Hoofdcommentaar

De lelijke kant van de ‹Kulturkampf›

Ook na drie weken is er geen begin van normalisatie. De ogenschijnlijke rust die na de verkiezingen van januari 2003 over Nederland neerdaalde, is op 2 november weer verstoord. Het ziet er niet naar uit dat er snel verbetering zal komen. Of de politieke liquidatie van Fortuyn een grotere breuk is geweest in de Nederlandse geschiedenis dan de moord op Van Gogh is uiteraard nog ongewis. Zeker is niettemin dat sinds de dood van Van Gogh zich geen enkele landelijke politicus of openbaar bestuurder heeft gemeld die de indruk wekt níet in paniek te zijn. Niemand heeft de kans gegrepen om boven zichzelf uit te stijgen. Er is geen sprake van «rising to the occasion», zoals in crises vaak gebeurt, mede omdat zulks in barre omstandigheden vaak simpeler is dan in kabbelende tijden. Integendeel. Het lijkt wel alsof alle staats lieden als konijnen in de koplampen van de spookrijders staren en niet weten of ze nu moeten blijven staan of juist uitwijken. Dat geldt allereerst de VVD die alle kanten opschiet zonder dat de stuurhut er bemand lijkt.

De grootste fout die VVD-leider Jozias van Aartsen afgelopen twee jaar in retrospectief heeft gemaakt, is misschien wel de kleinste beslissing die hij in die korte tijd heeft genomen. Het forceren van een breuk met fractie genoot Geert Wilders – formeel over mogelijke toetreding van Turkije tot de Europese Unie – blijkt achteraf gezien een serieuze vergissing te zijn geweest. In een poging de fractiediscipline te versterken, heeft hij zich een onbeheersbaar probleem op de hals gehaald. Binnen de muren van de Tweede Kamer mag zijn leiderschap dan niet worden betwist, daarbuiten moet Van Aartsen zich in vele bochten wringen om de indruk te wekken dat hij nuchter en vastberaden aan de knoppen zit.

In de laatste, zoals gebruikelijk relatief terughoudende, peiling van Interview/NSS en Nova stond Wilders vrijdag op tien zetels. Weliswaar zou Wilders er volgens deze enquête maar drie bij Van Aartsen wegkapen, het voor de VVD onheilspellende perspectief laat zich niet loochenen. Het electoraat dat na de moord op Pim Fortuyn en de onttakeling van diens LPF verweesd is geraakt, keert niet als vanzelfsprekend terug op het thuishonk maar blijft op drift.

Is de VVD dan belangrijk? Ja. In normale toestand is het slechts beperkt relevant wat een politieke partij uitspookt. De leden winden zich er dan – logisch – meer over op dan de buitenstaanders. In abnormale omstandigheden hebben politieke partijen een verantwoordelijkheid die buiten de oevers van de eigen bedding treedt. Juist daarom zijn de problemen van de VVD ook een probleem van Nederland.

Van Aartsen leidt een partij die onmisbaar is voor een coalitiekabinet dat slechts beschikt over een meerderheid van 77 stemmen in de Tweede Kamer en in de peilingen van Nova intussen is gereduceerd tot 59 min of meer zekere zetels in een virtuele volksvertegenwoordiging.

Dit broze kabinet zelf maakt echter amper aanstalten sterker te willen worden. Minister Verdonk van Integratie tijgert door. Maar de werkbezoeken van premier Balkenende, die een week na de moord op Van Gogh pas zichtbaar op het toneel verscheen, hebben iets weg van een tournee van een hulp-Sinterklaas. Vice-premier Zalm doet sinds die vrijdag na de moord zijn mond niet meer open over andere dan boekhoudkundige problemen. Minister Donner van Justitie heeft zichzelf in de nesten gewerkt door precies op het verkeerde moment het wetsartikel over godslastering uit de ijskast halen, zodat een op zichzelf al onbelangrijke kwestie nu als side show openlijk ligt te rotten. Minister Remkes van Binnenlandse Zaken laat in de media weten dat hij niet langer wil bungelen, maar steun verlangt. Minister De Geus van Sociale Zaken is vlak voor de gong door werkgevers en werknemers gered en hijgt nu na. Minister Brink horst van Economische Zaken heeft even geen podium voor zijn drastische «hervormingsprogramma» dat Nederland moet dynamiseren. Hetzelfde geldt voor collega Hoogervorst van Volksgezondheid die navenant ingrijpende ambities heeft. Minister Bot van Buitenlandse Zaken is, net als Kamp van Defensie, vooral buitengaats om het voorzitterschap van de EU te redden en, deze week, ook om de crisis in de Oekraïne ten minste in de gaten te houden. En de andere zes bewindslieden? Tja, ze zijn in functie en hard aan het werk, zoveel is wel duidelijk.

Als het zich daartoe zou beperken, was het al treurig genoeg. Maar het blijft daar niet bij. Want terwijl de VVD al improviserend probeert het electorale gevaar van Wilders af te wenden, zijn ook de andere coalitiepartijen geen toonbeeld van evenwichtigheid meer. Binnen het CDA wordt gemord over de hardvochtigheid van de «radicale hervormingsagenda» van het eigen kabinet. De leden van D66 hebben zich alleen van een paar stevige moties laten afhouden omdat het de indieners ontbrak aan voldoende politiek-technische vaardigheden om ze op het congres normaal te laten behandelen. En om het beeld te complementeren. Ook de oppositie heeft geen koers, zoals de PvdA liet blijken bij de behandeling van het voorstel van Van der Laan om godslastering in dit volgens haar kennelijk volledig geseculariseerde land – een misverstand overigens – definitief naar de archieven van de geschiedenis te wijzen.

Conclusie: een bredere coalitie zou beter zijn. Maar er is geen politicus die nog maar het begin heeft van een bruikbaar idee in die richting. Intussen woekert de Kulturkampf voort. En dat in een land dat met die hardhandigheid nou net géén ervaring heeft.