Vincent van Gogh en Jean-Luc Mylayne

De lens als penseel, de tijd als verf

Uit de penseelstreken van Vincent van Gogh spreekt energie en vaart, het werk van Jean-Luc Mylayne toont juist vertraging. Tijdloos is hun beider werk; het resultaat van voorliefde voor de natuur.

Jean-Luc Mylayne, N° 554-555, januari februari 2008. Diptiek, C-print, 183 x 228 cm © Jean-Luc Mylayne

Al meer dan veertig jaar trekken Jean-Luc en zijn vrouw Mylène Mylayne eropuit, naar landelijke gebieden in Zuid-Frankrijk of Amerika, om de vogel in zijn natuurlijke habitat te ontmoeten. Tijdelijk strijken ze neer op een plek waar de natuur grenst aan de menselijke aanwezigheid, en met een eindeloos geduld integreren ze dusdanig in de omgeving dat de vogel aan hun aanwezigheid went en zonder angst voor de zelfgebouwde cameralens landt of opvliegt, precies op de plek die Jean-Luc Mylayne als het ware samen met de vogel heeft bedacht. Dan wordt het beeld vastgelegd, na weken of maanden te hebben gekeken naar landschap en dier om het kader en het licht te bepalen dat precies de juiste voorstelling oplevert. Hoewel deze beelden meteen aantrekkelijk zijn, geven ze lang niet alles prijs bij de eerste aanblik. Pas na langere bestudering ontdekt en ervaart de toeschouwer wat er schuilgaat in de zorgvuldig opgebouwde voorstelling. Het oog moet langzaam over het beeld gaan, doorkrijgen dat het soms misleid wordt, de scherpe en onscherpe delen waarnemen. Dan pas kan de kijker de relatie tussen de kunstenaar en datgene dat wordt weergegeven op zich in laten werken. In de catalogus van L’automne du paradis noemt Jacqueline Burckhardt Mylayne een ‘peintre-photographeur’. Als een schilder bepaalt hij de mis-en-scène, de focus, en de mate waarin delen van het beeld wel of niet zijn uitgewerkt. Het is alsof de lens zijn penseel is, en de tijd zijn verf.

Het werk van Vincent van Gogh (1853-1890) en zijn voorliefde voor de natuur vormen een bijzondere inspiratiebron voor Mylayne. Beide kunstenaars proberen de sereniteit van de natuur en de verbondenheid die ze daarmee voelen tot uitdrukking te brengen. Het is deze verbondenheid die hun beider werk zo sterk en tijdloos maakt. Voor zowel Van Gogh als Mylayne is de aanpak een fundamenteel onderdeel van het werk, met een vergelijkbare aandacht voor de lichtval, de kleuren van het landschap en de details op de voorgrond. De trefzekerheid waarmee de details gevangen worden is precies waar de complexiteit van hun werk in schuilt. Hun overeenkomsten zitten niet aan de oppervlakte maar in een diepere laag. Mylayne werkt heel langzaam, hij verlengt als het ware het proces van fotografie. Uit Van Goghs krachtige, trefzekere verfstreken spreekt juist energie en vaart. Maar als mensen vonden dat zijn werk te snel geschilderd was, kon hij ze alleen maar aanraden juist langer te kijken (zoals te lezen in brief 635).

Van Gogh had weinig op met fotografie, een medium dat in zijn tijd in opkomst was maar dat hij veel te machinaal vond en waarin hij bovendien de kleuren miste. Het werk van Mylayne is in deze twee elementen eigenlijk een antithese van de fotografie. Niets in dit werk is machinaal. De lenzen zijn zelf gebouwd, de tijd enorm uitgerekt, de kleuren zijn met de grootste zorgvuldigheid in balans gebracht en alles, ook de nabewerking, gebeurt analoog. Van elke foto bestaat slechts één exemplaar. Zonder twijfel hadden de knotwilgen in de verte, in N _º 25, juli augustus 1980, waarin een boomkruiper een insect doodt om zijn jongen te voeden, of de combinatie van het zonlicht en het vogelnestje in N_ º 32, juni juli 1982_ Van Gogh kunnen bekoren.

Jean-Luc Mylayne, N° 554-555, januari februari 2008. Diptiek, C-print, 183 x 228 cm © Jean-Luc Mylayne
Van Gogh: ‘Je moet geduldig zijn als een os als je het land der kunst wilt bewerken’

De locatie waar het werk is gemaakt hoeft volgens Mylayne nooit genoemd te worden, maar de tijd waarin het werk is ontstaan, is structureel onderdeel van de titel. Het concept van tijd speelt voor hem een belangrijke rol, en dan vooral de verhouding tussen kairos (tijdsbeleving) en kronos (de meetbare tijd). Die meetbare tijd ligt besloten in de titel, bijvoorbeeld ‘november 2006 – januari 2007’, de tijdsbeleving zit in het werk. Voor Van Gogh zat kairos in het ‘enthousiasme waardoor de tijd voorbijgaat zonder dat je het merkt’. Tegelijkertijd vond ook hij: ‘je moet geduldig zijn als een os als je het land der kunst wilt bewerken’ (brief 683 en brief 628).

Behalve in het zonnige Korenveld met patrijs (1887) dat Van Gogh aan de rand van Parijs schilderde toen hij de drukke stad even ontvluchtte, en de opgezette IJsvogel (1887), komen vogels niet in zijn geschilderde oeuvre voor. Hij was er niet de persoon naar om zo geduldig als Mylayne op zo’n vluchtig dier te zitten wachten. Maar dat neemt niet weg dat hij grote bewondering voor hen had; vooral omdat hij hun nestjes ‘zo iets echts’ (brief 507) vond. Aan het begin van zijn schilderscarrière hielden vogelnesten hem even in zijn greep. Vanwege de manier waarop deze gemaakt zijn, vond hij dat sommige vogels ‘waarachtig ook wel onder de artiesten kunnen gerangschikt worden’ (brief 526).

Het beeldrijm en de liefde voor de natuur van beide kunstenaars: dit najaar in het Van Gogh Museum
Vincent van Gogh, De oogst, 1888. Olieverf op doek, 73,4 x 91,8 cm © Van Gogh Museum Amsterdam (Vincent van Gogh Stichting)

In oktober 1885 schilderde Van Gogh in Nuenen verschillende stillevens met nesten in ‘de kleuren van het mos, dorre bladeren & grassen, klei &c’ (brief 533). Met hulp van jongens in de buurt legde hij een hele verzameling aan ‘waar de jongen reeds uitgevlogen waren zoodat men zonder al te veel gewetensknaging ze mee kon nemen’ (brief 507). Waarschijnlijk was hij geïnspireerd geraakt door het lezen van Jules Michelets L’Oiseau (1856), die had geschreven dat uit vogelnesten bleek dat er onder de vogels heuse kunstenaars schuilgingen. ‘Gestuwd door niets dan liefde komen zij tot belangrijke prestaties.’ Het is een idee dat zowel voor Van Gogh als voor Mylayne opgaat. De fascinatie van Van Gogh voor vogelnesten wordt ook wel in verband gebracht met zijn eigen verlangen naar ‘een nest – een huis’ in deze periode. De boerenhutten waarin de plaatselijke bevolking rond Nuenen woonde noemde hij ‘mensennestjes’, en daaruit sprak zijn bewondering voor het eerlijke plattelandsleven. Het is hetzelfde soort bewondering en respect dat Mylayne voelt voor zijn onderwerp.

Vincent van Gogh, De zaaier, 1888. Olieverf op doek, 32,5 x 40,3 cm © Van Gogh Museum Amsterdam (Vincent van Gogh Stichting)

De nauwkeurige instellingen van de camera-lenzen zorgen ervoor dat wazige en scherp-gestelde gebieden in het werk van Mylayne in elkaar overgaan, zodat de blik van de kijker subtiel van de voorgrond naar de oneindigheid wordt geleid. De horizon is vaak heel laag of juist extreem hoog, zoals in Nº 446, november 2006 - januari 2007. Deze foto van een droge prairie is gemaakt in Texas, met een vissenooglens (zie pagina 3 van deze bijlage). Als een zonnewijzer staat de cactus fier midden in het beeld. De ‘wijzer’ gaat richting de linkeronderhoek waar zojuist de kop van de towie opduikt. Alsof aangewezen is hoe laat deze daar moet verschijnen, in camouflagekleur tegen het dorre gras. De prominentie waarmee de voorgrond opdoemt en de aandacht opeist, doet denken aan de schilderijen van Jean-François Millet (1814-1875), die destijds met dergelijke details voor grote vernieuwing zorgde in de kunst. Als schilder was hij Van Goghs grootste voorbeeld. De oprechtheid waarmee Millet het boerenland in beeld had gebracht, zowel poëtisch als empathisch, maakte hem tot zijn artistieke held. En hierin zit precies de connectie met het werk van Jean-Luc Mylayne, die zijn verbinding met het landschap en de vogel voelbaar wil maken. Het was een van Van Goghs diepste wensen een schakel te vormen in de ketting der kunstenaars. Tussen Millet en Mylayne heeft hij de schakel voorbeeldig gelegd.

Een van Van Goghs naar eigen zeggen meest geslaagde werken is De oogst (1888), waarin hij de harmonie tussen mens en natuur verbeeldt die kan heersen op het boerenland. De blauwe lucht en het gele bewerkte land, de voorgrond dichtbij, de bergen ver weg en het vlakke land ertussenin; alles is met elkaar in balans. In het diptiek N _º 554-555, januari februari 2008 van Mylayne zijn verschillende van deze elementen te herkennen. Er zijn geen mensen in beeld maar de twee vlaggen en een gedeelte van een hek in de verte verwijzen naar de menselijke aanwezigheid in het landschap. Helemaal rechts onder de bomen zijn in N_ º 554_ geiten te zien, die in Nº 555 weer zijn verdwenen. De werken zijn gemaakt op een terrein van meer dan vijfduizend hectare in Texas. Midden in het beeld ligt een kapotte kar die is gebruikt voor paardenraces met percheron, trekpaarden van het allersterkste ras. De boomklever links is uiteraard de hoofdrolspeler. Dit is een van de weinige vogels die zowel omhoog als omlaag kunnen lopen tegen de stam van een boom. De boomschors is haarscherp, terwijl de snelheid van de vogel juist in zijn onscherpte gevangen wordt. Drie jaar hebben de Mylaynes met deze boomklever gewerkt; hij kreeg iets aan zijn oog en stierf uiteindelijk in het venster van hun raam. De relatie die ze met hun protagonisten opbouwen is heel hecht en ze zien de vogel als een gelijkwaardige partner in de ontwikkeling van het concept en de uiteindelijke uitvoering.

Jean-Luc Mylayne, N° 332, april mei 2005. C-print, 153 x 190 cm

Het meest opvallende beeldrijm in het werk van Mylayne en Van Gogh zit waarschijnlijk in de reeks N _º 331, 332 en 333, april mei 2005, die Mylayne al in 2005 maakte maar die nu speciaal voor de presentatie in het Van Gogh Museum is ontwikkeld. N_ º 333_ is onderdeel geworden van de tentoonstelling De herfst van het paradijs in Huis Marseille, en N _º 331 en 332 zijn te zien in het Van Gogh Museum. Het kader is in de drie werken exact gelijk; alleen de tijd, en daarmee de belichting en de vogel, verschilt. In 331 en 333 zien we het mannetje, een rode tiran met vlammend rode borst; in N º 332 zijn vrouwelijke partner. De tak die het beeld hier diagonaal doorsnijdt, doet onmiddellijk denken aan de boomstam in Van Goghs De zaaier (1888). De boom plaatste de schilder hier prominent in het beeldvlak en laat hem daarmee een grote rol spelen in de harmonie tussen de mens en de natuur die hij met dit schilderij wilde verbeelden. Zijn zoektocht naar het moment van symbiose tussen mens en natuur bracht Van Gogh keer op keer tot het motief van de zaaier. Met hard werken en volharding kan de waarheid van de natuur ervaren worden, dacht Van Gogh, en dit gold zowel voor de kunstenaar als voor de boer.


Sara Tas is assistent-conservator bij het Van Gogh Museum. De briefnummers verwijzen naar de volledige uitgave van Van Goghs brieven uit 2009, vrij toegankelijk via vangoghletters.org