DE LERAAR IN DE LITERATUUR

De leraar als pispaal

In de literatuur komen weinig leraren voor die groots en meeslepend zijn en bewondering afdwingen. Het zijn vrijwel altijd impotente buitenstaanders, mislukte intellectuelen, maatschappelijke outcasts met een minderwaardigheidscomplex, droogkloten en dorre juffrouwen.

IN DE FILM Annie Hall (1977) steekt de (anti)held, gespeeld door Woody Allen, aan het begin een kleine monoloog af over het leraarschap. Letterlijk weet ik het niet meer, ik vertaal nu uit mijn herinnering: ‘Als je niets kunt, kun je het beste leraar worden en als je helemaal niets kunt, kun je het beste gymnastiekleraar worden.’ Ik zag die film in 1978, was destijds leraar Nederlands op een middelbare school in Purmerend en schoot in de lach, Allens ironie was aan mij wel besteed. Pas later besefte ik dat hij hier inspeelde op een van de mythen die over het leraarschap in literatuur rondspookt. Een leraar of lerares is in literatuur (en film) in principe iemand die niets kan en dat altijd probeert te verbergen achter idealistische of rancuneuze of excentrieke façades. Waarbij op de achtergrond een sterk anti-intellectuele tendens een grote rol speelt: leraren zijn in romans vaak rare boekenwurmen die aan hun evident grotere kennis belachelijke pretenties ontlenen. En zij zijn gedurende een jaar of achttien nog boven leerlingen gesteld ook! Dit machtsverschil staat in lerarenliteratuur altijd ter discussie, de grotere kennis van leraren is altijd verdacht omdat je nu eenmaal, volgens een algemeen aanvaard adagium, aan ‘boekenkennis’ in het ‘echte’ leven niks hebt. Op z’n best dragen leraren in lerarenromans kennis en culturele ‘waarden’ over, misschien zelfs ‘beschaving’, maar hun eigen bijdragen daaraan blijven altijd beperkt omdat ze niet deelnemen aan maatschappelijke productie. Ze zijn slechts doorgeefluik in een voorfase naar volwassenheid bij leerlingen, die zich afspeelt in afgelegen en wereldvreemde instituties. In moderne kioskromans kom je weinig heldinnen tegen die lerares zijn. Ze zijn altijd schrijfster, uitgeefster, filmster, musicienne, model, beeldhouwster, schilderes, verpleegster, arts of binnenhuisarchitecte, ze staan kortom midden in wat men binnen de mythologie van deze literatuur onder ‘het volle leven’ verstaat. Een lerares kan hieraan niet deelnemen, ze is tot leegte en dorheid veroordeeld. Een leraar levert in lerarenromans hoogstens een bijdrage aan de reproductie van het bestaande. Dit geeft hem of haar vrijwel altijd de gemankeerde status van de onmachtige buitenstaander.

Deze veelbeproefde mythe van het leraarschap vind je grandioos verbeeld in de ijzersterke roman Die Blendung (1935) van Elias Canetti, waarin de intellectuele (hoog)leraar Peter Kien, sinoloog, ten onder gaat aan zijn wereldvreemdheid en onnuttige kennis en vooral aan de banaliteit van het bestaan waartegen hij niet is opgewassen. Op een heel ander niveau, maar toch ook treffend vind je dezelfde beelden terug in de door middelbare scholieren ook nu nog veelgelezen kleine roman Goodbye Mr Chips (1934) van James Hilton. In kort bestek schetst Hilton leven en carrière van Mr. Chipping (bijnaam Chips), leraar klassieke talen op de kostschool Brookfield, die ‘achter een beschuttende rij oude olmen’ lag. Hilton geeft een bijzonder subtiel beeld van het gemankeerde, het onproductieve en het machteloze van deze excentriek. Hij stipt tussen het verhaal door steeds de maatschappelijke veranderingen aan die tijdens Chips’ carrière in Engeland plaatsvinden – de oorlogen die gevoerd worden, de industriële ontwikkelingen – en laat zien dat al deze veranderingen geheel aan dit halve warhoofd voorbijgaan. Zijn leerlingen waarderen hem overigens steeds meer, met al zijn gekte, maar helemaal serieus nemen ze hem niet. Hilton laat niet na voortdurend te melden dat Chips’ ‘jongens’ later belangrijke posten bekleden en daar met veel warmte en begrip aan deze merkwaardige man terugdenken. Hij benadrukt dat het Chips’ tragiek is dat zijn leerlingen hem ‘later’ allemaal zullen overvleugelen. Want dat is natuurlijk wel het minste: beter terechtkomen dan een leraar!
Hij wordt steeds excentrieker, speelt regelmatig de onnozelaar, hangt de clown uit, zijn maatschappelijk functioneren heeft daarbij in ieder geval geen enkele betekenis. Veelzeggend is dat Chips kortstondig is getrouwd, Hilton komt dan aandragen met de metaforiek van de vervulling en de zinvolheid van het leven. En even lijkt Chips werkelijk deel te nemen aan het ‘reële’ leven van een gehuwd man, maar zijn vrouw sterft al jong en pas daarna kan hij de rol van oudere, begripvolle, zij het behoorlijk rare leraar met verve op de planken brengen. Hij rekent het tot zijn taak condoleancebrieven te schrijven aan de ouders van in de Eerste Wereldoorlog gesneuvelde ex-leerlingen van de kostschool. Brieven schrijven, dat is zijn bijdrage aan de oorlog. Hiltons werk is zo interessant omdat je niet steeds weet wat je aan hem hebt. Maakt hij Chips belachelijk, of neemt hij hem juist in bescherming? Er klinkt een zachte vorm van spot en zelfspot in zijn boekje door, dat maakt dit werk, ondanks het flagrant sentimentele ervan, nog steeds ijzersterk.
In zijn laatste roman Suezkade knoopt Jan Siebelink aan bij dit beeld van de leraar als gemankeerde buitenstaander. Zijn bevlogen leraar Frans, de impotente (!) Marc Cordesius, stelt zich vanaf het begin in het lerarenkorps op als buitenstaander; hij is de idealist. Je kunt hem in sommige opzichten vergelijken met de leraar John Keating uit Dead Poets Society (1989), een standaardfilm op het gebied van lerarenmythologie. Ook Siebelinks held trekt zich terug in een eigen, diep beleefd leraarschap dat de liefde voor het vak vooropstelt. Hij raakt in conflict met elkaar bestrijdende fracties op zijn school, waar anti-intellectualisme de boventoon voert, en hij delft het onderspit. Allemaal klassieke thema’s uit de traditie van de lerarenroman. Siebelink laat bij zijn held intellectuele waarden en overwegingen prevaleren boven de platvloerse nuttigheid en effectiviteit die op zijn school steeds meer de dienst uitmaken, maar zijn strijd is tevergeefs. Hij neemt overigens geen afstand van het leraarschap op zich, wat je vaak wel aantreft in lerarenromans, op verschillende plaatsen komen in zijn roman warme pleidooien voor, maar zijn held blijft een gemankeerde intellectueel die zich niet afdoende kan verweren.
In Nelleke Noordervliets laatste roman Snijpunt raakt de heldin, de intellectualistische lerares Nora Damave, in verwarring nadat zij is neergestoken door een Marokkaanse leerling. Ook hier weer het onmachtige en het hulpeloze. Zij is niet in staat de verhoudingen en de maatschappelijke werkelijkheid te doorzien en komt terecht in een maalstroom van verwikkelingen die haar aan de afgrond brengen. Noordervliet weet zich overigens te onttrekken aan het klassieke beeld dat je in romans van de schooljuf aantreft. Haar heldin is noch een kille zuurpruim, noch een engelachtige nimf. Schooljuffen zijn door de eeuwen heen vaak afgebeeld als ‘dorre’, uitgeknepen wezens, die meestal ongetrouwd zijn, wat uiteraard ook al een beeld van ‘leegte’ en ‘onnuttigheid’ oproept. Roald Dahl geeft in de jeugdroman Matilda (1988) een instructief voorbeeld van deze mythe met de verschrikkelijke Miss Trunchbull, het vrouwelijke hoofd van de school, die hij contrasteert met de positieve juf, Miss Honey.
Meer recent tref je zo’n type dorre lerares aan in Zoë Hellers Notes on a Scandal, dat in 2003 genomineerd werd voor de Booker Prize en kort geleden is verfilmd. De oudere, jaloerse, aseksuele lerares probeert de jeugdige, mooie lerares pottenbakken (!) te vernietigen. ‘Je bent níets’, voegt de laatste haar oudere collega op een gegeven moment toe, ‘een zure oude maagd uit Eastbourne.’ In jeugdliteratuur kom je uiteraard vaak nare leraren tegen, of juist extreem aardige (zie Theo Thijssen), in deze literatuur tellen de uitvergroting en het contrast nu eenmaal zwaar. Overigens is de fameuze jeugdschrijver Chr. van Abkoude in het eerste, bekendste deel uit zijn Pietje Bell-reeks, Pietje Bell of de lotgevallen van een ondeugende jongen (1914) opvallend niet-rancuneus over schoolmeesters en schooljuffen. Zo beschrijft hij Meester Ster, de onderwijzer van Pietje, met veel gevoel als volgt: ‘Meester Ster was zoo kwaad niet als hij er wel uitzag. Zijn gezicht stond meestal wel zeer ernstig en ook keken zijn oogen de menschen aan, of hij ze allemaal honderd regels wou laten schrijven, maar dit had hij zich onwillekeurig aangeleerd gedurende de vele jaren, dat hij onderwijzer was.’ Zijn ogen keken de mensen aan, is dit niet een prachtig beeld van leraarschap?
Hét veelgeprezen voorbeeld van de klassieke, mannelijke onderwijzer wiens bestaan in leegte is gedompeld leverde uiteraard Multatuli met Meester Pennewip in Woutertje Pieterse. Multatuli zet deze nitwit met verpletterende nadruk neer als een droogkloot en sufferd die niet in staat is ook maar de geringste bijdrage te leveren aan de ontwikkeling van de edele en naïeve Woutertje. Dit levert veel uitentreuren uitgesponnen hilarische taferelen op, die, als je ze goed bekijkt, ook iets zeggen over de onverwerkte rancune en het onversneden zelfmedelijden waarmee Douwes Dekker zijn held op zijn schooltijd laat terugkijken. Vooral rancune moet toch Multatuli’s hoofddrijfveer bij het schrijven zijn geweest, daar hoor je mij niet over klagen, het leverde interessante en soms mooie boeken op. In Bordewijks fantastische Bint (1934) dat ik in klas 4 havo altijd in z’n geheel voorlas, kom je uiteraard ook de nodige halfgare leraren tegen.
Maar dergelijke extreme beelden van leraarschap bestaan tegenwoordig nauwelijks meer. Joost Zwagerman zet in De buitenvrouw (1994) een rancuneuze kleinburger en cynische leraar neer die zijn beroep beschouwt als een opstapje voor nietsnutterij en buitenechtelijke escapades. Hij is typisch de kleinburger die aan maatschappelijke druk probeert te ontsnappen maar daar niet in slaagt, wat zich bij hem vertaalt in een rancuneuze blik op school en leraren. Zwagerman laat hem op verschillende plaatsen uitermate wegwerpend over zijn eigen beroep reflecteren. Hij voelt zich mislukt, weet zich bijvoorbeeld bekeken door voorbijgangers wanneer hij met brugklassers op pad is en schaamt zich voor zijn in zijn ogen weinig glorieuze beroep. Hij voelt zich een ‘gediplomeerde kneus’. Zwagerman laat deze figuur zwelgen in zelfmedelijden. ‘Aan het leraarschap kleefde onherroepelijk een imago van sulligheid en slapte’, laat hij hem peinzen, en iets verderop staat: ‘De gedachte was dat achter iedere leraar het oertype schuilging van de zweminstructeur die vanaf de rand van het kinderbad zijn aanwijzingen gaf en zelf nooit één teen in het water stak.’ Weer die impotentie! Er behoeft overigens geen misverstand over te bestaan dat Zwagerman het met zijn held eens is, hij laat een type zien, een mislukkeling, omdat hij goed weet dat je met positieve helden niet snel een interessant boek krijgt. In Hagar en Daan (2004) van Robert Anker figureert een vergelijkbaar type, al is zijn houding ten opzichte van school en leerlingen minder rancuneus dan bij Zwagerman.
Ook Simon Vestdijk ontsnapte uiteraard niet aan de hierboven geschetste mythologie. Je kunt er nu eenmaal snel allerlei dramatische effecten mee bereiken. Vestdijk schreef een uitermate geestig sonnet, De jonge leerares, waarin de altijd dubbelzinnige verhouding tussen leraar en leerling prachtig is weergegeven. Hier de laatste zes regels:

Mijn ijdel opstel, door haar uitgekozen,
Moest dienen om op geestelijk contact
Met thee en wijsbegeerte aan te sturen,

En op haar kamer kon men mij zien blozen…
’k Werd níet verliefd; voor d’r examen gezakt,
Kreeg ze van mij nog veel meer te verduren.

Vestdijk schreef vaak over leraren, onder meer in de Anton Wachter-boeken en in de roman De ziener (1959). Zijn grootste prestatie op dit gebied leverde hij in Ivoren wachters (1951), waarin niet alleen de leraar Nederlands Schotel de Bie ten onder gaat, maar ook een van de fraaiste helden uit Vestdijks oeuvre, de scholier Philip Corvage. De grote verwachtingen waarmee de jonge leraar op weg gaat naar zijn eerste les zijn door Vestdijk met veel gevoel en zelfs zonder al te veel ironie weergegeven. De banaliteit waarmee hij in de hoogste klas direct wordt geconfronteerd levert een prachtige scène op. Plotseling, midden in zijn hooggestemde betoog over Justus van Effen, wordt deze leraar afgeleid door het armzalige gebit van Corvage, die per ongeluk zijn mond open heeft hangen. Zijn hele betoog lijkt hem ineens futiel, hij kan zich niet inhouden en roept: ‘Zeg, hé, hou je afgebrande kerkhof ’n beetje voor je, zeg!’ En deze zin betekent zijn ondergang, ook op seksueel gebied, zijn verloofde verlaat hem uiteindelijk. Hij blijft achter als een uitgebluste, impotente en tragische figuur. Vestdijk geeft in deze zeer geslaagde roman niet toe aan de gebruikelijke lerarenclichés. Hij laat bijvoorbeeld een van de ‘domste’ leraren op het eind van de roman als een ware detective de gang van zaken rond de moord op Philip ontrafelen.

Alles goed en wel, maar waar komen deze barre en hardnekkige mythes rondom de leraar als impotente buitenstaander, als mislukte intellectueel, als verkeerde betweter, als gemankeerde minnaar, als maatschappelijke outcast met een minderwaardigheidscomplex, als droogkloot en als dorre juffrouw vandaan? Waarom altijd de nadruk op het impotente en het onnuttige? Waarom dat anti-intellectuele in veel lerarenromans? Het antwoord op deze vragen ligt voor de hand. We zijn allemaal naar school gegaan, we hebben allemaal de blik van leraren en leraressen op ons gevestigd geweten. We hebben ons allemaal vernederd gevoeld door de macht die leraren op ons uitoefenden. We zijn bekeken en gewikt en gewogen zonder dat we ons konden verweren. We herinneren ons nog steeds de wanhoop en de vernederingen en we weten in ons hart dat we die in hoofdzaak aan onszelf te wijten hadden, al slagen velen van ons er later in dit aan het oog te onttrekken en de schuld van eigen falen systematisch bij leraren te leggen. Bij hen die het allemaal beter wisten en ons doorzagen. Minstens één keer per jaar ontwaak ook ik, kort geleden nog, uit een verwilderde droom waarin ik helemaal of half naakt in een zaal zit met eindexamenkandidaten die allemaal keurig gekleed zijn. Zij krijgen de opgave wel, ik niet, zij mogen wel met een woordenboek werken, ik niet. Freud rekent deze en vergelijkbare dromen tot de klassiekers, in Die Traumdeutung geeft hij er een intrigerende analyse van die ik liever geheim houd. Maar veelzeggend is deze droom in ieder geval wel: mijn middelbareschooltijd is blijkbaar nog steeds niet verwerkt.
In lerarenromans wordt zonder blikken of blozen ingespeeld op de fundamenteel rancuneuze gevoelens die schrijvers bij lezers over deze periode in hun leven veronderstellen. Want ook schrijvers zijn naar school gegaan, ook zij hebben de macht gevoeld die leraren over hen uitoefenden, ook zij hebben zich ooit bekeken gevoeld, gewikt en gewogen. Ook zij hebben ‘ongelijkheid’ aan den lijve ondervonden. Komt het er niet op neer dat in lerarenromans schrijvers hun rancune uitleven over hun tijdelijke zichtbaarheid in de ogen van anderen, van leraren, dat zij wraak nemen voor de als vernederingen ervaren belevenissen rondom hun schooltijd? Menno ter Braak gaf in zijn nog steeds actuele artikel Het Nationaal-Socialisme als Rancuneleer (1939) een voortreffelijke verklaring voor het ontstaan van de rancune die de kleinburger in zichzelf koestert en soms ineens uitschreeuwt of op straat uitleeft of graag in romans beschreven ziet. Een verklaring die heel goed kan dienen als model voor het ontstaan van literaire mythes over het leraarschap. Volgens Ter Braak hoort ‘de rancune tot de meest essentiële verschijnselen van onze cultuur’ (cursief van Ter Braak). Ze komt volgens hem voort uit het gelijkheidsbeginsel dat in de democratie uitgeroepen is tot uitgangspunt: ‘Het streven naar gelijkheid wordt theoretisch gerechtvaardigd geacht, ook door degenen, die er geen ogenblik aan zullen denken practisch voor de verwezenlijking van een gelijkheid, die in hun nadeel zou zijn, iets te doen! Ziedaar de grote paradox ener democratische maatschappij, waarin de rancune niet alleen aanwezig is, maar ook wordt aangemoedigd als mensenrecht!’ En zo blijft de leraar in literatuur als pispaal dienen voor het maatschappelijk aangemoedigde streven naar gelijkheid dat ons als ideaal voor ogen wordt gehouden.