Liberalisme in crisis

De lessen van Karl Popper

De open samenleving en haar vijanden, het meesterwerk van Karl Popper uit 1945, laat zien waarom zelftwijfel een politieke deugd is. Het boek is tevens Poppers oproep tot een militant liberalisme.

Karl Popper in 1993 © Anna Weise / HH

In oktober 1946 nam Karl Popper de trein uit Londen om een lezing te geven bij de Moral Sciences Club in Cambridge. Hij ging op uitnodiging van Ludwig Wittgenstein, op dat moment de ster van dit eminente discussiegenootschap waar ook grote namen als Bertrand Russell en John Maynard Keynes aanschoven.

Wat een uitwisseling van ideeën moest worden, werd een botsing tussen twee ego’s. Popper en Wittgenstein werden beiden geboren in het dynamische Wenen van voor de Eerste Wereldoorlog en waren beiden gevlucht voor het fascisme. Daarmee hielden de overeenkomsten ongeveer op. Wittgenstein was een koppige miljonairszoon die in feite een hekel had aan filosofie. Hij was ervan overtuigd dat ieder vraagstuk uiteindelijk neerkwam op een taalkwestie. Poppers geboortemilieu bevond zich een treetje lager op de sociale ladder. Hij was minstens zo koppig als Wittgenstein, maar ook een realist die een wereld vol concrete en theoretische vraagstukken zag die het niveau van een taalspel wel degelijk overstegen. Beiden verheugden zich op dit eerste debat in levenden lijve, waarschijnlijk vooral vanwege het vooruitzicht de ander de les te kunnen lezen.

Het eindigde met slaande deuren. Wittgenstein hield vol dat Popper geen voorbeelden kon noemen van vragen waar daadwerkelijk filosofie voor nodig was om ze te doorgronden. De kwestie of het heelal oneindig is kon volgens Wittgenstein wiskundig worden opgelost. De vraag hoe kennis zich opbouwt, behoorde volgens hem tot het domein van de logica. Popper bleef het proberen. Morele regels doordenken, dat is toch zeker een taak voor de filosofie? Wittgenstein, die naast de haard zat die het zaaltje verwarmde en al sprekend zwaaide met een metalen pook, vroeg om een voorbeeld. ‘Bezoekers niet met een pook bedreigen’, zou Popper toen geantwoord hebben, waarop Wittgenstein het stuk ijzer neersmeet en de kamer uitstormde.

De confrontatie tussen Popper en Wittgenstein, die welgeteld tien minuten duurde, is het onderwerp van het vermakelijke boek Wittgenstein’s Poker: The Story of a Ten-Minute Argument Between Two Great Philosophers (2001), geschreven door twee Britse journalisten. Ze maken duidelijk dat Popper als winnaar uit de strijd kwam, al was het maar omdat zijn opponent zich liet kennen. Tegelijk is ‘Popper won het debat in Cambridge’ een stelling die nooit bewezen kan worden. Het enige wat we hebben zijn overtuigingen, in dit geval dat weglopen uit een debat gelijkstaat aan je verlies toegeven. Die overtuiging kan tot in het oneindige bediscussieerd worden. De specifieke context van de ontmoeting kan tot in detail uitgeplozen worden, er kan nieuwe informatie worden toegevoegd dat er ander licht op werpt en misschien rolt daar een ander oordeel uit. Met andere woorden, er is geen ultieme waarheid waar het intellectuele vuistgevecht tussen Popper en Wittgenstein onder te scharen valt.

Wie het publieke debat van dit moment in ogenschouw neemt, kan soms het gevoel krijgen in een variant van het dispuut tussen Popper en Wittgenstein verzeild te zijn geraakt. Aan de overkant van het Kanaal klampt kamp-leave zich vast aan de slogan ‘Brexit means Brexit’. Commentatoren buitelen over elkaar heen om uit te leggen wat het verschil is tussen een soft Brexit en een hard Brexit. De slepende Brexit-kwestie laat zien dat er vooral een praktisch probleem is dat moet worden opgelost en dat de energie die is opgegaan aan definitiekwesties beter had kunnen gaan naar het zoeken van een manier waarop de Britten zonder al te veel brokken de EU kunnen verlaten.

Dat Nederland graag aan politieke taalspelletjes doet, is duidelijk sinds Forum voor Democratie succes boekte bij de Provinciale-Statenverkiezingen en Thierry Baudet Hegels ‘uil van Minerva’ deed fladderen. Het gesprek over wat Baudet nu precies bedoelde met ‘boreale wereld’ duurt nog altijd voort – en het is vooral Baudet die profiteert van de aandacht. Hoeveel prettiger zou het zijn geweest als Poppers standpunt was gevolgd, zoals hij het noteerde in zijn autobiografie Unended Quest: ‘Laat jezelf nooit in discussies lokken over woorden en hun betekenis. Het enige wat serieus genomen moet worden zijn feitelijke vragen, en stellingen over feiten: theorieën en hypothesen; de problemen die ze oplossen; en de problemen die ze opwerpen.’

Want wat als er geen werkelijke betekenis bestaat? Geen aanwijsbare kern waartoe een woord, idee of overtuiging terug te brengen is? Popper noemde zichzelf een ‘anti-essentialist’ en hing zijn denkwereld op aan het idee van ‘openheid’. Zijn diepste overtuiging was dat kennis als voorlopig beschouwd moet worden. Theorieën en hypotheses horen thuis in een publieke arena waar iedereen ze met rationele argumenten kan bestrijden. Moge het sterkste idee overeind blijven totdat zich iets beters voordoet. En dan helpt het als het koor van stemmen in de samenleving zo gevarieerd mogelijk is.

Popper kwam tot die conclusie allereerst als wetenschapsfilosoof. Tot Popper was het dominante idee dat wetenschap begint met observatie: de appel valt van de boom, Newton bedenkt er een theorie bij, en ziedaar, voortaan hebben we het over zwaartekracht. Dit knaagde aan Popper, want hoe weten we zeker dat een appel altijd hetzelfde traject zal afleggen? Hij was niet de eerste die dit probleem aansneed (de Schotse filosoof David Hume had het ‘probleem van inductie’ in de achttiende eeuw al beschreven), maar lange tijd had de wetenschap deze theoretische onvolkomenheid gelaten voor wat ze was – het stond vruchtbare wetenschap niet in de weg.

Ook in het dagelijks leven vormde Hume’s paradox geen probleem. Een mens moet nu eenmaal handelen, en erop rekenen dat de appel valt is verstandiger dan gokken op het tegenovergestelde. Intellectueel onbevredigend was het wel. Totdat Popper de zaak omdraaide en stelde dat de theorie, het grote idee, de wilde speculatie, op de empirie vooruit gaat, om vervolgens de tucht van kritische toetsing te ondergaan.

Het waren de lezingen van Einstein die Popper als jongeman bijwoonde die hem op het spoor zette van de Logik der Forschung, zijn boek dat verscheen in 1934. Hierin zette hij uiteen dat falsificatie het grondprincipe is voor de wetenschap, samengevat in het beroemde voorbeeld dat zelfs een oneindig aantal observaties van witte zwanen niet kan aantonen dat alle zwanen wit zijn. Ga liever op zoek naar de zwarte zwaan, meende Popper, en accepteer dat iedere overtuiging tijdelijk is totdat het tegendeel is bewezen. Poppers filosofie, in andere woorden, is er een van de nederigheid van het eigen gelijk, al was dat een eigenschap waar hij zelf niet over beschikte.

De permanente tijdelijkheid die Karl Popper toeschreef aan ideeën in de wetenschap, gold volgens hem ook voor het sociale domein. Wie naar voorbeelden in de samenleving wijst om zijn gelijk te bevestigen, is volgens Popper irrationeel bezig. Waar het om gaat is dat elke politieke overtuiging, elk plan dat de overheid loslaat op de samenleving gepaard moet gaan met de bereidheid ervan af te zien als de kritische toetsing daar aanleiding toe geeft. Een maatschappij gebaseerd op dit principe is volgens Popper een ‘open samenleving’, een begrip dat hij leende van Henri Bergson en waarmee hij de liberale democratie van een ideologisch credo voorzag dat naklinkt ver nadat zijn eigen naam op de achtergrond is geraakt (Popper overleed in 1994 in Engeland, waar hij sinds 1945 had gewoond).

Poppers filosofie is er een van de nederigheid van het eigen gelijk, al was dat een eigenschap waar hij zelf niet over beschikte

Popper vormde zijn overtuiging in tijden waarin de open samenleving onder vuur lag. Naar eigen zeggen had hij al vroeg door waar de politieke en economische chaos na het uiteenvallen van het Habsburgse Rijk toe zou leiden. In 1927 vond in Wenen de ‘bloedige vrijdag’ plaats waarop arbeidersprotesten met staatsgeweld werden beantwoord. ‘Toen begon ik het ergste te vermoeden: de democratische bastions in Europa zouden vallen en Duitsland zou een nieuwe wereldoorlog ontketenen’, schrijft Popper in zijn autobiografie. Hij was de jaren daarvoor doorgekomen als meubelmaker en wiskundeleraar en was uiteindelijk op de universiteit beland.

Popper werd een uitweg geboden. Op kerstavond 1936 kreeg hij een telegram met daarin het aanbod voor een aanstelling aan de universiteit van Canterbury in Nieuw-Zeeland. Hij kwam uit een joods gezin dat zich tot de lutherse kerk had bekeerd en vreesde voor zijn toekomst in Oostenrijk. Een jaar voor de Anschluss arriveerden Popper en zijn vrouw aan de andere kant van de wereld.

Nieuw-Zeeland bleek een intellectueel ballingsoord. Nieuwe boeken waren er bijna niet te krijgen, post naar Europa of de VS deed er drie maanden over en zijn agenda werd zo volgepropt met onderwijsverplichtingen dat er weinig tijd overbleef om aan boeken en artikelen te werken. Toch werden de oorlogsjaren die Popper in beschutting doorbracht een van zijn productiefste periodes. Wellicht juist omdat hij op afstand stond van het drama van de ineenstortende Europese democratieën, begon Popper een zoektocht naar de intellectuele wortels van de linkse en rechtse massa-ideologieën. Kort voor zijn vertrek had hij The Poverty of Historicism voltooid, een boek waarin hij het marxisme en het fascisme neerzette als twee ideologieën gevormd door wat hij ‘historicisme’ noemde: de overtuiging dat de geschiedenis richting een hoger einddoel beweegt, en dat alles daarvoor moet wijken.

Het politieke onderscheid tussen een open en gesloten samenleving zette Popper uiteen in zijn beroemdste werk, dat in 1945 in druk was verschenen, kort voor de confrontatie met Wittgenstein: De open samenleving en haar vijanden. Hij kreeg het slechts met moeite gepubliceerd, na verschillende afwijzingen. Deels kwam dat doordat hij de filosofische canon aanviel, deels doordat hij een ongemakkelijke waarheid verkondigde. Popper liet zien hoe de westerse denktraditie de geesten rijp had gemaakt voor de aantrekkingskracht van totalitaire ideologieën.

Poppers grootste verwijt betrof Plato, die de wereld zag in termen van degeneratie en verval. Hij toonde Plato als antidemocraat die de macht voorbehield aan een aristocratie. Volgens Popper was Plato daarmee een ‘totalitaire partijpoliticus’ die verraad pleegde aan de Atheense democratie om in het gevlij te komen bij de machthebbers en uiteindelijk ‘leugens, politieke wonderen, bijgeloof in taboes, onderdrukking van de waarheid en in laatste instantie bruut geweld verdedigde’. Plato’s apologie van de tirannie kwam volgens Popper voort uit de overtuiging dat het afdrijven van de mens van een harmonieuze natuurstaat moest worden geremd. Popper zag daar niets in. Hoe meer we proberen terug te keren, ‘des te meer komen we uit bij de inquisitie, de geheime politie en een geromantiseerd gangsterdom’, concludeerde hij.

In De open samenleving en haar vijanden (dat als werktitel Valse profeten had) kregen na Plato Hegel en Marx eenzelfde behandeling. Ook dat waren denkers die de wereld kwaad hadden gedaan door grote historische schema’s te hanteren en daarmee de mens op zoek naar macht de gelegenheid te bieden zichzelf te presenteren als de wegbereider van een ideale wereld. Waar voor Plato de beweging omlaag ging, zagen Hegel en Marx opwaartse beweging. In het geval van Hegel was dat de manifestatie van een abstracte ‘wereldgeest’ die zich toonde in de gedaante van de overheerser (in Hegels tijd de koning van Pruisen, die hij diende, en veroveraar Napoleon in wie Hegel de wereldgeest te paard zag). Marx meende dat de geschiedenis zich voltrok volgens de wetten van klassenstrijd en historisch materialisme en zou uitdraaien op een klassenloze samenleving.

Tegenover de ideologieën die met dwang het paradijs op aarde probeerden te stichten, stelde Karl Popper de anti-utopie van de stapsgewijze verandering, een aanpak die hem ‘methodologisch gezond’ leek. Een politicus kan een ideale samenleving in gedachten hebben, zo betoogde hij in De open samenleving, maar moet zich ervan bewust zijn dat niet iedereen zich in die mal laat vatten. ‘De voorstander van de stapsgewijze technologie zal dan ook de methode kiezen waarmee hij de grootste en dringendste kwalen van de samenleving kan opsporen en bestrijden, en niet zozeer het hoogste goed trachten te zoeken en daarvoor vechten’, schreef Popper. Geen blauwdrukken voor de nationale cultuur, kortom, maar een politiek die voorzichtig bestaande tekorten probeert te verhelpen.

Nu is er met Popper iets opvallends aan de hand. Zijn boeken hebben braaf hun plaats gekregen op de plank voor de canon van de twintigste-eeuwse filosofie, maar worden niet veel meer gelezen. Tegelijkertijd trekken popperiaanse denkschema’s dwars door het huidige publieke vertoog. Wie zich mengt in het debat over klimaatverandering, begeeft zich op het terrein waar Popper zijn carrière aan wijdde: hoe wetenschap van pseudowetenschap te onderscheiden? Is de aanname dat de planeet opwarmt geschikt voor falsificatie? Ook Poppers open samenleving echoot na. ‘Nederland is een open samenleving, waar van nature ideeën in- en uitstromen’, schreef het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap vorig jaar in het rapport Cultuur en een open samenleving. Want: ‘Net zo min als de Rijn zich bij Lobith laat tegenhouden, stoppen kunsten en erfgoed bij de landsgrenzen.’ Publicist Paul Scheffer baseert zijn overtuiging dat immigratie strakker moet worden beheerst op het idee ‘dat een open samenleving alleen binnen grenzen kan gedijen’. In NRC Handelsblad schreef Maxim Februari over een gebrek aan intellectuele openheid omdat er onvoldoende kritisch gekeken wordt naar George Soros (‘een miljardair die presidenten afwerkt’) en zijn Open Society Institute. Volgens Februari verdient Soros het om tegen het licht te worden gehouden vanwege zijn filantropie gecombineerd met een wereldbeeld dat ‘uitnodigt tot wereldwijde migratie en het opheffen van alle grenzen’.

Nu is het wat vreemd om te proberen het juiste gebruik van de popperiaanse ideeën aan te wijzen. Dat zou ontaarden in de taaldiscussies die Popper juist wilde vermijden. Toch is het de vraag of het idee van een open samenleving op deze manier niet een wat dunne uitsnede aan het worden is van wat Popper beschreef. De gewoonte om naar de term ‘open samenleving’ te grijpen in het migratiedebat, verraadt een neiging openheid bovenal fysiek te interpreteren, alsof het gaat om een poort die je kunt openzetten, dichtgooien of op een kiertje kunt laten. Openheid wordt op deze manier louter maatstaf voor het gemak waarmee individuen een landsgrens kunnen oversteken. En dat is jammer. Poppers uitgebreide uiteenzetting over wat een open samenleving is, en vooral: waarom die te verkiezen valt boven elke andere vorm van politieke en sociale organisatie, verdient het om in de belangstelling te staan, juist nu de geestelijke geslotenheid waartegen hij zich verzette al lange tijd de grondtoon is in de politiek.

Om dat laatste te begrijpen helpt het om de recente HJ Schoo-lezing van minister van Financiën Wopke Hoekstra erbij te halen. Niet omdat er baanbrekende gedachten in zaten, maar omdat het een samenvatting was van het onbehagen dat al twintig jaar door het Nederlandse publieke debat adert. Hoekstra’s lezing had als titel Het land van morgen, maar ging voor een groot deel over het land van gisteren en bevatte de grote theorieën van verval en aftakeling waar rechts en links munt uit proberen te slaan. Het gaat om een hoofdtheorie en twee subtheorieën. In Hoekstra’s woorden: dat a. ‘onze identiteit, normen, waarden en cultuur’ langzaam verdwijnen, en dat dat komt door b. ‘nieuwkomers’ bij wie het ‘ontbreekt aan fundamentele wederkerigheid’ en door c. ‘kosmopolieten’ die ‘onze identiteit en cultuur’ ‘wegrelativeren’.

Door in het migratiedebat de term ‘open samenleving’ te gebruiken, lijkt het alsof het een poort is die je kunt openzetten, dichtgooien of op een kiertje laten

Hoekstra beleed in zijn lezing de waarde van een open samenleving waarin, zoals hij zei, ‘vrijheid, gelijkwaardigheid en de democratische rechtsstaat onze meest fundamentele verworvenheden zijn’. Het staat, in het kader van een open samenleving, iedereen ook vrij om publiekelijk te mopperen. Waar het aan ontbreekt is echter het laatste ingrediënt dat bij een open samenleving hoort: het kritisch toetsen van eigen aannames. De problemen met nieuwkomers leest Hoekstra af aan een anekdote over een niet-westerse migrant die de huisarts geen hand geeft en namens zijn vrouw spreekt. Hij kent ook tegenvoorbeelden, van zijn tijd bij adviesbureau McKinsey, maar uiteindelijk laat hij de witte zwanen bepalend zijn voor de interpretatie van wat er in Nederland gebeurt. Hoekstra generaliseert op basis van observaties, maar enkel op basis van observaties die netjes in zijn theorie passen.

Wie daadwerkelijk gelooft in Nederland als open samenleving zou het tegenovergestelde moeten doen. Dit is de reden waarom Popper zijn wetenschapsleer vertaalde naar een politiek model: wie zoekt naar witte zwanen wordt al snel meegesleept door het snelle gelijk van de eigen overtuiging. Politiek wordt daarmee pseudowetenschap.

Dat geldt ook voor de grote begrippen waar Hoekstra zijn betoog aan ophangt: ‘onze cultuur, onze identiteit’ die verbleken. Hier duikt het platoonse denken in termen van verval op, net als het essentialisme waar Popper zich tegen verzette. Want deze manier van spreken veronderstelt een ideaal dat ergens in het verleden ligt, waar Nederland van afdrijft en weer naar moet worden teruggeleid. Vandaar dat Popper vervaldenken zag als een voorportaal van de onderwerping aan een sterke leider.

Ook wat betreft de verhouding tussen individu en gemeenschap gaat het verhaal van Hoekstra twee kanten op. Aan de ene kant roemt hij de Nederlandse eigengereidheid, tegelijkertijd betreurt hij een gebrek aan ‘verantwoordelijkheid voor het wij’. Je zou het de Hollandse paradox kunnen noemen: een volk dat zich graag laat voorstaan op de stelligheid van het eigen ik, maar zich tegelijk makkelijk overgeeft aan collectief treuren over gebrek aan gemeenschapszin.

Hier helpt een dosis Popper, die in De open samenleving de ‘gelijkstelling tussen individualisme en egoïsme’ een ‘oude vergissing’ noemt. Volgens Popper kan een individualist ‘onzelfzuchtig zijn en zich volledig inzetten, niet alleen om anderen te helpen, maar ook om de institutionele middelen voor het helpen van anderen tot ontwikkeling te brengen’. Dat is de reden waarom, zoals Hoekstra ook opmerkt, nergens zoveel vrijwilligers zijn als in Nederland. Het is ook de reden waarom eigengereide Nederlanders decennialang hebben gestemd op partijen die een robuuste verzorgingsstaat overeind hielden, totdat de vrees voor profiteurs van binnen en buiten de overhand nam.

De vervolgvraag is hoe die inzet voor anderen, direct dan wel indirect, tot stand te brengen. Popper was van mening dat gemeenschapszin ‘niet moet worden geëist, maar moet worden aangemoedigd’, waarmee Hoekstra zich op het laatst toch weer achter de open samenleving schaart wanneer hij zegt dat ‘verantwoordelijkheid nemen niet kan worden afgedwongen. De kunst is mensen ertoe te verleiden, ertoe op te roepen en ze ertoe te inspireren.’

Het is wat Popper leert: teruggebracht tot de kern zijn er eigenlijk maar twee wegen die een samenleving kan bewandelen. Je kunt kiezen voor een gesloten systeem waarin vaststaat wat goed en slecht is, wat geldt als mooi of lelijk, en wie behoort tot het wij en wie tot de ander. Geslotenheid is een kenmerk van tribalisme waarbij de samenhang van de groep boven de keuzes van het individu wordt gesteld. Vermeng gesloten denken met politieke macht, en er rolt een eis tot gehoorzaamheid uit. De vervolgvraag is wat er gebeurt met de ongehoorzamen.

Het alternatief is een open model waarin niet van tevoren vaststaat aan welke zijde van de scheidslijn het oordeel zal vallen, en waarin de groep niet wordt afgebakend om de identiteit aan het verschil met de ander te ontlenen. En daarmee opent zich de deur voor dynamiek en tegengeluid.

Dit is precies waarom de uitroep dat je in Nederland ‘niet mag zeggen wat je denkt’ zo’n ijle jammerklacht is, en opnieuw een aanname is die de toets der kritiek niet doorstaat. Nederland functioneert in de praktijk als een open samenleving, er is geen stem die gesmoord wordt. Twitter is een vrijplaats en iedereen kan pamfletteren, opiniëren en publiceren naar believen. De paradox van een open samenleving is dat de tegenstem die hem afwijst ook de ruimte wordt gegeven. Dat gebeurt misschien tandenknarsend, maar het moet om die open samenleving in stand te houden.

Die tegenstelling is op het oog de grote zwakte van de open samenleving, en de grote kritiek die Popper altijd op zijn denken heeft gekregen: wie openheid propageert moet daarmee bereid zijn de tegenstanders van die openheid aan te horen, of zelfs bereid zijn toe te zien hoe de open samenleving wordt aangevallen. Dit is een variant op het verwijt dat het liberalisme een zwakke ideologie is, omdat het zich intellectueel zo positioneert dat het niet toegerust is om zich te verdedigen tegen vijanden.

Ook hier bedacht Popper een uitweg, de ‘paradox van intolerantie’, die hij verstopte in de voetnoten van De open samenleving en haar vijanden. ‘Als we ongelimiteerd tolerant zijn, zelfs jegens hen die intolerant zijn, als we niet bereid zijn een tolerante samenleving te verdedigen tegen de aanvallen van intolerante medemens, dan zal de tolerante mens te gronde gaan, en met hem de tolerantie’, schreef hij.

Die woorden vormen de basis voor Poppers oproep tot een militant liberalisme, dat bereid is vijanden van de open samenleving aan te wijzen en ‘te bestrijden met rationele argumenten’ en ‘ze met behulp van de publieke opinie onder controle te houden’. Slaagt dat niet, dan resten de regels van de rechtsstaat die in naam van de tolerantie kan bepalen dat ‘iedere beweging die intolerantie predikt, zichzelf buiten de wet stelt’. Dat is een duidelijk kader voor een politieke gemeenschap, die in onderling overleg de grens van tolerantie kan trekken. Daarmee is de open samenleving niet volmaakt, maar wel het beste wat we hebben. Ieder alternatief dat tot nu geprobeerd is, liep onvermijdelijk uit op onderdrukking.