In zijn Lucebert-biografie uit 2018 tekent biograaf Wim Hazeu op hoe Lucebert reageerde toen de gymnasiumleerling Nico ter Linden hem vroeg enkele onduidelijkheden in een gedicht op te helderen. Dat soort vragen liet Lucebert gewoonlijk passeren, maar deze keer was hij blijkbaar in een goede bui en gaf hij bij uitzondering antwoord op de vragen, al was het waarschijnlijk niet het antwoord dat Ter Linden verwacht had. Die moest namelijk niet denken dat hij, Lucebert, het mysterie van zijn gedichten weleens even op zou lossen. Zijn experimentele poëzie was weliswaar cryptisch en open voor interpretatie, maar dat betekende niet dat het ‘fraaie rebussen’ waren die je zo even kon oplossen. ‘U denkt toch niet dat een gedicht een stuk onhandig proza is waarvan de inhoud in gewoon proza uitgedrukt zou kunnen worden?’ schreef Lucebert terug. ‘Het gedicht is geen stuk onhandig proza, doch een autonoom taallichaam met geheel eigen wetten en functies en als ik het hier over wetten heb doel ik niet op het systema logicum, maar op een system of madness.’

Circa zeventig jaar na de verschijning van de eerste bundel van Lucebert, die als leider van de experimentele groep Vijftigers de slaperige naoorlogse poëziewereld opschudde, is de drang om zijn werk ‘op te lossen’ met eenduidige interpretaties weer groot. De oorzaak daarvan hangt samen met diezelfde Lucebert-biografie. In het boek onthulde Hazeu namelijk dat de jonge Bertus Swaanswijk (de echte naam van Lucebert) zich in de oorlog vrijwillig voor de Duitse Arbeitseinsatz aanmeldde en in brieven uit zijn jonge jaren nazisympathieën uitte. Het was een schokkend bericht dat het nieuws haalde, te meer omdat Lucebert na de oorlog juist een progressieve dichter werd die het linkse engagement niet schuwde.

Het ligt daarmee voor de hand om de bundel Vaarwel, met daarin vroege en nog ongepubliceerde gedichten, ook in dit licht te lezen. Wie het opzienbarende nieuws over Lucebert kent, gaat op zoek naar signalen. Wat bedoelde hij met ‘de joodse mensen dragen gloednieuwe gebitten’? En klinkt er schuldbesef door in de regel ‘mijn vader is het tijdsgewricht/ van twee gebroken benen’? Met andere woorden: in het licht van de nieuwe kennis wordt het aanlokkelijk om de gedichten te interpreteren als cryptische biechten van de over zijn verleden zo zwijgzame dichter.

De neiging om de bundel biografisch te interpreteren wordt nog eens versterkt door de ontstaansgeschiedenis. Veel gedichten in Vaarwel zijn achtergelaten in het huis van mede-Vijftiger Bert Schierbeek en zijn vrouw Frieda Koch, met wie Lucebert in de vroege jaren vijftig in een driehoeksverhouding verwikkeld raakte. Toen Frieda het vervolgens aanlegde met een nieuwe man moest Lucebert in allerijl het huis verlaten, waarbij hij een verzameling gedichten achterliet. Via Schierbeeks zoon kwamen die gedichten vorig jaar terecht bij Schierbeek-biograaf Graa Boomsma, die ze samenbracht in Vaarwel. In de bundel zien we Lucebert van zijn ‘meest verliefde’ kant, zo kondigde de uitgever aan, en dat schept een verwachting van expressieve, persoonlijke poëzie.

Inderdaad zijn veel gedichten in Vaarwel aan Frieda (en Bert) opgedragen en speelt de liefde een rol. In het voor Frieda geschreven ‘Twee bewegingen’ lijkt de dichter bijvoorbeeld moeite te hebben taal te vinden voor de liefde: ‘je hoofd beschreven door mijn huid/ slaapt als langzaam ooft uit/ ik stroop in kamers woord voor woord/ en hoor je naam die nooit is gehoord’. Een regel verderop kun je interpreteren als een verwijzing naar de hopeloze driehoeksverhouding: ‘twee verzen in één nacht is tevergeefs’.

Wat dit gedicht meteen duidelijk maakt, is dat het bij Lucebert altijd over de taal en poëzie gaat. Qua thematiek is Vaarwel daarmee niet heel anders dan Luceberts andere vroege bundels als Triangel in de jungle en Apocrief en ook zijn schrijfstijl is meteen herkenbaar. De gedichten kennen een opzwepend ritme, driftig bij elkaar geassocieerde beelden en een woordkeus die na al die tijd nog verrassend fris is. Ook de lucebertiaanse gekte is nooit ver weg. Die dient zich al aan in het eerste titelgedicht, waarin gezocht wordt naar een nieuw vocabulaire: ‘uw naaktheid is de clairvoyance onzer adem/ onzer adem, onzer aarde muilmijt is uw mond/ bergen van zwijmzwijm of speekselen bolster/ kuilvaalt vol karkas van uw verteerde taal’. Dat zulke regels niet meteen te begrijpen zijn wekt door Luceberts originaliteit en muzikaliteit zelden irritatie op. Nee, eerder een gevoel van: ik heb geen idee wat het betekent, fantastisch! Dit komt ook doordat de surrealistische vondsten vaak ‘juist’ voelen, zoals die van huilende vogels, bijen om een maan van stroop, een kreupelhouten glimlach of een porceleinen polsslag.

Deze speelse schrijfstijl levert soms wilde teksten op die niet getemd willen worden. Zeker in de langere gedichten gaan de beelden alle kanten op, spreekt de dichter verschillende talen door elkaar en is de woordkeuze wel erg vreemd. In ‘een paar vragen met betaald antwoord’ staat bijvoorbeeld de regel ‘pju ’pa - pju ’pa - pju ’pa?’ en in het gedicht ‘creator spiritus’ een soort boodschappenlijstje van tweelettergrepige woorden met een streep ertussen. Dit soort vreemdheden staan óók in Luceberts bij zijn leven gepubliceerde werk, maar bij deze achtergelaten gedichten maken ze wantrouwend. Waren deze gedichten wel af? Voorwaarde voor publicatie was dat de gevonden gedichten uitgetypt waren of niet voorzien van al te veel doorhalingen, zo schrijft samensteller Boomsma in het nawoord. Een begrijpelijke, maar niet helemaal bevredigende leidraad. Aan de andere kant staan er in de bundel ook vroegere versies van al gepubliceerde werken en gaat het wellicht niet om de voltooidheid, maar om de dichter ‘aan het werk zien’.

Dat gebeurt letterlijk bij het slotgedicht ‘Schaduwen’, dat bestaat uit geknipte en bij elkaar geplakte woorden en zinsdelen. Het is niet Luceberts beste werk, maar toont een methode die goed past bij een man die zich vooral liet leiden door het ritme en de muzikaliteit van woorden en die net zo lief een woordenboek gebruikte in zijn zoektocht naar originele woordcombinaties en nieuwe poëtische taal.

Deze zoektocht is vaak in verband gebracht met de Tweede Wereldoorlog. Door de verschrikkingen van die tijd had de schoonheid ‘haar gezicht verbrand’, zoals Lucebert schreef in een van zijn bekendste gedichten. Inmiddels weten we dat hij ook zichzelf ‘gebrand’ had. Kan die drang om iets nieuws te creëren niet persoonlijk geïnterpreteerd worden? Luceberts gedichten in Vaarwel geven zich niet gemakkelijk gewonnen voor dat soort analyses omdat de ‘ik’ het steeds af moet leggen tegen het spel met taal en beelden. Wie een biecht wil lezen vindt het woord alleen terug in deze cryptische regels: ‘in je ogen de porceleinen biechtstoel van de maan/ woont de pijn de in rubberen maskers badende priester.’

Dat de dichter iets van zich af probeerde te schudden zou best kunnen, maar zijn zoektocht naar iets nieuws leidt ook in deze bundel tot poëzie die aandacht naar de taal zelf toetrekt, met neologismen (‘loopgraag’), bijzondere woordcombinaties (‘blauwe sneeuwjacht’) of synesthesieën (‘fluisterwiegend’). Hoe graag je ook expressie – van liefde, van schuldgevoelens – in de gedichten wil lezen, uiteindelijk is Lucebert toch de dichter die vooral de taal zélf liet spreken door zijn werk. Hij is zoals hij het zelf verwoordt ‘de lei voor spijkerschriftellende.’ Wie de biografische losse eindjes van Luceberts leven bij elkaar wil knopen, wordt net als scholier Nico ter Linden door deze poëzie op de vingers getikt.