De legende en het grote geld

Maar liefst drie Woodstock-festivals pogen de legendarische hippiegeest van een kwart eeuw geleden wederom uit de fles te halen. Maar Woodstock valt niet te reanimeren, want het is er nooit geweest.

WIE ER ALLEMAAL niet bij zijn dit jaar: Jimi Hendrix - zijn elektriserende verkrachting van de Star Spangled Banner op de laatste dag van Woodstock, 17 augustus 1969, zou te boek komen te staan als een muzikaal-politieke terreurdaad van de eerste orde, maar hij stikte ruim een jaar later, op 18 september 1970, in zijn eigen braaksel. Janis Joplin - de eerste witte vrouw die de blues kon zingen, nam hetzelfde jaar een overdosis in haar hotelappartement in Hollywood. Zanger Al ‘Blind Owl’ Wilson van de formatie Canned Heat (Going up to the Country) - sloeg in september 1970 de hand aan zichzelf, naar verluidt omdat zijn favoriete boom was omgehakt. Richard Manuel - zanger-toetsenist van The Band, verhing zichzelf 4 maart 1986 in een hotelkamer in Florida. The Who-drummer Keith Moon - rock 'n’ roll-dier nummer een totdat zijn hart het begaf onder de last van de zoveelste partij cocaine. En Abbie Hoffman, leider van de politieke hippies ('yippies’), wiens poging om de Woodstock-gangers vanaf het podium toe te spreken smoorde in de nekslag die Who-gitarist Pete Townsend heb toebracht met zijn gitaar, stierf aan aids.
Wel van de partij is Bob Dylan, de man die het de eerste editie van Woodstock zo liederlijk liet afweten, terwijl het feestje toch eigenlijk om hem was begonnen. Het was Dylan die zich na een zwaar motorongeluk en algehele muzikale uitputting in 1966 terugtrok in een villa in het plaatsje Saugerties, gelegen in de bosrijke streek van Woodstock, New York, een regio die al sinds de vorige eeuw kunstenaarskolonies herbergde. In Nederlandse verhoudingen kan het Woodstock van toen misschien nog wel het beste worden vergeleken met Bergen aan Zee uit de tijd van Adriaan Roland Holst - een pleisterplaats voor kapitaalkrachtige, op pastoraal geluk gestelde kunstenaarszielen. In Woodstock creeerde Dylan een nieuwe sound, tussen folk en country in. Hier kreeg het latere hippievisioen van landelijk leven een zwaar anker in de Amerikaanse muzikale traditie, en Woodstock groeide al snel uit tot een mythisch centrum. Sinds die tijd oefende de plaats een magische aantrekkingskracht uit op rockmuzikanten - naast Dylans begeleidingsgroep The Band streken er figuren neer als Van Morrison, Janis Joplin en het in 1975 overleden muzikale genie Tim Buckley. The Band nam er - zonder Dylan - een van de meest legendarische folk-rock-elpees op: Music from Big Pink. Platenmaatschappijen lanceerden een nieuw begrip: de Woodstock-sound.
'WOODSTOCK IS EEN erg baarmoederachtige plaats’, aldus rock-fotograaf Elliot Landy over de kunstenaarskolonie van toen. 'Het is er heel bijzonder, het is er vol met mogelijkheden voor spirituele groei. En mensen die naar Woodstock gaan veranderen, mensen die daar wonen bedoel ik dan.’
In de zomer van 1969 begon de faam van Woodstock zulke proporties aan te nemen dat hippies uit het hele land naar de plek begonnen te stromen. Dit zeer tot verdriet van de oorspronkelijke bewoners. Dylan, terugkijkend in 1984: 'Toen kwam het grote nieuws over Woodstock, over muzikanten die daar naartoe gingen, en het was alsof er een grote golf van waanzin losbrak rond het huis, dag en nacht. Je kwam het huis binnen en je trof er mensen aan, mensen kwamen uit het bos op alle uren van de dag en nacht, klopten aan je deur. Het was echt duister en deprimerend. En er was geen manier om er iets tegen te doen. Ze bleven komen. We moesten daar weg. Tegen die tijd begon ook het Woodstock-festival, zo'n beetje het hoogtepunt van al die bullshit. Ik kon geen ruimte voor mij en mijn familie krijgen, en nergens was hulp. Ik had er genoeg van en we smeerden ’m.’
De jeudige rock-manager Michael Lang had samen met onderdirecteur Artie Kornfield van platenmaatschappij Capital Records en de al even jonge en gefortuneerde zakenlieden John Roberts en Joel Rosenman besloten dat het de hoogste tijd was dat er een rockfestival zou komen in Woodstock. Lang wilde oorspronkelijk het evenement doen plaatsvinden in Saugerties, in Dylans achtertuin als het ware. Toen de rock-ster daar tot hun verbazing geen toestemming voor gaf, werd er uitgeweken naar het land van hereboer Max Yasgur, bij het aanpalende dorp Bethel. Daar zou het Aquarian Rock Music Festival worden gehouden, een naam die al aangeeft hoezeer de organisatoren waren overtuigd van de zaligmakende aard van de combinatie New Age-denken en rock-muziek. In hun meest optimistische buien rekenden Lang en Kornfield naar eigen zeggen op zeventigduizend toeschouwers. Het werden er meer dan vierhonderdduizend, een stormloop die volgens Rolling Stone-journalist Greil Marcus alleen maar te verklaren viel aan de hand van de toentertijd nog onbeschadigde Dylan-mythe: 'Vrijwilllig of niet, Bob Dylan was de geest die over deze driedaagse jamboree hing. Hij is de oudste van deze urbane stam. De tribaal getamtamde boodschap “WOODSTOCK, Dylans schuilplaats, WOODSTOCK, Dylans erf, WOODSTOCK, Dylan bringing it all back home”, was grotendeels verantwoordelijk voor deze massale volksverhuizing naar een zeshonderd hectare grote boerderij, veel meer als wat voor advertenties, promotie en publiciteit dan ook.’
DE LEGENDARISCHE, Oscar-bekroonde film over het Woodstock-festival, gedraaid door Michael Wadleigh, een piepjonge Martin Scorcese en D.A. Pennebaker (verleden maand werd de tot vier uur uitgebreide versie uitgebracht) heeft veel bijgedragen aan de mythologisering van het Aquarius-festival. Dank zij de film, uitgebracht in 1970, groeide het evenement uit tot het symbool van het hippielevensgevoel. Waar die andere cult-film Easy Rider toch vooral de desolate eenzaamheid van het uitgedropte individu uitlichtte, was de boodschap van de Woodstock-film de totale absorbtie in een massale groepsidylle, de vervolmaking van de Amerikaanse jongerencultuur zoals die in de jaren vijftig was ingezet door de oppermarginalen van de Beat-school van William Burroughs, Allen Ginsberg en Jack Kerouac. De film Woodstock toonde een ongehoord staaltje van harmonie, van regen, storm en blubber trotserende welvaartskinderen uit het Suburbia van de Verenigde Staten, die als sjamanen uit India mystieke dansen opvoerden, poedelnaakt in de meren zwommen, met elkaar verbonden in de roes van een nieuwe tijd. De puriteinse erfenis van de Eisenhower-era werd in een klap weggevaagd: Woodstock werd het ijkpunt van een herboren Amerika, antimaterialistisch, collectief en in filosofisch opzicht geheel gericht op de Orient - het definitieve antwoord op de activiteiten van het andere Amerika in Vietnam.
Time noemde Woodstock 'het moment dat de speciale cultuur van de Amerikaanse jeugd zijn kracht liet zien’ en stelde dat het evenement 'heel wel mogelijk een doorslaggevende politieke en culturele gebeurtenis van deze tijd zal blijken te zijn’. Yippie-leider Abbie Hoffman sprak van 'de geboorte van de Woodstock-nation en de dood van de Amerikaanse dinosaurus’. The New York Times, aanvankelijk wat sceptischer gestemd ('Wat voor cultuur kan zo'n puinhoop produceren?’), noemde Woodstock uiteindelijk een 'fenomeen van onschuld’. Allen Ginsberg deed het voor niet minder dan 'een belangrijk planetair evenement’. Als belangrijkste wapenfeiten werden telkens genoemd dat het ging om een gratis festival en het feit dat er bijna een half miljoen mensen bij elkaar waren geweest zonder dat het tot bloedvergieten kwam.
ER VIEL ECHTER wel wat af te dingen op deze euforie. Daarover heeft onder meer Bruce Cook, auteur van het boek The Beat Generation (1971) enige harde noten gekraakt. Cook noemt Woodstock 'het eerste Eucharistische Congres van de nieuwe rock-religie’. Cook, zelf ook van de partij op de driedaagse jamboree van modder, drugs en rock: 'Woodstock kwam als het logische gevolg van al de be-ins, love-ins, pop-festivals en tribale bijeenkomsten die eraan voorafgingen. Het was echter meer dan de som van deze delen, want het gaf een hele generatie niet zozeer een idee wie ze waren, maar (veel belangrijker) wie ze zouden willen zijn. De realiteit van Woodstock deed er een stuk minder toe dan het symbool, zelfs voor degenen die er bij waren. Al een jaar na de gebeurtenis, toen de vele pogingen om Woodstock over te doen slechts hadden geresulteerd in spectaculaire flops en totale mislukkingen, stonden mensen perplex over de oorzaak en zochten journalisten naar verklaringen. Het antwoord, hoewel slechts door enkelen gefluisterd, was een simpele waarheid, maar zoals vele waarheden een beetje onplezierig om in te zien. Het was eenvoudigweg zo dat Woodstock niet opnieuw kon gebeuren omdat het in de eerste plaats nooit gebeurd was. Het was een mythe.’
Cook schildert het reele Woodstock-festival als een voor de overgrote meerderheid der deelnemers uiterst deprimerende gebeurtenis, vol materiele en immateriele ontberingen. Het Woodstock-volk bestond in zijn observaties uit een apathische bende, verlamd door de alomtegenwoordige modder, duizelingwekkend lange autofiles, drugs van inferieure kwaliteit (Cook meldt achthonderd gevallen van bad trips, terwijl de meeste weedrokers volgens hem niet meer dan oregano hadden gekocht van de dealers ter plekke), gebrek aan voedsel en toiletfaciliteiten. Als voornaamste collectieve kernmerk van de Woodstock-nation noemt Cook het feit dat iedereen geslagen voor zich uit zat te staren in de regen, zwijgend als het graf, door de massaliteit in opkomst niet in staat om veel van de muziek te horen, laat staan iets van de artiesten te zien. De groepsidylle in de film Woodstock was een idee van de makers van de film, aldus Cook. In werkelijkheid zaten de meeste bezoekers massaal eenzaam te wezen. De bijna religieuze intermenselijke verbondenheid die de film suggereert, was een vondst van de cameraploeg, die later door de aanwezigen zou worden geadopteerd.
Ook over de organisatie valt er volgens Cook heel wat te demythologiseren. Zo kwam het veel gememoreerde feit dat Woodstock gratis was niet voort uit nobele intenties maar uit pure noodzaak: de belangstelling was zo groot dat de massa niet meer te houden was. De omheining van het festivalterrein werd neergehaald door opstandige bezoekers, waarna Michael Lang en de zijnen besloten van de nood een deugd te maken. Cook: 'Naar het oude principe dat het het beste is om achterover te liggen en er het beste van te maken wanneer verkrachting onontkoombaar is, gooiden de Woodstock-producers de hekken open en verklaarde het driedaagse festival gratis toegankelijk voor iedereen, behalve natuurlijk voor degenen die onfortuinlijk genoeg al van tevoren kaartjes hadden aangeschaft.’
OVER DE ALTRUISTISCHE stemming der deelnemende muzikanten is later ook heel wat afgefantaseerd in de vorming van de Woodstock-legende. De groepen zouden slechts tegen onkostenvergoedingen hebben gespeeld, geheel verbroederd met hun publiek. In het boek Woodstock, the Oral Story (1989) laat auteur Joel Makower weinig heel van deze mythe. De meeste artiesten weigerden ook maar een snaar te beroeren als ze niet van tevoren cash werden betaald. Het resultaat waren hectische onderhandelingsrondes tijdens het festival, waarbij festivalleiding, deelnemende artiesten en de managers elkaar voor rotte vis uitmaakten, terwijl overal werd gesleept met koffers geld. Ondertussen gebeurde er op het podium uren lang helemaal niets. Degene die de spits moest afbijten, de zwarte folkgitarist en -zanger Ritchie Havens, moest zijn optreden uren rekken omdat geen enkele andere band het podium op wilde zolang de dollars niet binnen waren. Havens was uiteindelijk door zijn hele repertoire heen; zijn nummer Freedom, fameus geworden door de film, was het resultaat van een radeloze improvisatie.
Dat de film Woodstock toch een tamelijk onderhoudende concertregistratie biedt, is dan ook vooral de verdienste van de montage, die niets laat zien van deze ellende. Trouwens: veel van de optredens op Woodstock werden gekenmerkt door een nogal gespannen houding tussen de rock-artiesten en het publiek. Zo nam het optreden van Jimi Hendrix enige uren in beslag, waarbij de meester-gitarist wat grazig gestemd voor zichzelf aan het pielen was, uitgefloten door het publiek. 'Als het jullie niet bevalt, ga je maar naar huis’, aldus de geirriteerde muzikant tegen het publiek. 'Ik probeer iets te bedenken hier.’
Andere artiesten, zoals de wollige John Sebastian, waren zo gedrogeerd dat ze, eenmaal per helikopter naar het festivalterrein gevlogen, urenlang in de microfoon begonnen te brabbelen, vanachter de coulissen toegeschreeuwd door een wanhopig management en dito festivalleiding. Een andere Woodstock-coryfee, de militante Country Joe ('Gimme a F! Gimme a U! Gimme a C! Gimme a K! What’s that spelled?’)
MacDonald: 'Woodstock ging om geld. Mijn ervaring is dat je als je geen geld verdient, voor mafkees wordt versleten. Een erg grote mafkees zelfs.’
Joni Mitchells song Woodstock schildert als geen andere de na het festival geboren mythe, waarbij bommenwerpers veranderen in vlinders, mensen naar het platteland afreizen om hun ziel te bevrijden: 'By the time we got to Woodstock we were half a million strong and everywhere was song and celebration.’ Dat beeld bleef gekoesterd, ook door degenen die door hun aanwezigheid bij het evenement beter hadden kunnen weten. Woodstock werd een bedevaartplaats voor iedereen in Amerika en daarbuiten die zich in de jaren zeventig niet op zijn plaats voelde. Steeds meer gefortuneerde inwoners van de stad New York vestigden zich er, vaak als reden opgevend dat het onderwijs er zo goed is - een andere manier om te zeggen dat er geen arme, zwarte kinderen zijn.
EN NU IS ER DUS Woodstock II. Drie maar liefst, waarvan de diverse organisatoren inmiddels in bikkelharde juridische gevechten zijn verwikkeld om de rechten op het gebruik van de wettelijk gedeponeerde Woodstock- merknaam. Het grootste festival is georganiseerd door oudgediende Michael Lang en platenmaatschappij Polygram, en wordt gesponsord door Apple Computers, Pepsi-Cola en Haagen-Dazs. Het grootste gedeelte van de kwart miljoen kaarten a 135 dollar zijn al in recordtijd verkocht via computernetwerken, terwijl het geheel ook via de betaaltelevisie te volgen is. Het gebeuren wordt in de gigantische pr-campagne geafficheerd als een 'spirituele bijeenkomst’, met een zwaar beroep op de jongere generaties. 'Nu is het jouw beurt’, zo meldt de advertentie voor Woodstock '94. 'Het is niet als Woodstock, het is Woodstock.’ Naast eigentijdse acts als Guns 'n Roses en The Red Hot Chili Peppers zijn daar ook te bewonderen: Dylan, Santana, Crosby, Stills and Nash, en wellicht ook de Rolling Stones (wier poging om het Woodstock-succes even dunnetjes over te doen met hun eigen Altamont-festival droevig eindigde met de moord op een zwarte bezoeker door een bende Hell’s Angels).
Dit alles vindt plaats in Saugerties, Dylans oude woonplaats. In Bethel, locatie van het originele Woodstock-festival, heeft ex-Beatles-promotor Sid Bernstein flower-power-veteranen als Ritchie Havens, Melanie en John Sebastian bij elkaar gehaald. Elders in Woodstock is er dan nog het Freedom-fest '94. Meer anarchistisch gestemde en meer technologisch georienteerde hippiegeesten ('zippies’) hebben inmiddels een evenement aangekondigd in de directe omgeving van de Grand Canyon. In Boedapest is er simultaan nog een Europees Woodstock gaande, het Student Island Euro-Woodstock-festival met onder meer Donovan en Jefferson Starship.
Allemaal nostalgie, natuurlijk, plus een stevige dosis marketing. Toch kan niemand serieus ontkennen dat er in de jaren negentig, anders dan in de cynische jaren tachtig, bij de jeugd een stevige dosis enthousiasme voor de hippiegeest aanwezig is. De gemiddelde house-party is met zijn fixatie op de collectieve trip en voorliefde voor psychedelische effecten al een Woodstock in het klein. De organisator van het Grand Canyon-spektakel, zippie-propagandist Fraser Clark, ziet de jaren negentig zelfs als een vervolmaking van de jaren-zestigdroom, getuige een interview in het spraakmakende Nederlandse blad Blvd: 'Voor de zippie is het mogelijk de hippievisie te verwezenlijken’, aldus Clark. 'We beginnen nu halverwege de berg - niemand lacht nog om ecologie, vegetarisme en oosterse religie. Waneer je in de jaren zestig de maatschappij de rug toekeerde, viel je in een diep, zwart gat. Nu is er een complete samenleving - een soort van ondernemerssocialisme. Het grote verschil tussen nu en de jaren zestig is dat de technologie en de media die eens de geloofwaardigheid van de hippies vernietigden, nu in handen zijn van de beweging.’