De leegte van koolhaas

Hij bouwt in Lille, Los Angeles en Korea. Mega-projecten met mega-budgetten. Toch wil Rem Koolhaas zichzelf niet zien als de emotieloze verpersoonlijking van het door hemzelf gelanceerde begrip ‘bigness’: ‘De architectuur mist het inzicht dat het soms beter kan zijn de dingen leeg te laten.’
VOOR BOOKSHOP Copyright in Gent staat een lange rij mensen met een dik, zilverkleurig boek in de hand: S, M, L, XL. Binnen signeert Rem Koolhaas. Enkele uren later zitten in de oude ziekenzaal Bijloke te Gent 1200 mensen in spanning te wachten op een interview en een tafelgesprek met de architect. Organisatrice Hilde Peleman spreekt over een run op de kaartjes alsof het om een popconcert ging. Koolhaas is diezelfde morgen nog uit New York overgevlogen en in de pauze vraagt hij jachtig om een draadloze telefoon.

Een paar weken later spreek in de architect op zijn Rotterdamse kantoor, dat een panoramisch uitzicht op het centrum biedt: hoogbouw van Quist en Jahn, de glanzende groene ellips van het World Trade Centre, en de nieuwe, ranke brug van Ben van Berkel. Koolhaas maakt met zijn 52 jaar een energieke indruk. Hij heeft onlangs een miljardenopdracht gekregen in Los Angeles, voor MCA-Universal. Zijn boek, dat eind vorig jaar in een oplage van 30.000 exemplaren verscheen, is uitverkocht en hij onthult de eerste schetsen van ‘een nieuwe generatie wolkenkrabbers’.
Waar bestaat die opdracht van MCA-Universal uit?
'Het gaat om de uitbreiding van een bestaand terrein met filmstudio’s ten noorden van Hollywood Hills. Het is een bekende toeristische tour: het publiek wordt in een treintje rondgereden en kan de filmstudio’s bekijken. De opdracht kan theoretisch tot een verdubbeling van het gebouwde leiden. Als we die verdubbeling inderdaad maken, zal dat volgens de berekeningen een investering van drie miljard gulden vergen. Wij zijn de masterplanner en we ontwerpen zelf het hoofdkwartier. Voor ons is dit een nieuw soort opdracht, waarin we niet alleen met reele architectuur, met bouwvolume te maken hebben, maar ook met attracties die voornamelijk vorm krijgen via media, zoals kunstmatige aardbevingen.’
REM KOOLHAAS werd in 1944 geboren in Rotterdam. Zijn vader was de schrijver Anton Koolhaas, zijn opa van moederszijde was de architect ir. D. Roosenburg. In 1974 richtte Koolhaas in New York het Office for Metropolitan Architecture (OMA) op, en in 1978 schreef hij het boek Delirious New York. Daarmee werd hij wereldberoemd en verwierf hij zich een plaats in het architectuurdebat. Het bevatte een stedebouwkundige analyse van Manhattan, met als centraal begrip congestion: Manhattan als de verticale, gestapelde en door de lift gereguleerde stad, waaruit een samengebalde energie met elkaar versterkende activiteiten voortkomt: 'Een mythisch laboratorium waar een revolutionaire leefstijl wordt ontdekt en beproefd.’
Pas eind jaren tachtig realiseerde Koolhaas zijn eerste gebouwen. Hij kreeg professoraten in Londen, Delft en Harvard en vorig jaar werd een overzichtstentoonstelling van zijn werk gehouden in het Museum of Modern Art in New York. Hij ontving de Spaanse Gaudi-prijs en de Maaskantprijs en kreeg ook, als eerste buitenlander, in Japan een onderscheiding voor het beste gebouw van 1992. Uitgevoerde werken van Koolhaas zijn onder andere het Danstheater in Den Haag, de Kunsthal in Rotterdam, een villa met langgerekt dakzwembad in Parijs, en een woonproject in Fukuoka. Daarnaast maakte hij vele ontwerpen en studies, waaronder voor de Parijse wijk La Villette en voor een haventerminal in Zeebrugge in de vorm van een motorhelm met een transparant, bolvormig dak. Vorig jaar kwam Koolhaas’ OMA in financiele problemen, waarop het fuseerde met een groot ingenieursbureau.
Koolhaas zelf, maar ook zijn gerealiseerde projecten, worden vaak grillig genoemd. Zijn plannen kenmerken zich door een sober materiaalgebruik en het experimenteren met ruimte (goed zichtbaar in de Rotterdamse Kunsthal met zijn schuine vloeren en transparante gevels).
Vooral uw eerste projecten roepen associaties op met Modernisme, Mies van der Rohe, sober materiaalgebruik. Zijn dat inderdaad uitgangspunten? Of bent u eerder een deconstructivist?
'Zelf denk ik niet in dat soort categorieen. Per project probeer ik te reageren op het specifieke van de opdracht, van het terrein, van de opdrachtgever. Er wordt zoveel gedicteerd dat je uiterst beperkt bent in je eigen manoeuvreerruimte. Maar het is zeker zo dat Mies een van de belangrijke inspiraties is en dat ook zal blijven. Onze beginfase in Nederland werd vooral gedicteerd door het vinden van programma’s waarin met weinig geld veel en goede dingen gedaan moesten worden. Nu hebben we soms grotere budgetten, maar staan we voor de vraag: hoe maken we luxueuzere gebouwen zonder in vulgariteit te vervallen.’
Dat er steeds andere ontwerpen ontstaan, heeft dat ook te maken met het werken in wisselende teams?
'Ja, dat heeft er zeker mee te maken. We hebben vaak complexe opdrachten. Dat betekent dat er veel mensen met verschillende achtergronden aan werken. Ik denk dat het onze kwaliteit is dat we een methode gevonden hebben om het analytische proces te laten samenvallen met het creatieve proces, dat de analyse van een situatie eigenlijk al aangeeft in welke richting we de doorbraken moeten zoeken. We zijn in staat ons niet te snel te fixeren op keuzes, nog geen oordeel te geven of iets goed of slecht is en in korte tijd een groot aantal mogelijkheden te testen en vergelijken. In die sessies is er geen hierarchie waarin ik aan het hoofd sta, een soort collectieve intelligentie geeft de doorslag.’
De afgelopen jaren kregen twee mijlpalen in Koolhaas’ werk gestalte: zijn masterplan voor een nieuw hart in het noord- Franse Lille, en zijn tweede boek, S, M, L, XL. Het is een fraai, 1345 pagina’s dik 'zapboek’, dat Koolhaas met de Canadese vormgever Bruce Mau samenstelde: een collage van essays, schetsen, een strip, projectbeschrijvingen, een woordenlijst en stedebouwkundige studies. Voorin staan tabellen met de vlieguren en hotelovernachtingen van deze global architect. De titel dankt het boek aan het feit dat de projecten erin naar grootte zijn geordend, van het bushalte-videopaviljoen in Groningen (S) tot de stedebouwkundige plannen (XL). Enkele nieuwe begrippen die Koolhaas invoert zijn Generic City (de steeds verder uitdijende, centrumloze stad, waarop planners geen vat meer hebben) en Bigness.
Koolhaas’ masterplan voor 'Euralille’, op het snijpunt van de TGV en de snelweg naar de kanaaltunnel, lijkt een breukvlak in zijn stedebouwkundig denken te vertegenwoordigen: enerzijds nog congestion, ofte wel de 'gestapelde stad’, anderzijds bigness. Congestion is terug te zien in een winkelcentrum met drie geintegreerde woontorens en een TGV-station, waar gebouwen overheen zijn gedrapeerd. Een vitaal gebied met mensen- en verkeersstromen op verschillende niveaus. Markant is het gebouw van Credit Lyonnais, ontworpen door Christian de Portzamparc, dat als een skischoen dwars over het station heen staat.
Zelf ontwierp Koolhaas het Grand Palais, dat er vlak bij staat en dat omgeven is door verkeerswegen. Een ovaalvormig betonnen bouwwerk met drie duidelijk te onderscheiden onderdelen: een arena voor popconcerten, een concertzaal en een congres-expohal, als filmfragmenten aan elkaar gemonteerd, onder een welvend dak. Gigantische proporties: Bigness. De openbare ruimte is naar binnen gehaald en kolossale functionele ruimten worden afgewisseld door kleinere, intieme plekken. Zo min mogelijk 'overbodige architectuur’ en vormgegeven met geverfd beton, hout, metaalplaten, roosters en doorzichtige golfplaten.
IN UW VORIGE boek, Delirious New York, kwam vooral het begrip 'congestion’ naar voren. In uw nieuw boek zijn dat: 'leegte’, 'bigness’ en 'generic city’. Wat bedoelt u precies met deze begrippen?
'Leegte is voor mij een correctie op het hele architecten- en stedebouwkundige vak, dat alleen maar dingen maakt, toevoegt. Dat is een beperking. Niets doen is bijvoorbeeld een wezenlijk onderdeel van het repertoire van de arts, maar de architectuur mist het basisinzicht dat het soms beter kan zijn om niks te doen, om dingen open te laten.’
Klopt het dat Lille een overgangsproject is van 'congestion’ naar 'bigness’?
'In Lille werden we geconfronteerd met een bestaand programma en een bestaande plek. Dus wie daar ook had gebouwd, om het station, de kantoren, de supermarkten en het congrescentrum had hij niet heen gekund. Mensen kunnen zich moeilijk voorstellen dat er altijd al iets klaar ligt en dat er dingen besloten zijn voor de architect. Verder staat wat we maken los van wat ik schrijf. Ik wil niet dat ons werk een illustratie wordt van wat ik schrijf. Het heeft ermee te maken maar is niet hetzelfde.’
Is 'bigness’ een poging een brug te slaan tussen architectuur en stedebouw?
'Ja, maar misschien gaat het primair om het signaleren dat bepaalde bouwprojecten groter zijn dan ooit is voorgekomen in de geschiedenis van de architectuur, dat er eigenlijk een nieuwe categorie ontstaat die ook opnieuw begrepen moet worden, niet meer vanuit de tegenstelling architectuur- stedebouw. Met andere woorden: ik signaleer dat er gebouwen worden gemaakt die zo groot zijn dat ze eerder het potentieel van stedebouw vertegenwoordigen dan van de architectuur en die dus eerder gelezen moeten worden als stedebouw. Daarmee samenhangend heb ik het gevoel dat de architectuur probeert elk detail vast te leggen, terwijl stedebouw zich juist toelegt op het creeren, vergroten en openlaten van potenties. Ik vind het bevrijdend dat je die generositeit van de stedebouw tegenover het egoisme van de architectuur kunt gebruiken.’
Wordt openbare buitenruimte bij 'bigness’ niet ingeleverd voor openbare binnenruimte?
'Er komen steeds meer gebouwen met atriums en binnenruimtes. Ik sta daar heel dubbel tegenover, want het gaat ten koste van de straat: gebouwen die van binnen alle stedelijke verleidingen bieden, terwijl buiten een verschraald gebied overblijft. Maar ik denk dat het voorlopig een onomkeerbare conditie is. Daarom vind ik het belangrijk er theoretisch op in te gaan en erover na te denken. Het is een probleem hoe je met de openbare ruimte moet omgaan, vooral omdat je vaak een beperkte opdracht krijgt. In Lille loopt nu een snelweg langs die congreshal, maar die wordt omgelegd. Dan wordt het een stedelijke boulevard met bomen en een wandelroute. Ik denk dat het er daar over vijf jaar heel anders uitziet.’
Ziet u de 'generic city’, de zelfgenererende, identiteitloze, uitdijende stad als wenselijk?
'Generic city is vooral een onderzoek naar wat er aan het gebeuren is en wat dat betekent, een mentale voorbereiding voor mezelf om duidelijk te krijgen wat de nieuwe context is. Het is een soort polemiek met de huidige architectuur en stedebouw, een elitaire lezing van wat er gebeurt met steden. Er bestaat een permanent gevoel van teleurstelling en van weemoed naar eerdere condities. Ik vind dat cultureel fataal, omdat we allang een punt hebben bereikt dat de substantie die we de laatste veertig jaar hebben toegevoegd, numeriek groter is dan wat er al was. Het centrum is meestal vol en af. Dus de meeste operaties waarbij we als architecten en planners betrokken zijn, liggen in nieuwe gebieden. In ons hoofd zit een oermythe dat we weerkeren in het centrum, terwijl we er in de uitvoering bijna nooit meer bij betrokken zijn. Die fundamentele nostalgie maakt het onmogelijk de nieuwe toevoegingen te interpreteren en waarde te geven.
Mijn polemiek komt voort uit een behoefte die nieuwe toevoegingen serieus te nemen en te kijken of er ook voordelen aan verbonden zijn. De generic city is soms uitermate aangenaam en soms uitermate onaangenaam. Het hele fenomeen heeft zoveel schakeringen. Generic city gaat ook over de complete dictatoriale blindheid van het vak, dat zo moralistisch is, dat altijd aan het oordelen is, maar dus tevens hele stukken aarde negeert. Een uitermate steriele houding. Ik heb het gevoel dat S, M, L, XL een bijdrage is aan een herdefiniering van het vak.’
Wat is belangrijker: het boek, ofte wel de theorie, of het praktische werk?
'Beide zijn belangrijk. Ik besteed meer tijd aan het praktische werk. Het feit dat het vorig jaar minder ging met het bureau, was zowel een conjunctureel fenomeen als het resultaat van het feit dat ik me minder bezighield met het verkrijgen van opdrachten. Maar ik heb het boek tegelijk met het congresgebouw in Lille gedaan, twee uiterst intense operaties. We hebben geen dingen verwaarloosd, we hebben gewoon minder gedaan.
Architectuur maken is behoorlijk uitputtend - al die plichten om dingen te bedenken. Voor mij betekende het nieuwe energie opbouwen door een tijdje niet aan die maalstroom deel te nemen. Die samenwerking met het ingenieursbureau die vorig jaar tot stand kwam, is regelrecht uit het boek voortgekomen. Ik kon terugstappen en zien dat het op dit moment voor een individueel architectenbureau met onze pretenties en kwetsbaarheden onmogelijk is te overleven zonder onderdeel te zijn van een groter verband.’
Een bureau openen in Boston, speelt dat?
'Ja, ik denk dat het voor die opdracht in Los Angeles nodig zal zijn. Ik woon in Londen, maar de paradox is dat we op zo veel plekken werk hebben dat het niet meer uitmaakt waar je woont. Tot nu toe moest ik veel reizen, nu heb ik een kalmer ritme. Ik ben drie weken hier en daarna bijvoorbeeld twee weken in Korea. Ik wil consistenter met de projecten bezig zijn en de prioriteit ligt wat mij betreft nu gewoon bij het maken van gebouwen. Planning vind ik ook interessant, maar wij zijn geen planners.’
Na een tijd van bezinning en ’S, M, L, XL’ weer met de praktijk bezig te zijn?
'Ja precies, zo werkt het.’
IN SNELTREINTEMPO laat hij zijn bureau zien. Geen pretentieuze inrichting, eerder functioneel en tijdelijk, alsof het zo zou kunnen verhuizen. In de ontwerpafdeling, een lange doorloopruimte, werken Amerikaanse en Aziatische medewerkers en is de voertaal wisselend Frans, Engels en Nederlands. Met open metalen kantoorkasten zijn werkunits afgescheiden, en achterin bevindt zich een grote ruimte met bureaus die bezaaid liggen met tekeningen en met maquettes in aanbouw, zoals voor een prijsvraag voor het vliegveld van Zurich. Te midden van paperassen voert een zestal mannen rond een tafel overleg.
Koolhaas pakt een piepschuimmaquette van een kast: 'Dit is een nieuwe generatie hoogbouw, ons nieuwste project, voor Korea.’ Het is een groots complex wolkenkrabbers, met pijlers die als luciferhoutjes kriskras door elkaar staan, waarbij sommige tegen elkaar (lijken te) leunen. Ze zijn onderling verbonden met buizen en bovenin tot een geheel gevormd door een open metalen omkransing. Koolhaas: 'De clou is dat het niet allemaal solitairen zijn, maar dat ze gekoppeld zijn, zodat er zowel constructief als programmatisch een geheel ontstaat en er een aantal structurele problemen van hoogbouw wordt opgelost.’
We lopen terug naar zijn werkkamer. Ik confronteer hem afsluitend met enkele kritische commentaren: hoe men hem in Gent 'een spiegelpaleis’ noemde, waarbij je je kon afvragen waar de echte Koolhaas is; hoe architect Luc Deleu zich politiek links van hem plaatste; hoe Bernhard Hulsman hem in NRC Handelsblad de Adam Smith van de architectuur noemde - 'Als Koolhaas een econoom was, zou hij behoren tot het groeiende leger van reactionaire neo-liberalen die ieder overheidsingrijpen afwijst.’
Wat vindt u van al die commentaren en waar plaatst u zichzelf?
'Ik vind dat in ieder commentaar een zekere mate van legitimiteit zit. Ik voel me niet geroepen beelden te corrigeren. Maar veel van die commentaren berusten op het misverstand dat datgene wat beschreven wordt, samenvalt met de ideologie van de schrijver. Ik voel me pas geroepen een positie te bepalen als ik zelf ingrijp. Mijn ontwerp voor de Tres Grande Bibliotheque in Parijs (niet uitgevoerd - lv) was uitermate socialistisch, romantisch, revolutionair. Die zie ik zeker niet als conservatief of rechts. Ik denk dat er een permanente verwarring is over de hardheid, de zogenaamde emotieloosheid van mijn analyses en tegelijkertijd de wel degelijk aanwezige ambities in mijn werk.’
Rem Koolhaas een idealist, een utopist?
'Ja, ook. Je voert niet twintig jaar hetzelfde bureau als je geen idealist bent.’