Het CDA begint te morren

De lange weg naar Balkenende-II

Terwijl VVD en CDA de oorzaak van de val van het kabinet leggen bij de chaos binnen de LPF, en de LPF exclusief VVD-leider Zalm kapittelt, blijft de premier de laatste dagen buiten schot. Maar niet voor lang, want zelfs binnen zijn eigen CDA klinkt gemor: «Ik weiger campagne te voeren voor dit regeerakkoord.»

«Ik heb alles gedaan wat mogelijk was, vóór en achter de schermen, om de problemen op te lossen. Ik heb dat gedaan vanwege het belang van een goed bestuur en om in een uiterste poging recht te doen aan de verkiezingsuitslag. Dat is mij helaas niet mogelijk gemaakt.»

Aldus Jan Peter Balkenende, vorige week woensdag in debat met de Tweede Kamer over de val van het kabinet dat zijn naam droeg. Hij had de over straat rollende LPF-ministers van Volksgezondheid en Economische Zaken gevraagd op te stappen en de LPF-kamerfractie dringend aangeraden enige stabiliteit te creëren. Beide pogingen waren vergeefs. Toen was het gedaan. CDA-fractievoorzitter Verhagen en zijn VVD-collega Zalm hadden er geen vertrouwen meer in en verwezen het rammelende kabinet-Balkenende naar de mestvaalt.

Tot het laatst leek het er evenwel op of de premier zelf nog in het project geloofde. Waar de VVD bijkans de champagnefles ontkurkte na deze adequate liquidatie van het kabinet, maakte een licht beteuterde Balkenende zijn opwachting in het ministersvak in de Tweede Kamer.

De gesneuvelde premier liet er in het kamerdebat geen twijfel over bestaan: hem viel niets te verwijten. De ruziënde ministers Bomhoff en Heinsbroek hadden alle inspanningen om de eenheid in het kabinet te herstellen domweg genegeerd, en de premier — die in een naoorlogse recordtijd zijn kabinet zag stuklopen — was hier het slachtoffer van. Minister Heinsbroek voegde daar in zijn ontslagbrief voor «Jan Peter» aan toe: «Aan jou persoonlijk heeft het zeker niet gelegen.»

Balkenende zelf benadrukte dat voor hem vanaf september vorig jaar, toen het CDA in een leiderschapscrisis verzeild raakte, slechts «het nemen van verantwoordelijkheid» centraal stond. Hij werd fractievoorzitter, lijsttrekker en na 15 mei zag hij het als zijn opdracht conform de wens van de kiezer een kabinet te formeren van CDA, LPF en VVD. Dat hij van zo’n kabinet zelf de premier werd, was in zijn ogen onvermijdelijk. Als je lijsttrekker bent van een van de grotere politieke partijen, dan moet je bedacht zijn op het allerhoogste politieke ambt.

Maar ligt het wel zo simpel? Had Jan Peter Balkenende na 15 mei inderdaad geen andere keuze dan het premierschap? En, heeft het inderdaad allemaal niet aan hem gelegen? Speelde zijn onervarenheid een rol? Een premier die zichzelf in de slachtofferrol manoeuvreert, erkent immers impliciet dat hij de touwtjes niet al te vast in handen had. Allemaal vragen waarover bij de reeds met de verkiezingscampagnes begonnen oppositie in de Tweede Kamer geen twijfel bestond. Balkenende had domweg de teugels eerder moeten aantrekken, oordeelden bijna alle oppositiefracties. Het is weliswaar achteraf praten, zei kamerlid Van Dijke (ChristenUnie), maar «je kunt je afvragen of de minister-president niet hard had moeten optreden bij de eerste signalen dat de voortdurende instabiliteit binnen de partij en de fractie van de LPF, het LPF-smaldeel in het kabinet bereikte». Misschien, zei Van Dijke, heeft de minister-president «te lang, haast tegen beter weten in, geprobeerd om zijn kabinet overeind te houden».

Het kabinet-Balkenende was immers gedoemd te mislukken. De lijstjes met wonderlijke wapenfeiten van twaalf weken wanorde, die de afgelopen week in de kranten werden afgedrukt, zijn ronduit ontluisterend. Een chronique scandaleuse die op de feestelijke dag van de installatie van het kabinet begon bij het aftreden van staatssecretaris Philomena Bijlhout en via het ontslag van een topambtenaar door minister Bomhoff leidde naar pleidooien voor lastenverlichting (Heinsbroek), het uitzetten van criminele Marokkaanse jongeren met een Nederlands paspoort (Nawijn), het gedogen van kleine snelheidsovertredingen (De Boer) en de ruzie over de rekenmodellen van het Centraal Plan Bureau (Bomhoff en Heinsbroek).

De kwestie-Bijlhout werd adequaat afgehandeld. Niet zozeer door premier Balkenende en zijn vice-premiers, maar in samenspraak met Balkenendes grootste vertrouweling Piet Hein Donner, de gelouterde minister van Justitie die ook al als informateur een zwaar stempel op het kabinet drukte. Geen moment week Donner op die eerste avond van het kabinet-Balkenende van de zijde van de jeune premier. Slechts twee dagen later ontstonden de eerste werkelijke haarscheurtjes. Zonder al te veel besef van politieke fijngevoeligheden zette vice-premier Bomhoff topambtenaar Van Lieshout aan de dijk. VVD-vice-premier Remkes, verantwoordelijk voor de Rijksdienst, vond het niet nodig Bomhoff in de beslotenheid van het kabinetsberaad af te vallen, maar deed dit en plein public. In de Kamer was het Balkenende die de zaak kon komen uitleggen. Deelde hij de scherpe kwalificaties van de ene vice-premier over de andere?

De inkt van het Strategisch Akkoord was nog niet droog, of de eerste ministers, allen van LPF-huize, begonnen te morrelen aan de uitgangspunten. De lastenverlichting die Herman Heinsbroek voorstond werd door VVD-minister Hoogervorst van Financiën snel afgeserveerd, waarbij hij over zijn ontstemdheid trouwens geen twijfel liet bestaan. Want al in dit vroege stadium waren irritaties over en weer niet voorbehouden aan de beslotenheid van de ministerraad. Ook later, toen rond Prinsjesdag minister Bomhoff bekendmaakte het uitgavenplafond in de zorg te willen schrappen, was het Hoogervorst die, om vanuit zijn positie begrijpelijke redenen, de financiële haalbaarheid van Bomhoffs voorstellen openlijk in twijfel trok. Onenigheden werden niet uitgevochten in de Trêveszaal, maar bij voorkeur op radio en televisie. Hiermee ondermijnden ook de VVD-ministers het gezag van de premier.

Bij de volgende «proefballonnetjes» leek Balkenende zich voor te nemen zélf krachtig te reageren. Hij wees minister Nawijn er publiekelijk op dat het uitzetten van Marokkaanse jongeren met een Nederlands paspoort in strijd is met de Grondwet en het Vluchtelingenverdrag. Van het gedogen van verkeersovertredingen kon natuurlijk geen sprake zijn, meldde hij minister De Boer duidelijk en daadkrachtig.

Maar wat Balkenende ook probeerde, geluisterd werd er niet naar hem. Ministers gingen althans door met het ventileren van hun wilde plannen en uitspraken die strijdig waren met het regeringsbeleid of met fatsoensnormen. Omdat mensen als Nawijn en Heinsbroek zich klaarblijkelijk niet lieten beteugelen, probeerde de premier van de nood een deugd te maken. Tijdens de Algemene Beschouwingen liet hij olijk weten wel schik te hebben in die proefballonnen. «Velen willen het politieke debat verlevendigen. Laten wij dat dan ook niet de kop indrukken en daar ook niet krampachtig op reageren», zei hij in antwoord op kritische vragen van de Kamer, ook van zijn eigen CDA-fractie.

In dat debat zag Balkenende het sowieso nog behoorlijk zitten. Terwijl het er alle schijn van had dat het kabinet nog lang niet aan regeren was toegekomen, concentreerde hij zich op de bekende riedel van «duidelijkheid en daadkracht» en «rust en stabiliteit» die het kabinet probeerde te herstellen. «Dit kabinet telt veel leden die niet gepokt en gemazeld zijn in de traditionele Haagse mores. Dat kan verfrissend zijn voor het debat en de inzichten voor het beleid», zei de zelf evenmin ervaren Balkenende.

Tot twee weken voor de val van het kabinet herhaalde hij dit, terwijl veel bewindslieden informeel het tegendeel beweerden. «Ik heb het idee dat u in een andere wereld leeft dan heel veel anderen», sneerde Paul Rosenmöller vorige week. Op vragen over de eenheid van het kabinet kreeg de GroenLinks-leider eerder een studentikoos ansichtkaartje retour met daarop de handtekeningen van alle ministers en vriendelijke groeten van de premier.

Verfrissend voor het debat of niet, voor veel kritische partijgenoten van de premier was het de druppel die de emmer deed overlopen. Van de LPF of van de VVD had men zoiets verwacht, maar niet van een CDA-premier, leert een rondgang. Het was «een belediging van politiek en parlement», vindt de in Rotterdam actieve cda’er Peter Diepenhorst. Daar komt bij: de premier had zijn eigengereide ministers veel eerder tot de orde moeten roepen en zijn gezag moeten doen gelden. «Het was al zo lang duidelijk dat het een zooitje was in het kabinet. Balkenende had zelf eerder de stekker eruit moeten trekken. Maar het lijkt of hij het niet heeft zien aankomen.» Diepenhorst vindt dat onbegrijpelijk. «Zo’n Bomhoff», zegt hij, «dat was toch bepaald geen onbeschreven blad?»

De twijfels van vlak na de verkiezingen zijn bij het CDA in alle hevigheid teruggekeerd. Natuurlijk, het lijsttrekkerschap van Balkenende staat buiten kijf. Hij ís de politiek leider en zou de partij in de huidige omstandigheden, zelfs zonder iets te zeggen, zo weer de grootste kunnen maken. Maar moet hij daarna wel weer premier worden? Geschrokken is gereageerd op het stellige voornemen van fractievoorzitter Maxime Verhagen om Balkenende-II met de VVD aan de hand van het huidige regeerakkoord voort te zetten.

«Het CDA wordt in een hoek geduwd waar het eigenlijk niet hoort. Liever een kleiner CDA dat het echte CDA-geluid verkondigt, dan een CDA dat aan de knoppen zit, maar de inhoud overlaat aan de VVD», zegt Diepenhorst. Hij is fractievoorzitter van de partij in de deelgemeente Charlois, Rotterdam, maar zegt: «Ik weiger pertinent campagne te gaan voeren als dit regeerakkoord de inzet wordt. De toon is mij te veel Pim Fortuyn.»

Oud-fractieleider Willem Aantjes deelt de aarzelingen van zijn partijgenoten. Hij vreest zelfs dat hij Balkenende «beschadigd» moet noemen. Aantjes: «Het is niet onherstelbaar, maar hij heeft wel degelijk schade opgelopen. Als je minister-president bent, dan treedt onvermijdelijk vereenzelviging op met je coalitie», zegt hij. En die coalitie was weliswaar onvermijdelijk, maar — Aantjes heeft er eerder voor gewaarschuwd — ook heel gevaarlijk.

Tijdens de formatie van het kabinet noemde hij in De Groene Amsterdammer de gevaren die Balkenende boven het hoofd hingen. «Jan Peter zou gewoon in de Kamer moeten blijven», concludeerde Aantjes. Als fractievoorzitter in de Tweede Kamer kon de CDA-leider beter werken aan het (sociale) profiel van de christen-democratie en de partij na het onverwachte succes van 15 mei weer klaarstomen voor de macht. De partij had genoeg kandidaten om de zware taak van het premierschap voor een tijdje op zich te nemen, redeneerde Aantjes. Hij noemde informateur Donner en oud-minister Hirsch Ballin. «Niet omdat ik de oude hap aan bod wilde laten komen, maar omdat bij een zo riskant kabinet het verstandiger was geweest iemand ervoor te zetten die niets te verliezen heeft en er zich dus geen buil aan valt als het kabinet ten val komt.»

Veel partijgenoten bleken het naderhand met Aantjes eens. Toch werd Balkenende premier. Om verantwoordelijkheid te nemen. Nu het kabinet op zo’n beschamende wijze is gevallen, ziet Aantjes zijn aarzelingen van vlak na de verkiezingen bevestigd: «Balkenende mag zich slachtoffer voelen, maar het was wel het kabinet-Balkenende. Hij roept dat hij de verantwoordelijkheid heeft genomen, maar daarmee nam hij een risico dat te voorzien was. De vrees voor dit scenario is vanaf het begin aanwezig geweest. Achteraf is het misschien makkelijk verwijten maken, maar het is voor mij duidelijk dat zijn onervarenheid een rol heeft gespeeld. Nog maar een half jaar fractievoorzitter en nooit minister — dat is vragen om problemen.»

Aantjes, die zelf overigens nooit minister werd: «Het is heel anders om minister-president van een coalitiekabinet te zijn dan voorzitter van een kamerfractie. In een fractie heb je weliswaar te maken met haantjesgedrag en soms ook met grote tegenstellingen, maar als het goed is zit er potentieel een stevige basis van homogeniteit in. Als fractievoorzitter kun je daarmee zo’n fractie bijeenhouden. Zodra een kabinet is gevormd, gaan tegengestelde partijpolitieke belangen een rol spelen. Jan Peter heeft dat onderschat. Als je ziet hoeveel moeite een doorgewinterd politicus en ervaren minister en vice-premier als Barend Biesheuvel er in 1971 mee heeft gehad zijn vijfpartijenkabinet bij elkaar te houden. Ook hem is dat niet gelukt. Dat zijn toch voorbeelden uit de geschiedenis waar de partijtop aandachtig naar had moeten kijken.»

Aantjes vindt dat er nu een herkansing is. «Het zou goed zijn als de partijleiding op korte termijn een indringend en openhartig gesprek zou voeren met Jan Peter Balkenende over wat hij na de verkiezingen het liefst wil gaan doen. Wil hij premier worden als het CDA weer de grootste wordt of wil hij niet liever het fractievoorzitterschap op zich nemen? En als we niet de grootste worden? Wil hij dan onder een andere partij toch minister worden? Jan Peter heeft grote verdiensten voor de partij, maar de partij heeft natuurlijk ook geweldig in hém geïnvesteerd. Dat legt toch ook zekere verplichtingen op. Als de situatie ertoe leidt dat hij weer minister-president kan worden, en ik gun hem die herkansing van harte, dan is het de vraag of hij wel politiek leider kan blijven. Dat zou beter de fractievoorzitter in de Tweede Kamer kunnen zijn.»

Die fractievoorzitter in de Kamer is op dit moment Maxime Verhagen. Maar van een politiek leiderschap kan bij hem vooralsnog geen sprake zijn. Verbolgen was de achterban over Verhagens stelling dat zowel het Strategisch Akkoord als de samenwerking met de VVD inzet van de verkiezingen is. Zoiets is ook nog nooit eerder voorgekomen, merkte emeritus hoogleraar staatsrecht Couwenberg vorige week gniffelend op. Verhagen zelf voegde eraan toe dat hij graag met het akkoord de verkiezingen in wilde omdat er zoveel van het authentieke CDA-geluid in terugklonk. Een nieuw inzicht, want de linkervleugel van de partij — bepaald niet die van Verhagen — had juist al vaak laten weten de tekst van Donner c.s. weliswaar ideologisch (waarden en normen!) een mooi CDA-verhaal te vinden, maar beleidstechnisch toch vooral de hand van de VVD terug te zien. Aantjes: «Er bestaat geen enkele twijfel over: de partij heeft grote moeite met dit regeerakkoord. Dat hoor je breed. Dat het zo’n duidelijk CDA-program is, zoals Verhagen zei, had ik nog niet eerder gehoord.»

Rotterdammer Diepenhorst: «Het CDA wordt in een hoek gedouwd waar het eigenlijk niet in hoort. Het sociale gezicht is weg.»

CNV-voorzitter Doekle Terpstra: «Het is die Zeeuws-Meisjementaliteit: ons ben zuunig. De teugels op het financiële kader zijn wel heel kort, ze worden erg strak gehouden. En de vraag is of dat verstandig is, juist in een periode waarin je misschien wat investeringen nodig hebt om sociaal-economisch op een ordentelijke manier boven water te blijven.»

Terpstra vindt het «onthutsend» als het regeerakkoord inderdaad inzet wordt van de verkiezingscampagne. «Ik breng mijn stem uit op een politieke partij, niet op een coalitie. Dat zou ook ridicuul zijn. Heel veel mensen hebben in mei gestemd op het CDA en niet op een coalitie met de VVD. Mensen stemmen op een politieke partij, met eigen doelen, en een partij moet kijken hoe zij die doelen het best kan realiseren in coalitieonderhandelingen.»

Bovendien, zegt Terpstra, als het CDA bij de verkiezingen op 22 januari nóg beter uit de bus komt dan op 15 mei, en de peilingen wijzen daar wel op, dan zou de partij dat moeten verzilveren. «Dan ga je toch zoeken naar mogelijkheden om je eigen profiel in de nieuwe coalitie te versterken? Niet alleen op de posten, ook op inhoud. Ook een regeerakkoord moet een resultante zijn van verkiezingen. Het regeerakkoord van afgelopen zomer weerspiegelt de verkiezingen van 15 mei. Staat het er nu dan niet heel anders voor?»