Burn-outcrisis op universiteiten

De leerfabriek

Terwijl het aantal studenten op Nederlandse universiteiten de afgelopen jaren fors steeg, bleef het onderzoeksbudget gelijk. Mede daardoor hebben wetenschappers een verhoogd risico op een burn-out. Wat doen we eraan?

Hoorcollege aan de Radboud Universiteit Nijmegen © Flip Franssen / HH

In 2014 nam Olga Sezneva, universitair docent sociologie aan de Universiteit van Amsterdam, onbetaald verlof om met een beurs van de Russische overheid te kunnen deelnemen aan een project op de Europese Universiteit in Sint-Petersburg. De UvA juichte deze stap toe, vertelt ze. ‘Mijn faculteit laat er geen misverstand over bestaan dat je zonder subsidies niet verder komt in je carrière.’ Een jaar later, toen ze colleges en werkgroepen gaf in Amsterdam, promovendi begeleidde in Sint-Petersburg en tussen de twee steden heen en weer reisde, kreeg ze plotseling tijdens een college uitvalverschijnselen. Haar geheugen liet haar in de steek. ‘Ik begon met een zin en wist dan in het midden niet meer hoe ik verder moest. Of ik wist het hele onderwerp niet meer.’

Ze had een burn-out, constateerde de bedrijfsarts een dag later. Tien maanden was Olga Sezneva volledig arbeidsongeschikt, pas na veertien maanden werd ze genezen verklaard. Haar faculteit betaalde voor maandenlange therapie en een coach die de re-integratie begeleidde, omdat de verzekering deze niet dekte.

Sezneva was niet de enige medewerker met een burn-out, vertelt de toenmalige faculteitsbestuurder Giselinde Kuipers. De sociale wetenschappen werden geconfronteerd met bezuinigingen en dat leidde tot grote werkdruk bij de wetenschappelijke staf. Voor Kuipers was dit aanleiding om geen tweede termijn als bestuurder te ambiëren. ‘Ik besloot dat ik het bestaande systeem niet wilde ondersteunen.’ Nu is ze hoogleraar sociologie aan de KU Leuven, een hele opluchting. ‘Hier is het werkklimaat ontspannener.’

Veelvuldig overwerken is op de Nederlandse universiteiten bijna vanzelfsprekend, zo blijkt uit een onderzoek van WO in Actie dat vorige week werd gepubliceerd. Het gemiddelde wetenschappelijk staflid werkt wekelijks 36 procent meer dan zijn contract aangeeft. Een 36-urige werkweek bestaat zo standaard uit bijna vijftig uur. Dit leidt tot ernstige gezondheidsproblemen. Zo meldt 61 procent van de universitaire docenten en 52 procent van de promovendi psychische klachten, en in beide groepen ervaart bijna een derde lichamelijk ongemak.

‘De invoering van de voorstellen van de commissie-Van Rijn zal tot nog meer burn-outs leiden’, voorspelt Kuipers. Volgens dit rapport moeten alfa-, gamma- en medische studies 250 miljoen euro van hun jaarbudget inleveren; dat bedrag kan dan vervolgens in de technische universiteiten geïnvesteerd worden. ‘Als dit wordt uitgevoerd leidt het tot bezuinigingen en ontslagen. Dan wordt het Nederlandse hoger onderwijs, dat internationaal gezien uitzonderlijk goed presteert voor zo’n relatief klein land, kapotgemaakt’, zegt Kuipers. ‘Het is belachelijk dat er bezuinigd moet worden terwijl Den Haag zelf het geld niet op krijgt.’

De oorzaak van de toegenomen werkdruk is makkelijk te achterhalen. Tussen 2002 en 2018 steeg het aantal studenten op Nederlandse universiteiten van 178.500 naar 293.300, terwijl het onderzoeksbudget niet toenam en wetenschappers hoe langer hoe meer afhankelijk werden van onderzoeksbeurzen om hun werk te kunnen voortzetten. In 2008 hevelde het kabinet honderd miljoen over van de universiteiten naar de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (nwo), die het geld in competitie onder de wetenschappers ging verdelen. Voor het onderwijsgeld kwam er een allocatiemodel, waarbij de universiteiten middelen toegewezen krijgen op basis van hun marktaandeel, en niet op basis van de almaar groeiende studentenaantallen.

‘Ik startte om zeven uur ’s ochtends en deed het licht uit als alle collega’s naar huis waren’

Vandaag de dag is de hoogte van het onderwijsgeld ook gekoppeld aan de snelheid waarmee studenten afstuderen, waardoor universiteiten eerder leerfabrieken worden dan wetenschappelijke instellingen, met meer regels, tentamens en papierwerk dan ooit tevoren. Een systeem dat zowel studenten als medewerkers tot overspannenheid en burn-outs drijft.

De World Health Organisation (who) beschrijft burn-out als een toestand die wordt veroorzaakt door chronische werkstress waar niet goed mee wordt omgegaan. De stress zelf kan worden veroorzaakt door te veel werk, te weinig autonomie, prestatiedruk, sterke competitie en het gevoel geïsoleerd te staan. Allemaal factoren die een rol spelen op de Nederlandse universiteiten. Toch wordt een burn-out in de praktijk vaak verklaard aan de hand van een combinatie van werk- en persoonlijkheidsfactoren, zegt Wilmar Schaufeli, hoogleraar arbeids- en organisatiepsychologie aan de Universiteit Utrecht. Hij doet al tientallen jaren onderzoek naar burn-out en beschouwt de universiteit als een plek met verhoogd risico. Want academici zijn over het algemeen gepassioneerd met hun werk bezig, en sterk betrokken bij hun studenten. Deze eigenschappen maken iemand de perfecte kandidaat voor een burn-out.

Anna Chiavazza vertrok van Italië naar Nederland om haar master te halen. In 2016 begon ze hier ook met haar PhD in psychologie. Vanaf het begin was het zwaar. ‘Ik dacht dat mijn begeleider hoge verwachtingen van mij had, verwachtingen die ik moeilijk kon waarmaken. Ik ging ervan uit dat alle problemen die ik tegenkwam, vaak van technische aard, vooral míjn problemen waren, en die besprak ik niet met hem.’

Chiavazza begon heel lange dagen te maken. ‘Ik startte om zeven uur ’s ochtends en deed het licht uit als alle collega’s naar huis waren. In het donker werkte ik dan nog een paar uur verder.’ Veel leven buiten haar werk had ze niet. Uitgeput door slaapgebrek, angstig en ziek stortte ze in het tweede jaar in. ‘Ik kon niet ophouden met huilen en verliet mijn werk midden op de dag.’ Ze vertelde haar begeleider dat ze griep had en vanuit huis zou werken. ‘Maar dat ging helemaal niet, ik kon niet eens uit bed komen.’ Haar afwezigheid werd niet als een probleem gezien, want ze was ver voor met haar werk.

Een psycholoog gaf haar later haar diagnose: burn-out, gecombineerd met een zware depressie. Haar eerste behandeling ging niet goed door taalproblemen en culturele barrières. ‘Ik voelde me toen heel, heel erg alleen.’ Een meer ervaren psycholoog nam het over en langzaam maar zeker ging het beter. De eerste twee maanden richtte Chiavazza zich op het herstructureren van haar dagelijks leven, wat door de zware antidepressiva extra moeilijk was. Ze leerde haar verwachtingen te managen. ‘Wanneer beschouw je je werk als een succes? Als promovendus is een gepubliceerd wetenschappelijk artikel een belangrijk succes voor tussendoor. Maar soms krijg je de beloning van al je werk pas na vier jaar, bij je promotie.’ Ze begon met een fotografiecursus en ging vrijwilligerswerk doen.

In haar derde jaar werd Chiavazza de PhD-vertegenwoordiger en zette ze de mentale gezondheid van promovendi op de agenda. Zelf had ze haar eigen burn-out nooit aan de universiteit gemeld en haar geval staat dus nergens geregistreerd – net als die van waarschijnlijk duizenden anderen.

‘Er was niets meer over van mijn enthousiasme. Ik was een last voor mijn vrouw en kinderen’

Hoe dan ook bestaat er geen zicht op de burn-outcrisis op universiteiten, want burn-outs worden op veel plekken niet geregistreerd omdat het geen officiële diagnose is. De universiteiten stellen vaak dat burn-outs een breed maatschappelijk probleem zijn omdat overal hogere eisen aan het werk worden gesteld. En dat is natuurlijk waar. Maar op de universiteit zijn er wel degelijk extra factoren die het risico verhogen. Dat begint al bij eerstejaarsstudenten: het bindend studieadvies kan voor enorme stress zorgen. Volgens verschillende onderzoeken kampt meer dan de helft van de studenten met burn-outklachten en vijftien procent loopt het risico van een burn-out.

Ook het PhD-traject verhoogt de kans op een burn-out. In het eerste jaar rapporteert achttien procent psychische klachten, in het vierde jaar is dit opgelopen tot 39 procent. Buitenlandse promovendi, die moeten wennen aan de Nederlandse werkcultuur, lopen een nog hoger risico.

Vooral wetenschappers uit de alfastudies protesteren al jaren tegen een systeem dat succes vooral afmeet aan kwantiteit. Op de hoeveelheid publicaties, bezochte congressen of verkregen financiering. Het meetsysteem, dat blind is voor kwaliteit, stelde Chiavazza en duizenden anderen teleur. Bovendien had haar leidinggevende geen oog voor haar psychische problemen, iets wat helaas vaak voorkomt.

‘Academische managers zouden dagelijks met het wel en wee van hun medewerkers bezig moeten zijn’, zegt Schaufeli. ‘Maar dit is erg moeilijk. Ze zijn vaak gekozen omdat ze goede wetenschappers zijn, niet om hun managementkwaliteiten. Ze willen liever niet lastiggevallen worden met in hun ogen psychologische onzin.’

‘Je moet je eigen geld binnenbrengen, mensen inhuren, hen coachen, hen begeleiden, naar conferenties gaan, artikelen schrijven, artikelen beoordelen, onderzoeksvoorstellen schrijven, voorstellen beoordelen, onderwijzen, examens opstellen, examens corrigeren en aan wetenschapscommunicatie doen.’ Volgens Sense Jan van der Molen, natuurkundige aan de Universiteit Leiden, wordt tegenwoordig zo’n beetje alles van academici gevraagd. Hij is de enige mannelijke wetenschapper die openlijk met me over zijn burn-out wil praten. ‘Natuurlijk kwam een deel ervan door de druk die ik mezelf oplegde, maar het belangrijkste voor mij waren de onderzoeksbeurzen. Ons systeem is zo uit de hand gelopen. Het succespercentage is zo laag dat het te veel mensen frustreert’, zegt hij.

Van der Molen meldde zich te laat ziek. Hij begon zich in de herfst van 2017 voor het eerst ongewoon moe te voelen, hij negeerde de verdoofdheid die hij later voelde tijdens een conferentie en de lange griep die hij opliep na een wintervakantie. Al die tijd had hij niet alleen de leiding over zijn laboratorium, maar gaf hij ook bachelor- en mastercolleges en deed hij commissiewerk op zijn instituut. Hij rapporteerde voortdurende hoofdpijn aan zijn directeur, maar ging door met werken, tot de zomervakantie, in de hoop dat die zou helpen. Dat was niet het geval.

‘Universiteiten huren mensen voor deeltijd in, terwijl ze weten dat ze fulltime zullen werken’

‘Er was plotseling niets meer over van mijn energie en enthousiasme. Ik dacht: hoe kon dit mij overkomen? Zal het ooit beter worden? Ik was een last voor mijn vrouw en kinderen, en het was extreem zwaar’, herinnert hij zich. Na de eerste maanden van ziekteverlof ging hij naar een therapeut die door zijn afdeling werd betaald. De therapie hielp hem de mechanismen te begrijpen die zijn geest overspoelden en hij leerde ze in een eerder stadium op te merken. Uiteindelijk kon hij zijn houding veranderen. ‘Onlangs schreef ik een beursvoorstel en kreeg ik het geld niet. En, weet je, het was prima’, zegt hij.

In de jaren negentig was het idee achter het stelsel van onderzoeksbeurzen het vergroten van de concurrentie, het bevorderen van samenwerking en het selecteren van de meest veelbelovende projecten. Maar het stadium van gezonde concurrentie is al vele jaren geleden gepasseerd. ‘Nu leg je je hele ziel in het schrijven van voorstellen, en negentig procent van de mensen krijgt die beurzen niet’, zegt Van der Molen. ‘Het systeem moet minder rigide worden. Maar een ander probleem is dat ik niet weet hoe je mensen kunt trainen om er beter mee om te gaan.’

Inderdaad, hoe leer je iemand minder gestrest te zijn over een systeem dat je toekomst bepaalt op basis van de cijfers die je produceert, en dat heel vroeg in je carrière? Het beurzenstelsel produceert bovendien ‘stersystemen’, waarin steeds dezelfde onderzoekers worden beloond, terwijl marginale en experimentele ideeën achterblijven, vooral in de geesteswetenschappen en sociale wetenschappen.

In 2017 keurde de nwo, de grootste organisatie die subsidies verleent aan de Nederlandse academische wereld, slechts zeventien procent van de aanvragen die werden ingediend door jonge onderzoekers goed. Deze zogeheten Talent Scheme overlapt met het tenure track-systeem, waarbij een nieuw aangestelde universitair docent zichzelf binnen een aantal jaren moet bewijzen om een vaste positie te krijgen, wat betekent dat de beurzen nog belangrijker worden tijdens die periode. Dit is ook vaak het moment waarop de meeste mensen kinderen krijgen. Je kunt je in die jaren geen zwakte permitteren, maar als je een mens bent is zwakte onvermijdelijk.

In november organiseerde WO in Actie een ‘witte staking’, waarbij de leden van de beweging alleen de uren werkten die in hun contracten staan vermeld. ‘Er wilden meer mensen deelnemen aan de staking, maar ze konden het zich gewoon niet veroorloven’, zegt Marijtje Jongsma, woordvoerder van WO in Actie en co-auteur van het recente rapport. Het juniorpersoneel is het kwetsbaarst – zij werken vaak op tijdelijke contracten.

Ondertussen blijft het aantal studenten groeien, maar daalt het relatieve gewicht van de cursussen. ‘Je moet 980 uur lesgeven per jaar goedmaken’, legt universitair docent sociologie Olga Sezneva uit. ‘Toen ik bij de UvA begon te werken, woog een cursus 260 uur. Nu hebben we het over 180 uur.’ Hierdoor neemt de hoeveelheid werk per fte toe. ‘Dit betekent dat universiteiten de facto mensen inhuren op deeltijdcontracten, terwijl ze weten dat ze fulltime zullen werken’, zegt Jongsma. De wetenschapsvakbond Vawo Academische Unie schatte dat in 2016 twintig procent van het werk op de Nederlandse universiteiten onbetaald bleef, voor een totaalbedrag van 295 miljoen euro.

‘De dialectiek tussen doel en doelloosheid, werk en rust, maakt ­creativiteit mogelijk’

Universiteiten beginnen eindelijk aandacht te besteden aan de werkdruk die ze produceren. Er lijken nu drie belangrijke beleidslijnen te zijn die gericht zijn op preventie van burn-out: gespecialiseerde psychologen inhuren, zelfbewustzijn vergroten bij het personeel en managers en supervisors trainen om burn-outsymptomen te herkennen. Zo nam de Radboud Universiteit vorig jaar een psycholoog in dienst die zich bezighield met ‘preventie en verlaging van psychisch werkgerelateerd verzuim’. Bijna gelijktijdig lanceerde de Universiteit Utrecht een pilotproject van een PhD-psycholoog die zich richt op druk bij promovendi. Een bezoek aan deze psycholoog, zei de woordvoerder van de UU, ‘zou kunnen resulteren in een eenmalig adviesgesprek, een persoonlijk coachingsproces, een groepsbijeenkomst of een verwijzing naar een specialist’. Ik kon de huidige wachttijden voor deze psychologen niet verifiëren, maar slechts één specialist voor een hele universiteit zal zeer waarschijnlijk niet genoeg zijn.

Daarnaast wordt er dus ingezet op preventie. Zo biedt de Universiteit Utrecht cursussen in timemanagement aan en loopt op de Universiteit van Amsterdam sinds twee jaar het programma Grip op Werkdruk, dat advies heeft ontwikkeld over hoe e-mails en vergaderingen minder stress kunnen geven. Het probeerde ook het bewustzijn te vergroten over de bestaande opties van coaching en yoga-mindfulness-oefeningen. Andere universiteiten verzorgen soortgelijke programma’s. Toch hebben die iets problematisch, omdat ze het aan het individu overlaten om met de werkdruk om te gaan zonder deze daadwerkelijk te verminderen. Hetzelfde geldt voor cursussen die managers en supervisors trainen om burn-outsymptomen in hun teams te herkennen. En wie zorgt er voor de supervisors, die zelf onder enorme werkdruk staan?

‘Deze ontspanningsstrategieën werken echt’, zegt hoogleraar Wilmar Schaufeli, ‘maar je lost het probleem niet op als je mensen leert te veranderen terwijl de werkomgeving hetzelfde blijft.’

In dit licht valt de aanpak van de Vrije Universiteit op: de afgelopen jaren heeft de universiteit zogenaamde judo’s (juniordocenten) aangenomen – meestal pas afgestudeerde masterstudenten die onderwijstaken overnemen van overbelaste hoogleraren. Na afloop van hun contract van vier jaar kunnen judo’s docent worden aan andere onderwijsinstellingen. Renée-Andrée Koornstra, directeur HRM Arbo & Milieu van de VU, vertelt dat de pilot succesvol was; de universiteit is nu van plan om volgend jaar nog eens zestig judo’s in te huren, en 120 het jaar daarna. De UvA nam eveneens student-assistenten aan en zoekt naar structurele veranderingen, zoals manieren om de bureaucratische druk te verminderen en in kaart brengen hoeveel werk verband houdt met kwaliteitscontrole tijdens examens.

Maar zoals Giselinde Kuipers en anderen waarschuwen: er is geen tijd meer voor. In december heeft de regering duidelijk gemaakt dat ze, ondanks het gepraat over één miljard euro extra voor hoger onderwijs, niet van plan is meer te investeren. In november ondertekenden alle Nederlandse universiteiten – net als de knaw, nwo en andere instellingen – een position paper waarin een poging werd aangekondigd om over te stappen op meer kwalitatieve manieren om academische prestaties te ‘erkennen en waarderen’. De paper vermeldt de intentie om een dialoog aan te gaan met de academici over hoe verder te gaan. Die dialoog is natuurlijk een goede zaak, hoewel het belangrijk is dat het gebeurt op de voorwaarden van de geleerden, niet van de managers.

Er is echter een groter probleem. ‘Wanneer je een permanente cultuur van overwerk hebt, wanneer alles volgepland is, is het veel moeilijker om verandering te creëren, verrast te zijn en iets nieuws toe te staan’, zegt Josh Cohen, een Britse psychoanalyticus en auteur van Not Working: Why We Have to Stop. ‘Het is de dialectiek tussen doel en doelloosheid, werk en rust, die creativiteit bij mensen mogelijk maakt.’ Een alternatief systeem voor hoger onderwijs bedenken is behoorlijk ingewikkeld en zal veel tijd van de academici vergen. Om de Nederlandse academische wereld te redden zou het huidige systeem daarom onmiddellijk in de wacht moeten worden gezet.


De naam van Anna Chiavazza is op haar verzoek gefingeerd, haar echte naam is bekend bij de redactie. Yegór Osipov-Gipsh is journalist en onderzoeker. Hij werkte van december 2018 t/m mei 2019 als student-assistent aan de UvA