Het Migrantenmuseum

De leegte

De kraai deed zijn behoefte op mijn hoofd. Ik keek omhoog en zag dat hij ook naar mij keek. Ach, een kraai, dacht ik en liep door. Pas toen ik bij het museum was aangekomen besefte ik dat een kraai nooit zonder reden op iemands hoofd mikt.
De stilte bij het gebouw deed mijn bloed stollen. Hoe kon het zijn dat in de buurt zelfs geen auto’s meer reden? Er was een sterke wind maar de bomen bogen niet, de wolken waren rood als de grond waar pistachebomen groeien, in het land waar de zwerfhonden uitgestorven zijn, zag ik een zwerfhond, het asfalt van de weg die ik overstak vertoonde scheuren als de huid van de honderdvijftigjarige kraai boven mijn hoofd, een wolf huilde naar de duinen, ik betrad de tuin van het Migrantenmuseum en zakte meteen door mijn knieën.
In deze kille ochtend voer een schip stilletjes weg van de haven om nergens meer aan te meren. Ik keek naar de plek waar de huilende os stond, om te zien dat die met traan en al weg was. Mijn hart verlangde naar het geel van de zon die door de takken en de bladeren van de boom in de tuin heen had geschenen. Op de plek waar de boom stond was enkel een gat nu. Ik, die zijn verdriet menigmaal op de takken van de boom had weggedronken, zat nu niet alleen zonder de boom, maar ook zonder de kracht om wat dan ook te beklimmen. Ik kon niet meer opstaan door wat ik niet meer zag.
‘Waar is dan het wandtapijt, de wc-rolhouder, het shoarma-mes, het prachtige pak, het (on)gewassen laken van Nuriye, de lappen van Kezban, de halsband? O ja, het boekje van oma…?’
Met mijn knieën in de oude sneeuw, met een van mijn handen voor mijn mond en de andere hand in mijn binnenzak waar de sigaretten en de aansteker waren, maakte ik me op om dit drama te vergezellen met het roken van een sigaret en misschien een paar dunne tranen. Toen hoorde ik hem praten. Hij was neergestreken op een omafiets die niet dezelfde was als die van het Migrantenmuseum. 'Hé, jij’, hoorde ik hem roepen 'Wat zit je nou dramatisch te doen. Sjonge, wat ben jij een aansteller zeg. En de grootste leugenaar die ik in honderdvijftig jaar heb gezien. Zo eentje die in zijn eigen leugens gelooft.’
Deze bittere woorden van de kraai maakten dat ik niet meer naar het gras van het Majellapark in Utrecht keek. Met de kraaienpoep op mijn hoofd en een sigaret tussen mijn lippen doorkruiste ik het park, richting het gebouw waar ik dertig jaar geleden de eerste woorden van dit vlakke land had geleerd. De kraai vloog alweer boven mijn hoofd. Zijn poep kwam deze keer op mijn linkerschouder terecht. De kraai kon bijna net zo vreselijk zeuren als mijn ex-vrouw: 'Jij kan zoveel mensen voor de gek houden, maar mij niet hoor. Waar is dat museum dan? Hoe kan alles zo snel verdwenen zijn? Ik zou op dit moment wel op de grafsteen willen landen die zogenaamd in het museum stond. Waar is die grafsteen dan?’
De beste museumbezoekers weten dat ik aan hernia lijd. De vreselijke waarheid van een leeg park zonder het gebouw van het Migrantenmuseum, het feit dat ik geen minuut nergens een directeur ben geweest, de kou en de zeurende kraai maakten dat mijn rug verkrampte en ik met moeite verder kon lopen.
Ik ging op een bank zitten om uit te rusten. De kraai nam aan mijn rechterzijde plaats. Heel even was het stil. Hij zeurde niet meer. Toen de pijn enigszins weg was en ik weer kon lopen, zei hij: 'Je hebt genoeg gelogen. Kom met me mee naar de bergen. Daar zal ik je verhalen vertellen die echt zijn gebeurd. Verhalen die ik met mijn eigen ogen heb gezien in het laatste honderdvijftig jaar.’
'Laat me eerst een kort bezoek brengen aan mijn eerste school hier’, antwoordde ik en liep naar de school die geen school meer was. Daar stopte ik tweeduizend en 53 woorden in mijn zakken. Tegen de kraai die naast me vloog zei ik: 'Nu kunnen we gaan naar die berg van jou. Ik heb de woorden.’