berlijn -, maar er heeft zich een nieuwe woestijnheld gemeld die met honderden ruiters de opstand een nieuwe injectie geeft: Zref.
De opstandelingen smeken de Duitsers om meer hulp, vliegtuigen en tanks vooral, maar Hitler weigert. Hij is absoluut niet van plan een groot verenigd Arabisch nationalisme aan de macht te brengen, dat dadelijk even anti-Duits gezind zal zijn als anti-Engels, omdat het Arabische nationalisme eenvoudig antiwesters zal zijn. Bovendien zouden er voor Hitler moeilijkheden dreigen met de koloniaal geinteresseerde Italianen en Vichy-Fransen. En tenslotte ziet Hitler, die op het punt staat zich op de Sovjetunie te storten, het Midden-Oosten als volstrekt secundair strijdgebied. Het komt nog tot een heuse slag bij Aleppo op 6 juli 1941, die min of meer onbeslist eindigt, maar daarna is het voor de slagvaardige Engelsen, gesteund door De Gaulle’s vrije Fransen, slechts een kwestie van enkele weken om het hele verzet neer te slaan.
De bevolking in Irak uit zijn anti-Engelse woede in een pogrom die enige honderden joden het leven kost. Het is een bizar gebeuren. Nog slechts enkele maanden tevoren, in januari 1941, heeft er een serieus contact bestaan tussen de nazi’s en Stern- en Irgoen-groepen. Deze zouden bereid zijn de Duitsers tegen de Engelsen te steunen indien er een regeling kon worden getroffen om de Duitse joden over te brengen naar Palestina. Het is een geheimzinnige zaak gebleven, in het mislukken waarvan de Mufti een aanzienlijke hand zou hebben gehad. In een brief aan Hitler, die hij persoonlijk pas najaar 1941 zou ontmoeten, zette hij uiteen dat de joden in de Eerste Wereldoorlog het gas leverden waarmee de Engelsen in het offensief gingen. Het zou Hitler mede tot zijn besluit hebben gebracht de holocaust met gas te voltrekken.
Aan zijn uiterst slechte pers heeft de Mufti zelf ten volle meegewerkt door in de eerste plaats vanaf 1942 uiterst heftige antisemitische praatjes te houden voor de nazi-radio in Berlijn - ‘Dood de joden waar ge hen maar aantreft. Zulks behaagt God, de geschiedenis en de godsdienst’ - en door op het laatste grote antisemitische wereldcongres in 1944 ronduit te verkondigen dat de door de Duitsers uitgevoerde holocaust moet worden overgebracht naar het Nabije Oosten.
Het merkwaardige is dat de Mufti aanvankelijk helemaal niet zo radicaal was. In 1921 werd hij door de Engelsen - die het mandaat voerden in Palestina - aangesteld. Zo werd hij de leider van de hoogste Moslimraad, die de Engelsen op den duur aan haar kant hoopte te krijgen tegen de in steeds groteren getale toestromende joden. Pas onder druk van de radicale Isticqlal- partij radicaliseert de Mufti, die had gehoopt met zijn aristocratische clan de islamitische have not’s eronder te kunnen houden. Hij moet zich nu plotseling heel nationaal- socialistisch gaan voordoen om niet door de radicalen opzij te worden gezet. Maar nog tijdens de in 1936 losgebarsten Arabische opstand tegen de Engelsen laat de Mufti zich officieel betalen door de Engelsen. Hij wordt dan trouwens ook gesteund door de christenen en grieks-orthodoxen in Palestina.
Als de opstand, vooral na de dood van de militaire strateeg Al Quassi, verloopt, vlucht de Mufti naar Beiroet en gaat hij al zijn kansen zetten op de coup in Irak. De mislukking daarvan doet hem eerst nog gokken op Iran. Hij waarschuwt Hitler tegen de Engelse en Russische plannen tot bezetting van dit land, die inderdaad juist plaatsvindt voor Reza Sjah zich met een tweede Arabische opstand achter de Duitsers kan scharen. Hij treedt af ten gunste van zijn zeer pro- Engelse zoon.
Een nieuwe oproep van de Mufti brengt bijna geen Arabier meer op de been, al geven zij wel uit haat tegen de Engelsen hun kinderen Duitse voornamen. De Mufti, die inmiddels een Arabische Nationale Partij en een Arabisch legioen heeft opgericht, zoekt het eerst steun aan de Duitse zijde in Noord-Afrika, dan op de Balkan.
In Tunis weten de Duitsers in het voorjaar van 1943 een nationale pro-Duitse volks beweging op de been te krijgen. Ook de nationalistische Neo- Destour steunt de As. Een Algerijns-Marokkaans-Tunesisch vrijwilligersleger strijdt onder leiding van de Mufti samen met de Franse fascistische Phalange Africaine mee in het laatste offensief dat Rommel ontketent tegen de geallieerden.
Hierna zijn de Arabische strijders namens de Mufti nog actief op de Balkan, waar ze vooral hun kunnen laten zien in de strijd tegen de partizanen in Zuid-Slavie, samen met de goeddeels uit Bosniers bestaande Moslim-divisie van de Duitsers. Maar er zijn ook nog Arabische vrijwilligers aan Duitse zijde strijdbaar geweest tot in de Kaukasus en als bewakingstroepen aan onze kusten.
In 1945 weet de Mufti uit te wijken naar de Libanon, waar hij opnieuw actief wordt in het Arabisch nationalisme en voor de Palestijnen. In de PLO speelt hij geen rol meer, al wordt hij als de aartsvader ervan beschouwd. In 1947, 1967 en 1973 roept hij weer op tot een heilige oorlog tegen de joden en tegen allen die de joden steunden. Hij sterft op 4 juli 1974. Zijn begrafenis wordt een manifestatie van Arabisch nationalisme. De kist wordt mede gedragen door Arafat, de nieuwe baanderheer van de Palestijnen.