Hoe een ex-hoofdaanklager jaren later het Internationaal Strafhof beschadigt

De lange schaduw van Luis Moreno Ocampo

Het journalistennetwerk European Investigative Collaborations deed de afgelopen weken onthullingen over de activiteiten van Luis Moreno Ocampo, voormalig hoofdaanklager bij het Internationaal Strafhof. De berichten zijn schadelijk voor het hof.

Medium hh 4868629
‘Ik heb elke dag conflicten. Een groot conflict is geen probleem voor mij. Het is normaal. Ik ben Argentijn. Ik ben gewend aan chaos’ © Marie Cécile Thijs / HH

Het was 3 oktober 2011. Luis Moreno Ocampo rees op uit zijn stoel en gaf me een hand. Hij droeg een wit overhemd met opgerolde mouwen, een zwarte das en zwarte pantalon. Zijn woeste wenkbrauwen en drie-dagen-baard sprongen in het oog. Na uitwisseling van beleefdheden begon het interview. Tot Ocampo als door een wesp gestoken reageerde op mijn vraag: welke kenmerken moet je als persoon hebben om een goede hoofdaanklager te zijn? Terwijl hij met zijn hand op tafel sloeg, zei hij: ‘Het gaat niet om persoonlijkheid. Het gaat om plicht. De vereiste voor deze baan is het hebben van integriteit.’ De hoofdaanklager bleek een man van uiteenlopende temperamenten. Hij kon afwisselend charmant en intimiderend zijn.

Hij gaf toen ruim acht jaar leiding aan het Office of the Prosecutor (otp, Bureau van de Aanklager). Dit orgaan van het International Criminal Court (icc) is belast met het onderzoek naar internationale misdrijven (genocide, misdrijven tegen de menselijkheid, oorlogsmisdrijven) en vervolging van daders die de grootste verantwoordelijkheid voor de gruwelijkheden dragen (politieke leiders, organisatoren, financiers, militieleiders, commandanten).

De antwoorden die hij in het interview gaf, zingen na sinds het journalistennetwerk European Investigative Collaborations (eic) ‘Courts Secrets’ publiceerde: een reeks onthullingen over de activiteiten van Ocampo tijdens zijn termijn als hoofdaanklager, en daarna. Hij is nu ruim vijf jaar weg bij het Internationaal Strafhof. ‘Maar zijn schaduw blijkt lang’, zegt Sergey Vasiliev, universitair docent internationaal strafrecht aan de Universiteit Leiden. De artikelen zijn gebaseerd op veertigduizend documenten die de Franse opiniesite Mediapart van een bron ontving. De informatie is gedeeld met het eic-netwerk, waar ook NRC Handelsblad deel van is.

In de eerste publicaties onthulde het eic-netwerk dat Ocampo, toen hij hoofdaanklager was, minstens één geheim brievenbusbedrijf zou hebben gehad. Yemena Trading was gevestigd op de Britse Maagdeneilanden. Toen in 2010 de wet in het belastingparadijs werd aangescherpt, zocht Ocampo een plek die meer bescherming bood. Hij overlegde met het omstreden advocatenkantoor van Mossack Fonseca over mogelijkheden in Panama. Yemana Trading werd gestopt. Vervolgens kocht Ocampo waarschijnlijk de lege vennootschap Tain Bay Corporation in Panama. In augustus 2012, twee maanden na zijn vertrek bij het icc, werd vijftigduizend dollar van de Zwitserse bankrekening van Tain Bay overgeboekt naar zijn ABN Amro-rekening in Nederland. Uiteindelijk zou er 140.000 dollar worden overgemaakt. In juli 2013 haalde hij veertigduizend dollar in contanten op in Genève.

In een kort audiofragment dat het eic-netwerk online heeft gezet is te horen hoe Ocampo reageert als journalisten van Der Spiegel hem met zijn brievenbusbedrijven confronteren. Eerst begint hij hard te lachen. Vlak voor het eind zegt hij: ‘Tijdens mijn termijn bij het icc was mijn salaris onvoldoende.’ Het honorarium van een aanklager bedraagt zo’n 150.000 euro belastingvrij. Hij zou het gestalde geld nodig hebben gehad voor het levensonderhoud van hemzelf en zijn gezin. Ocampo had een huis in Den Haag en Buenos Aires. Hij reisde eens per maand naar huis. Het kapitaal zou afkomstig zijn geweest van de verkoop van zijn advocatenkantoor en hij vertrouwde de Argentijnse banken niet om het geld daar te stallen. ‘Er zijn veel vragen’, zegt Vasiliev. ‘Maar we moeten voorzichtig zijn met verstrekkende conclusies over wat hij deed en of het onethisch of onwettig was, voordat de feiten zijn onderzocht. Als de beschuldigingen kloppen, dan zegt het iets over Ocampo’s professionele integriteit en ethiek, terwijl iemand op zo’n functie een moreel hoogstaande persoonlijkheid moet hebben en boven alle twijfel verheven moet zijn.’

Luis Moreno Ocampo werd in 1952 geboren in Buenos Aires. Hij studeerde rechten tijdens de militaire dictatuur (1976-1983) en werd justitiemedewerker. Als jonge dertiger werd hij assistent van de aanklager die de processen tegen de Argentijnse junta voerde. ‘Natuurlijk werd ik daarvoor bekritiseerd. Mijn moeder was woedend op me. Mijn oom wilde niet meer met me praten. De helft van mijn familie was militair. Maar ik zei: als aanklager doe ik gewoon mijn werk’, vertelde hij me in het interview dat ik najaar 2011 met hem had. Later in zijn carrière kreeg hij opnieuw met felle tegenreacties te maken toen hij corruptiezaken deed. Tevens verscheen hij als een soort rijdende rechter in een tv-programma. Ook was hij voorzitter van Transparency International voor Latijns-Amerika en het Caribisch gebied, een organisatie die corruptie en brievenbusbedrijven bestrijdt.

In Argentinië werd hij gerespecteerd door slachtoffers van de junta, maar internationaal was hij geen grote naam. Toch kreeg Ocampo in 2002, enkele maanden na de oprichting van het Internationaal Strafhof, een telefoontje waarin werd meegedeeld dat hij boven aan de lijst met kandidaten stond. Hij stond op het punt om aan Harvard te gaan doceren, maar ging op het unieke aanbod in. Op 21 april 2003 gingen 78 verdragstaten die toen bij het Internationaal Strafhof waren aangesloten (momenteel zijn het er 124) op een ‘bijna achteloze’ manier akkoord met de verkiezing tot eerste icc-hoofdaanklager, aldus Morten Bergsmo, directeur van het Centre for International Law Research and Policy (cilrap), in het zojuist verschenen Historical Origins of International Criminal Law: Volume 5.

De ambitieuze hoofdaanklager zorgde ervoor dat het gloednieuwe hof – en hijzelf – in de schijnwerpers stond en een belangrijke speler op het wereldtoneel werd. Hij presenteerde zich als een man met een missie – om het recht te verspreiden in een grotendeels wetteloze wereld. Overal verscheen hij op de beeldbuis. Bij belangrijke aankondigingen sprak hij tijdens korte persconferenties met grote zelfverzekerdheid journalisten toe. Onder strakke regie pareerde hij gedreven vragen van de media. In het Spanglish – zijn Engels werd gekenmerkt door een zwaar latino-accent.

De hoofdaanklager werd hét gezicht van het Internationaal Strafhof. ‘Hij richtte zich op het imago naar buiten. De media en ngo’s liepen met hem weg. Hij was dol op het circus’, zegt een ex-functionaris die onder Ocampo heeft gewerkt, maar die alleen anoniem wil reageren (zijn naam is bij de redactie bekend). Ook een filmster als Angelina Jolie zou zich aan zijn werk committeren. De hoofdaanklager overschreed de regels door een vertrouwelijk besluit met ‘Angie’ te bespreken, en gevoelige informatie met andere vips te delen.

Ocampo’s belangrijkste opdracht – zeker in het begin – was het opbouwen van het orgaan waar hij leiding aan gaf. Bij zijn aankomst telde het Office of the Prosecutor slechts enkele functionarissen; het zouden er driehonderd worden, afkomstig uit tachtig landen. Er moesten natuurlijk ook rechtszaken komen. Na maanden van onderhandelen was het zo ver: een eerste state referral, waarbij een land het Internationaal Strafhof vraagt om strafrechtelijk onderzoek te komen doen. Op 29 januari 2004 hield Ocampo samen met de Oegandese president Yoweri Museveni een persconferentie in Londen om aan te kondigen dat de hoofdaanklager de gewelddadige Lord’s Resistance Army (lra), die in het noorden van Oeganda (en regio) huishield, zou aanpakken. Het is een publiek geheim dat plaatsvervangend aanklager Serge Brammertz de vertoning volstrekt afkeurde. Hij vond dat het hof onafhankelijk moest zijn en boven de partijen diende te staan. Nu had Ocampo zich publiekelijk aan de zijde van Museveni geschaard, terwijl het goed mogelijk was dat het otp-team zou stuiten op bewijzen van misdrijven door het Oegandese leger.

Ocampo ontbeerde de professionele kwaliteiten voor de topfunctie van hoofdaanklager, stelt de ex-functionaris. Hij wilde vooral veel arrestatiebevelen om te laten zien dat het Strafhof druk bezig was. Ocampo vond een zaak al snel sterk genoeg, en als er onvoldoende bewijs voor een proces was, kwam dat later wel. Hij was nauwelijks geïnteresseerd in gedegen strafrechtelijk onderzoek tot in de kleinste details waarbij de zaak vanaf het begin wordt doorgedacht, zodat het kan komen tot een succesvolle vervolging. Het War Crimes Research Office (wcro) van het Washington College of Law bracht in 2012 een scherpe analyse uit. De wetenschappers bekritiseerden tal van aspecten, zoals Ocampo’s keuze voor korte onderzoeksmissies door kleine teams, die bestonden uit een ratjetoe van militairen, mensenrechtenactivisten, politiemannen, zojuist afgestudeerde juristen en advocaten.

‘Iemand op zo’n functie moet een moreel hoogstaande persoonlijkheid hebben en boven twijfel verheven zijn’

In zijn team, vertelt de ex-functionaris, zaten nauwelijks politiemensen. De wantrouwende Ocampo moest er niets van hebben. Maar bij onderzoeken naar grootschalig geweld in landen waar de autoriteiten gruweldaden niet willen of kunnen vervolgen, zijn juist politiemensen nodig die weten hoe ze een zaak moeten onderzoeken (bewijzen zoeken zoals documenten, satellietbeelden, video’s, foto’s en getuigen). Andere deskundigen bekritiseerden de aanpak om meteen achter de leiders aan te gaan, in plaats van een zaak van onder op te bouwen door eerst daders lager in de hiërarchie te vervolgen en met dat bewijs door te rechercheren tot de top.

De gebrekkige interesse voor strategie stond in contrast met de strikte controle waaraan Ocampo zijn medewerkers onderwierp. Zelfs als de hoofdaanklager bij zijn familie in Buenos Aires was, bleef hij maar met Den Haag bellen. Medewerkers die ter plekke onderzoek deden, moesten gesprekken die ze met getuigen hadden subiet rapporteren en reacties van het hoofdkantoor afwachten voordat ze verder mochten rechercheren. Het leidde tot zulke vertragingen dat potentiële getuigen het soms voor gezien hielden. ‘Er was zoveel ruzie dat onderzoeksmissies naar conflictgebieden soms zelfs werden uitgesteld’, aldus de ex-functionaris. Veelzeggend ook was het moment dat investigators ontdekten dat er Thuraya-satelliettelefoons werden gebruikt door de lra. De otp-functionarissen wilden hen afluisteren om zo te ontdekken waar Joseph Kony en andere lra-leiders zaten. Maar het werd van hogerhand tegengehouden. Een kans om de rebellentop te arresteren was verkeken. De levensgevaarlijke lra-leiders bleven voortvluchtig en zaaiden dood en verderf.

Op het otp heerste een verziekte werksfeer. Collega’s konden door Ocampo ongenadig worden uitgefoeterd. De sfeer was verstikkend en paranoïde. ‘Het was een totalitaire staat. Een dictatuur’, stelt de ex-functionaris. Hij heeft er nog over nagedacht. Wellicht zijn het de ervaringen in Argentinië die Ocampo parten speelden. Het zou een verklaring zijn voor zijn enorme achterdocht naar politieagenten, die in zijn eigen land een zeer slechte reputatie hadden. ‘Het is zeker dat Ocampo tijdens de juntaprocessen is bedreigd. Misschien is hij toen, of al eerder in zijn leven, getraumatiseerd geraakt.’ Toen ik zelf Ocampo vroeg naar zijn slechtste momenten bij het Strafhof, zei hij: ‘Ik ben getraind om conflicten te hebben. Ik heb elke dag conflicten. Een groot conflict is geen probleem voor mij. Het is normaal. Ik ben Argentijn. Ik ben gewend aan chaos.’

Er waren ook andere problemen. Huilend belde een Zuid-Afrikaanse journalist, na haar interview op 28 maart 2005 met de hoofdaanklager, naar een otp-medewerker. Ze vertelde dat Ocampo haar tot seks had gedwongen. Op 20 oktober 2006 diende otp-voorlichter Christian Palme bij de president van het hof een klacht in tegen zijn baas wegens ‘verkrachting, seksueel geweld of seksueel misbruik’. Maar de hoofdaanklager en ook het slachtoffer ontkenden. De klacht werd afgewezen. Palme werd op staande voet door Ocampo ontslagen. De internationale arbeidsorganisatie (ilo), waar de voorlichter in beroep ging, stelde echter dat de hoofdaanklager als direct betrokkene Palme niet had mogen ontslaan. De ex-voorlichter kreeg een schadevergoeding van 25.000 euro en doorbetaling van zijn salaris toegewezen.

De ruzies en onvrede leidden tot een uittocht van topprofessionals, onder wie ook big shots. Serge Brammertz, aangesteld in 2003, had zwaargewichten op het strafrechtelijk onderzoek willen zetten, maar werd al snel door Ocampo afgeserveerd. Brammertz is nu hoofdaanklager bij het Joegoslavië Tribunaal. Topaanklager Andrew Cayley kwam in 2005 en ging in 2007. cilrap-directeur Morten Bergsmo, die adviseur van het otp was, besloot na onenigheid met Ocampo te vertrekken om zijn ‘integriteit te kunnen bewaren’. Hoewel een grote groep functionarissen bleef, ontstond gebrek aan kwaliteit. Maar al te vaak werden functies opgevuld door jonge vrouwen en mannen die te weinig ervaring hadden, maar wel opkeken tegen de hoofdaanklager. ‘Er waren jonge mensen bij die hem adoreerden. Sommige meiden, die nooit aanklager waren geweest, mochten opeens zaken doen’, aldus de ex-functionaris. Zo was er de promotie van Florence Olara, een jonge Oegandese vrouw die een vrij lage positie had als vertaler van getuigenverhoren van het Acholi naar het Engels. De ex-functionaris: ‘Op een goede dag was ze opeens een van de woordvoerders van Ocampo. Ik kon het niet geloven. Hoe kon dit gebeuren?’

Ook de Duitse aanklager die de zaak leidde tegen de Congolese krijgsheer Thomas Lubanga Dyilo kreeg ruzie met Ocampo en werd op een zijspoor gezet. Een team met minder professionele kwaliteit ging het onderzoek doen. Het liep niet goed met de Lubanga-zaak. Tweemaal legden de rechters de zaak stil en stelden dat de Congolese krijgsheer moest worden vrijgelaten omdat een eerlijk proces onmogelijk was. De eerste maal in 2008, nadat de hoofdaanklager weigerde om mogelijk ontlastend materiaal te overleggen. De tweede maal in 2010, toen de aanklager weigerde de identiteit prijs te geven van een Congolese tussenpersoon, die mogelijk getuigen zou hebben opgedragen valse verklaringen tegen de verdachte af te leggen. Beide kwesties liepen met een sisser af en het proces kon doorgaan.

Maar er werden ook zaken compleet verloren. In 2010 oordeelden de rechters dat er onvoldoende bewijs was tegen Bahar Idriss Abu Garda, een rebellenleider uit de Soedanese regio Darfur die beschuldigd was van een aanval op Afrikaanse vredestroepen. Een jaar later flopte de vervolging van Callixte Mbarushimana, de uitvoerend secretaris van de Forces Démocratiques de Libération du Rwanda (fdlr), een Hutu-militiegroep die beschuldigd wordt van gruweldaden in de Congolese regio Kivu. Toen de rechters het bewijsmateriaal bestudeerden, schrokken ze van de bevooroordeelde manier waarop sommige investigators getuigen hadden gehoord. De waarde van het bewijs zou hierdoor ‘beduidend verzwakt’ kunnen zijn. Net voor Kerstmis 2011 kwam Mbarushimana vrij. Een jaar later werd de Congolese militieleider Mathieu Ngudjolo Chui na een jarenlang proces vrijgesproken.

Medium hh 48238127
Luis Moreno Ocampo ‘richtte zich op het imago naar buiten. De media en ngo’s liepen met hem weg. Hij was dol op het circus’ © Xavier Cervera / HH

Hoofdaanklager Ocampo was op zich niet bijster geïnteresseerd in dit kaliber verdachten. Hij wilde topfiguren zoals presidenten vervolgen. Nadat de VN-Veiligheidsraad in 2005 het extreme geweld in Soedan/Darfur voor onderzoek naar het Internationaal Strafhof verwees, kreeg Ocampo zijn zin. Hij negeerde bezwaren van zijn staf, ging voor de hoofdprijs en klaagde de Soedanese president Al Bashir aan voor genocide. Het staatshoofd is echter nog altijd aan de macht en wordt met alle égards door landen ontvangen. Zuid-Afrika weigerde in 2015 Al Bashir te arresteren, hetgeen ontaardde in een hoog oplopend conflict met het Strafhof, waarbij Pretoria zich wilde terugtrekken uit het icc. De Darfur-zaak, met in totaal zeven verdachten, leverde geen enkel proces op.

In 2011 verwees de VN-Veiligheidsraad de oorlog in Libië, waar de Arabische lente werd neergeslagen, naar het Internationaal Strafhof. Binnen enkele maanden klaagde Ocampo drie topfiguren aan: de Libische leider Kadhafi (in oktober 2011 vermoord), zijn zoon en de-facto-premier Saif al-Islam Kadhafi (nooit uitgeleverd aan het Strafhof), en het hoofd van de militaire inlichtingendienst (Strafhof-rechters bepaalden dat Libië zelf Abdullah al-Senussi mocht berechten). Ook de Libische zaak heeft geen enkel Strafhof-proces opgeleverd.

Verder maakte Ocampo gebruik van de mogelijkheid om zelf – proprio motu – een strafrechtelijk onderzoek te starten naar de gewelddadigheden die na de Keniaanse verkiezingen van 2007 losbarstten. Daarbij kwamen zeker elfhonderd Kenianen om en werden 600.000 mensen verdreven. De hoofdaanklager kondigde in 2010 aan dat hij zes personen zou vervolgen wegens het organiseren van politiek-etnisch geweld: drie politici, de kabinetssecretaris, het hoofd van de politie en een journalist. Bij nieuwe verkiezingen in 2013 wisten twee hoofdverdachten, Uhuru Kenyatta en William Ruto, mede dankzij het door henzelf opgepookte ressentiment tegen het Strafhof, gekozen te worden tot president en vice-president. De rechtszaken zouden mislukken doordat bedreigde getuigen zich terugtrokken, (potentiële) getuigen waren vermoord, door liegende getuigen, obstructie door Kenia bij het verstrekken van mogelijk bewijs en de aanpak door het otp.

‘Ik ben gevraagd door private law firms in New York. Daar kun je zo ontzettend veel geld verdienen’

In januari gaf Strafhof-functionaris Phakiso Mochochoko tijdens een debat van Human Rights Watch toe dat het otp aanvankelijk niet had gedacht dat getuigen zo ernstig geïntimideerd zouden worden. De getuigenbescherming kwam te laat op gang. Vorige week onthulde het eic-netwerk bovendien dat Ocampo er na zijn vertrek op eigen houtje alles aan heeft gedaan om Kenyatta vrijuit te laten gaan, waarbij de schuld voor het mislukte proces bij Kenia zou moeten komen te liggen. Op die manier wilde de ex-hoofdaanklager het hof en zichzelf gezichtsverlies besparen voor een zwakke zaak die onder zijn bewind was gestart.

Wie een collage maakt van foto’s van de verdachten valt het meteen op: allen zijn Afrikaan. Die exclusieve aandacht voor Afrika zou, vooral toen Afrikaanse presidenten werden vervolgd, tot steeds meer verzet op het continent leiden. Maar Ocampo was trots op het effect dat zijn organisatie sorteerde. ‘In de club van wereldleiders is geen plaats meer voor genocideplegers. (…) Als het Strafhof je vervolgt voor misdrijven tegen de menselijkheid of genocide heb je geen legitimiteit. Je kunt geen macht krijgen of behouden door wreedheden te begaan. Of je nu een rebellenleider of een president bent. Dan lig je eruit.’ Het bleek wishful thinking. Ook verwees hij naar een leermeester: ‘Weet je wat Machiavelli zei? Hij zei: “Het bouwen van nieuwe publieke instituties zal twee vijanden creëren. Degenen die macht verliezen, zullen zich dat realiseren en zich verzetten. Degenen die winnen, realiseren zich hun overwinning niet, en zullen je ook aanvallen.” Denk daar maar eens aan. Mensen moeten leren hoe belangrijk het is wat we hier bij het icc doen.’

Gedurende zijn termijn zou Ocampo zeven ‘situaties’ op de kaart zetten: Oeganda, Congo, Centraal-Afrikaanse Republiek, Kenia, Soedan/Darfur, Libië en Ivoorkust (daarna volgden Mali en Georgië). Net voor zijn vertrek, negen jaar na zijn aanstelling, was er een eerste veroordeling. De Congolese krijgsheer Lubanga werd in 2012 schuldig bevonden aan het rekruteren en inzetten van kindsoldaten. De rechters waren echter buitengewoon ontstemd over de manier waarop het strafrechtelijk onderzoek was geleid. Drie Congolese tussenpersonen, die vanwege de gevaarlijke omstandigheden namens het otp het contact met getuigen onderhielden, hadden wellicht kindsoldaten aangezet tot valse verklaringen tegen Lubanga en mogelijk strafbare feiten begaan. En zo was het vonnis tegelijk een smet op het blazoen van de hoofdaanklager.

Aan zijn droombaan komt op 15 juni 2012 een einde. Nadat Fatou Bensouda, die jarenlang zijn rechterhand was geweest, als nieuwe hoofdaanklager is beëdigd, is er een receptie bij het Strafhof. Tegen het einde stap ik met een collega op Ocampo af. ‘Wat gaat u nu doen? Naar de Fifa?’ vragen we. Er circuleren geruchten dat Ocampo een ethische commissie van de voetbalfederatie gaat leiden. ‘Dat is nog niet besloten’, antwoordt Ocampo. Hij zegt geen boek te zullen schrijven. Wellicht doceren aan de universiteit om kennis over te dragen? ‘O nee, dat betaalt zo slecht.’ ‘Ik ben gevraagd door private law firms in New York.’ Hij overweegt op dat aanbod in te gaan. ‘Daar kun je met een paar weken werk zo ontzettend veel geld verdienen’, zegt hij.

Na zijn vertrek bij het icc verdwijnt Ocampo van het grote wereldtoneel. Hij gaat als advocaat werken bij het New Yorkse kantoor Getnick & Getnick, consultancy’s doen en op Harvard college geven. Op de website van zijn eigen bureau Moreno Ocampo staan werkzaamheden op het gebied van gerechtigheid, maar ook Philip Morris huurt hem in om projectvoorstellen tegen sigarettensmokkel te evalueren.

Hoofdaanklager Bensouda heeft de afgelopen jaren maatregelen genomen om het Office of the Prosecutor beter te doen functioneren: zorgen dat er tijdig voldoende bewijs is, verdachten lager in rang vervolgen om zaken tegen de top op te bouwen, nieuwe professionals aantrekken, nieuwe soorten bewijs zoeken. Ook al is het resultaat van het vijftienjarige Strafhof nog altijd niet om naar huis te schrijven: in totaal vier veroordelingen voor internationale misdrijven en negen geflopte zaken (plus vijf veroordelingen voor het omkopen van getuigen).

Dan komen de onthullingen van het eic-netwerk over Ocampo’s grensoverschrijdend gedrag. Een van de scoops betreft zijn betrokkenheid bij Justice First, een vredesinitiatief van de Libische miljardair Hassan Tatanaki. De zakenman huurt de ex-hoofdaanklager in 2015 in om bewijzen te verzamelen van oorlogsmisdrijven die naar het Internationaal Strafhof of de Libische justitie moeten worden gestuurd. Ocampo zal drie jaar aan de zaak werken, voor één miljoen dollar per jaar plus een dagtarief van vijfduizend dollar, stelt het eic-netwerk. Zakenman Tatanaki is echter omstreden. Hij was close met de Kadhafi’s. Ook heeft hij nauwe banden met de machtige Libische krijgsheer Khalifah Haftar. In mei 2015 rapporteert Bensouda aan de VN-Veiligheidsraad dat Haftars troepen tijdens een offensief rond de stad Benghazi burgers hebben gedood en dat zij gevangenen martelen. Maar dan gebeurt er iets opmerkelijks: Jennifer Schense, bij het otp adviseur internationale samenwerking, waarschuwt Ocampo’s medewerker dat haar collega’s ‘zorgwekkende dingen’ over Tatanaki tegenkomen. Ze lekt daarmee dat de zakenman op de radar van het otp staat. Tevens mailt ze Ocampo een nieuwsbericht over een verontrustende uitzending van Tatanaki’s tv-station. Daarop waarschuwt Ocampo zijn Libische cliënt, start acties om hem te beschermen en frustreert eventuele vervolging door het Internationaal Strafhof, aldus het eic-netwerk.

De volgende onthulling betreft Ocampo’s werk voor de lobby voor jezidi’s, een groep die zwaar wordt vervolgd door Islamitische Staat. Kerry Propper, een Amerikaanse bankier en filantroop, roept de hulp in van de ex-hoofdaanklager als hij hun lot onder de aandacht van het icc wil brengen. Ocampo oefent druk uit dat de lobbygroep een ontmoeting heeft met Bensouda. Ook vraagt hij Florence Olara, nog altijd woordvoerder bij het Strafhof, een persconferentie voor de jezidi-groep te organiseren. Medewerkers mogen echter geen opdrachten van derden aannemen. Olara realiseert zich dat, wil niet dat haar naam wordt genoemd en zal voor verdere correspondentie een vals e-mailadres gebruiken. Ze zou vijfduizend euro voor de klus hebben gekregen, stelt het eic-netwerk. In een reactie ontkennen Schense en Olara de aantijgingen.

In een reactie op de onthullingen verklaart Ocampo dat hijzelf en enkele collega’s het slachtoffer zijn van een ‘cyber-aanval’. Hij bereidt een ‘strafrechtelijk onderzoek’ voor. Ook stelt Ocampo dat het ‘opmerkelijk’ is dat deze ‘grote hack’ plaatsvindt terwijl hij op het punt stond onderzoek te doen naar regeringen en hun steun voor terreur. Het icc verklaart dat er ‘geen indicatie’ is dat het systeem van het icc is gehackt en dat het niet weet hoe de veertigduizend documenten in handen van journalisten zijn gekomen. Tevens stelt Bensouda dat het otp sinds haar aantreden nooit contact heeft opgenomen met Ocampo. Ook heeft ze hem op het hart gedrukt geen activiteiten te ondernemen die lijken te interfereren met het werk van het otp en de reputatie van haar bureau kunnen schaden.

Ocampo heeft het instituut ‘in diskrediet’ gebracht, stelt het eic-netwerk. ‘Het komt er nu op aan hoe het Internationaal Strafhof omgaat met deze beschuldigingen’, zegt universitair docent Sergey Vasiliev. De aantijgingen kunnen haast niet erger: lekken, belangenverstrengeling, geld aannemen, oftewel: corruptie. Vasiliev vindt dat Bensouda juist handelt door de kwestie te rapporteren aan het Independent Oversight Mechanism (iom) dat de twee betrokken medewerkers zal onderzoeken. Een deskundige stelt dat als blijkt dat Ocampo icc-functionarissen heeft uitgelokt tot overtreding van regels hijzelf ook strafbaar kan zijn.

Hoe de buitenwereld het schandaal beoordeelt, hangt volgens Vasiliev af van de opvattingen die mensen al huldigden. ‘Degenen die altijd al vonden dat het Office of the Prosecutor, of het Internationaal Strafhof, onbetrouwbaar of corrupt was, zullen het schandaal beschouwen als de laatste nagel aan de doodskist. Anderen zullen de fouten niet allemaal aan het hof maar aan een handjevol “rotte appels” toeschrijven. Maar het lijdt geen twijfel dat het hof door de affaire is beschadigd.’


Tjitske Lingsma schreef All Rise over het Internationaal Strafhof. Het boek verscheen in 2014 in het Nederlands, en vorige maand in een Engelse vertaling