De lekkages worden groter

Hans Warren
Geheim dagboek, 1996-1998. Twintigste deel
Bert Bakker, 318 blz., € 24,95

Geen eerlijker tekst dan een dagboek, al kun je bij nader inzien ook meteen het andere uiterste beweren. Houdt de dagboekschrijver over het algemeen zichzelf al een beetje voor de gek, omdat hij er toch op de een of andere manier de moed in moet zien te houden, zogauw er enig besef van meelezers bij komt is het helemaal gedaan met de zogeheten onverbloemdheid.
In 1981 verraste dichter Hans Warren vriend en vijand, met name vriend, met de publicatie van zijn dagboek, bijgehouden vanaf 1942. Vooral het idee dat er nog vele nauwgezet bijgehouden boekjaren zouden volgen, bracht menigeen in de intieme kring van Warren tot ongerustheid. Tot op de dag van vandaag, bijna zeven jaar na zijn dood, weet Warren tegen schenen te schoppen.
Arme Brigitte Raskin, dacht ik onwillekeurig bij het lezen van dit twintigste deel alweer, dat de jaren 1996-98 bestrijkt. Sinds deze Vlaamse schijfster mede dankzij het enthousiasme van jurylid Warren de Ako-literatuurprijs won met haar debuutroman Het koekoeksjong (1988) behoort ze tot Warrens cercle, of Warren tot die van haar. De passages waarin zij ook in dit deel figureert, vormen een mooie illustratie van de toenemende macht van de dagboekschrijver. Je gaat toch geen nare dingen over me schrijven hè, vraagt ze hem vlak voordat hij in extenso uit de doeken doet hoe ze het op een zuipen en vervolgens op een braken zet, en dit tafereeltje genadeloos afmaakt door ook nog eens te vermelden dat zijzelf opgelucht zegt te zijn dat dit in een iets minder duur restaurant gebeurde.
Eten en drinken, en alles wat daarvan komt, vormen nog steeds de rode draad in Warrens dagboek, al heeft hij in toenemende mate ‘last’. Hij wordt dit jaar dan ook 75, wat op zich nog niet zo’n punt zou hoeven zijn, ware het niet dat zijn veertig jaar jongere partner Mario Molegraaf (sinds 1978 in zijn leven) er voortdurend op uit wil. Musea bezoeken, Afrikaanse kunst kopen, dineren in dure restaurants (en die vervolgens afkammen in het blad Lekker), gewoon een rondje rijden, of even naar Parijs op en neer. Terwijl Warren vooral denkt aan zijn stoelgang en hoe hij die buitenshuis onder controle moet zien te houden.
In welke huiselijke hel deze relatie zou eindigen – de groeiende afhankelijkheid van de doodzieke Warren bracht de immer woelende cocktail van liefde en sadisme in Molegraaf tot bruisende hoogte – weten we sinds het versneld gepubliceerde, ongenummerde, dagboekdeel over Warrens laatste levensjaar 2001. Dit twintigste deel vormt een voorbode hiervan, met de vele lichamelijke klachten en ongemakken die Warren parten spelen, en het stijgende ongeduld van Molegraaf.
Ook zoiets: ‘tekstbezorging Mario Molegraaf’ staat keurig in het colofon vermeld, waarmee de hele gecompliceerde kwestie van eerlijkheid en puurheid en het al dan niet plegen van censuur meteen op tafel ligt. Degene die stelselmatig door Warren op de meest nietsontziende manier wordt beschreven, is ook degene die ervoor moet zorgen dat de tekst het licht ziet, en dat zet op z’n zachtst gezegd aan het denken. Strekt het immer latent aanwezige sadisme van Molegraaf zich uit tot eigen persoon, is het plichtsbetrachting, of is het liefde voor de letteren die hem, na de dood van Warren ‘keurig’ heteroseksueel getrouwd, ertoe drijft deze voor hem toch pijnlijke en genante dagboekbladen aan de openbaarheid prijs te geven?
Of ben ik een burgertrut en heb ik geen idee?
Laat ik het maar op het laatste houden, ook gezien de nog steeds open mond waarmee ik deze dagboeken lees. Is het dagboek van Jan Wolkers één bronstige lofzang op het leven, bij Hans Warren is iedere druppel sperma er één en is het vergeefse aftakeling troef. ‘Alles is broos, wij zijn broos, onze levens.’ Extreem? Nee, eigenlijk niet. Het is ongetwijfeld een kwestie van temperament of mentaliteit, maar van de niet-aflatende levenslust van Wolkers word je moeier (en gaperiger).
Hoezeer ook opnieuw uit dit twintigste deel blijkt dat er geschaafd en gesnoeid wordt in de dagboeken voordat ze richting uitgever gaan, de suggestie dat hier iemand aan het woord is die niets (meer) op te houden heeft en die ons een, ja toch, eerlijk inkijkje biedt in zijn zielenleven blijft uitermate sterk. Misschien moet je 75 worden om het echec van je leven als volgt onder ogen te durven zien: ‘Ik ben niets en ik kan niets, ik heb alleen een façade opgetrokken.’ En naast alle wrevel en gedoe met ‘M.’ is er ook berusting gekomen: ‘Hoeveel ik ook mag mopperen, klagen en zeuren, ik besef hoe dankbaar ik M. moet zijn. In die achttien jaar zijn we zo met elkaar vergroeid. Dat houdt onvermijdelijk in dat we elkaar ook irriteren. Maar ik kan steeds beter zwijgen, lichte ontstemmingen onderdrukken.’
Hans Warren was allereerst dichter, en dat maakt dat hij ook in zijn dagboeken schoonheid en verval met de pen weet te vatten. Zoals hij zelf opmerkt: zijn leven is literatuur geworden, keurig in leer gebonden. De manier waarop hij de balans opmaakt op 1 december 1977 leest dan ook als een gedicht, zo treurig dat je, dat ik, erom moet lachen: ‘Het is, denk ik, geen erg goed jaar geweest. We hadden allebei gezondheidsproblemen. Veel succes met het werk was er niet. Aan het huis is weer niets gedaan. Goten hangen neer, kozijnen verrotten, lekkages worden groter.’