Rassenrellen in Europa

De lessen van Oldham

De recente rassenrellen in Engeland staan niet op zichzelf. De afgelopen jaren lijkt heel Europa in de ban van toenemende etnische spanningen te zijn gekomen. In Nederland zijn het vooral Noord-Afrikaanse

jongeren die betrokken zijn bij «incidenten».

Het leek uit het niets te komen, de grote rassenrel in het Noord-Engelse Oldham. De beelden van het slagveld leken regelrecht overgenomen uit My Beautiful Laundrette en Sammy and Rosie Get Laid, films waarmee regisseur Stephen Frears in de jaren tachtig de verwording van de Britse samenleving onder Margaret Thatcher aan de kaak stelde. Leden van het National Front en voetbalhooligans trokken gezamenlijk op tegen Aziatische jongeren, en vervolgens zorgde een grote politiemacht voor de totale escalatie. De jongeren van Oldham — overwegend met hun wortels in Pakistan en Bangladesh — klaagden over jaren van systematische repressie door de politie. Als zij worden aangevallen door skinheads geeft de politie nooit thuis, zo stellen ze, terwijl de politie wel direct present is om tegen henzelf in te grijpen. De politie op haar beurt verkondigde dat Oldham voor blanke Britten inmid dels één grote no go area zou zijn geworden, hetgeen door de woordvoerders van de Aziatische gemeenschap in Oldham weer hartstochtelijk werd ontkend. Het multiculturele ideaal van Tony Blair lag in elk geval in een klap in duigen en raciale spanningen dreigden zelfs de inzet te worden van de Britse verkiezingsstrijd.

De gebeurtenissen in Engeland staan niet op zichzelf. De afgelopen jaren lijkt heel Europa in de ban van toenemende etnische spanningen te zijn gekomen: Antwerpen, Brussel, Lille en zelfs het europaradijs Straatsburg waren het toneel van veldslagen tussen Noord-Afrikaanse jongeren en de plaatselijke politie, terwijl in Denemarken autochtone knokploegen zich stortten op asielzoekerscentra. Ook aan Nederland ging een en ander niet onopgemerkt voorbij. In april 1998 werd het voorlopige dieptepunt bereikt in Amsterdam-West, waar in het stadsdeel Slotervaart/Overtoomseveld, nota bene in de achtertuin van premier Kok, die een riant appartement in een groene bufferzone achter het probleemgebied heeft betrokken, een veldslag ontstond tussen Marokkaanse jongeren en de politie.

Die rellen hadden grote gevolgen. Er kwam bijvoorbeeld een met een werkverschaffingsplan van Ad Melkert gefinancierde burgerwacht in het leven in de desolate tuinstad. Marokkaanse vaders zouden voortaan toezicht houden in de eigen buurt. Het instituut buurtvader — snel gelauwerd met de Hein Roethof-prijs voor alternatieve criminaliteitspreventie — was geboren. Het contrast met begin jaren tachtig, toen burgerwachten juist te vuur en te zwaard werden bestreden door de overheid als een ongewenste expressie van de gevreesde «eigenrichting», had niet schriller kunnen zijn. Het was het eerste teken dat de Marokkaanse gemeenschap voortaan als een aparte categorie zou worden behandeld, en dat er ten gevolge daarvan voor hen maatregelen mochten worden bedacht die voor andere bevolkingsgroepen ondenkbaar zouden zijn.

De vanaf dat moment gecreëerde Marokkanenkoorts is vooralsnog niet getemperd. Een serie incidenten met Marokkaanse stadsjeugd in Amsterdam en Zandvoort zorgde voor een steeds verder uitdijende polemiek over aard en wezen van de met name uit de Rif afkomstige jongeren, die heden vrijwel dagelijks in het nieuws staan als lijdend voorwerp van een scala aan voorstellen voor juridische en maatschappelijke experimenten, variërend van een radicaal uitzettingsbeleid tot verplichte tewerkstelling in het leger. Er is sprake van een soort nationaal reveil, dat op velen kennelijk een onbedwingbare aantrekkingskracht uit oefent. Zelfs parlementair journaliste Baukje van Sterrenburg, in normalen doen toch een boegbeeld van journalistieke scepsis, wist zich niet langer in te houden en bepleitte vorige week vrijdag in een uitzending van het RTL-programma Nieuws aan tafel een keihard lik-op-stukbeleid ten aanzien van de jonge Marokkanen. Telegraaf-columnist Rob Hoogland deed zijn duit in het zakje met een onversneden oproep tot autochtone jihad versus «het tuig». Nuances zijn ver te zoeken. Wat overheerst is de strijdlust, die vooralsnog niet, zoals in Oldham, gestalte krijgt in acties van lokale skinheads, maar integendeel juist in kringen van beleidsmakers en opinion leaders de overhand heeft gekregen.

Gek genoeg is er nooit veel aandacht besteed aan de rol van de politie bij het ontstaan van de rellen in Slotervaart/Over toomseveld. Onderzoek daarnaar kwam maar moeilijk op gang. Tekenend hiervoor is de zaak van Mohamed F., de jongen wiens arrestatie op 23 april 1998 leidde tot de grote rellen. De in 1980 in Nederland geboren Mohamed F. kwam die noodlottige dag in hardhandige aanraking met Jerry P., toen nog actief als «buurtregisseur» van de Amsterdamse politie. De agent, in de buurt voorzien van de bijnaam Jerry Springer, was nog maar een jaartje in de buurt actief toen hij Mohamed in het vizier kreeg.

Het incident is uitgebreid geboekstaafd met getuigenverhoren van het Crisis Onderzoek Team (COT) van de Universiteit van Leiden, dat na de veldslag op Slotervaart/Overtoomseveld werd losgelaten. Aanleiding voor de aanhouding van Mohamed F. was dat enkele kleine kinderen op een plein een vuurtje aan het stoken waren in een prullenbak. F., net terug van school, zag dat en stuurde de kinderen weg. Op dat moment kwam er een agent aangereden, op de voet gevolgd door buurtregisseur Jerry. De politie van district 6 had al eerder strenge instructies ontvangen — nog net geen «zero tolerance» — ter bestrijding van straatcriminelen. Het afgekondigde samenscholingsverbod voor het gebied zorgde al eerder voor problemen, maar in het geval van Mohamed kwam daar bij dat hij van de buurtregisseur te horen kreeg dat het ook nog eens verboden was in zijn eigen straat, tien meter van zijn ouderlijk huis, buiten te zitten. De irritatie die dat bij de jongen opleverde, resulteerde in een woordenwisseling, die weer leidde tot fors geweld van de kant van de buurtregisseur, die met ondersteuning van enkele collega-agenten de jongen arresteerde op grond van «wederspannigheid». Ook de dertienjarige broer van de jongen, die zich met de zaak bemoeide, werd aangehouden. Het waren deze aanhoudingen die direct leidden tot de grote rellen van de nacht die daarop volgde. De arrestatie van de twee als rustige jongens bekendstaande broers deed iets knappen in de Marokkaanse gemeenschap.

«Het was allemaal de schuld van de politie», schreef een anonieme getuige van het incident in een pamflet dat direct na de eerste rellen in Slotervaart/Overtoomseveld werd rondgedeeld. «Ik heb alles met mijn eigen ogen gezien en dat zal ik nu even uitleggen. Twee kleine jongetjes van ongeveer 9 à 10 jaar zaten een fikje te steken in een prullenbak. Iemand uit ’t buurt heeft de brandweer gebeld en niet de politie. Een paar Marokkaanse jongens van ongeveer 12-17 jaar zaten daar. Er kwamen toen eerst twee agentes en die keken even en liepen toen naar hun auto. Maar toen kwam er een politie-agent op de motor en die begon heel boos te zeggen: ‹Wie heeft het gedaan?› De jongens keken elkaar aan en een van hun zei: ‹Weet ik veel.› De agentes die wegliepen bleven staan toekijken. ‹Gaan jullie als de sodemieter weg van hier, Turken!› ging de agent verder. De jongens liepen weg naar huis of naar hun trap. Maar die ene jongen M. (die ging praten) liep naar een trapje bij het bejaardentehuis en ging daar rustig zitten. De motoragent raasde over het grasveld heen en reed naar hem toe. ‹Jij krijgt een bekeuring, jongeman›, zei hij. M. begon boos te worden en schreeuwde: ‹Waarom, wat heb ik gedaan dan?› De agent begon te schreeuwen en hem uit te schelden voor vieze Turk, vieze Marokkaan, enzovoorts en wilde de jongen in de handboeien slaan, omdat die jongen de bekeuring niet accepteerde. Toen begon het gevecht. De agent pakte zijn knuppel en begon op de jongen te slaan. De jongen vocht terug. Opeens zag ik de agentes aan komen rennen en hun knuppels ook pakken. Ze begonnen op de jongen in te beuken. Het volgende moment zat M. in de handboeien en worstelde tegen. Hij kreeg toen weer met de knuppel. Een paar jongens die dit onterecht vonden kwamen helpen en die kregen ook met de knuppel. Een was 12 en de andere 15 jaar. M. zat te bloeden maar de agent sloeg hem nu op zijn dijbeen. De buurvrouw kwam schreeuwend naar buiten en zei: ‹Wat is dit voor zooi?!! Ik heb alles gezien en weet wat er is gebeurd. Wat voor politie-agenten zijn jullie? Jullie vermoorden die arme jongen zowat.› En zo begon de rel. Langzaam had iedereen gehoord wat er aan de hand was en begonnen te protesteren. In de tussentijd waren de jongens van 12 en 15, die helemaal bewerkt waren met de knuppel, worstelend in de handboeien geslagen. Ik heb vergeten te vertellen dat de vader van M. (die van niets wist en z'n zoon zag bloeden) wou weten wat er aan de hand was. En wat deed die agent denk je… juist. Die sloeg op het dijbeen van die vader.»

Advocaat M. Veldman van de twee broers maakte zeer aannemelijk dat zijn cliënten inderdaad het slachtoffer waren geworden van overijverige functionarissen. Niettemin werd Mohamed vorig jaar tot twee weken voorwaardelijke gevangenisstraf veroordeeld. Volgens zijn advocaat was er sprake van een «politiek vonnis»: politie en justitie weigerden hun fouten inzake F. te erkennen en bedienden zich van kunstgrepen in het proces-verbaal. Hoe dan ook moest de schuld aan de rellen in het stadsdeel op Marokkaans conto worden geschreven. Achteraf fouten bekennen inzake de aanhouding van Mohamed F., die symbool was geworden voor de gehele catastrofe, zou daar maar contraproductief bij zijn. Wel werd buurtregisseur Jerry enkele weken na de rellen uit de buurt gehaald, bevreesd als men was dat zijn verdere aanwezigheid zou werken als een rode lap op een stier. Maar dat was toch iets anders dan het erkennen van de gemaakte fouten. Eerder hadden burgemeester en politiechefs uiteindelijk gesteld dat buurtregisseur Jerry uitstekend werk had geleverd.

Mohamed F. wenste zich echter niet neer te leggen bij zijn veroordeling. Hij ging in hoger beroep. Die zaak zou 29 mei jongst leden dienen bij het Amsterdamse hof, maar werd aangehouden tot oktober van dit jaar. Opvallend is hoeveel moeite justitie zich getroostte om verder onderzoek naar de affaire-Jerry te voorkomen. Zo mocht een nota bene door de rechter voorgenomen buurtonderzoek over de arrestatie van Mohamed en de gevolgen geen doorgang vinden, omdat dat volgens het Openbaar Ministerie tot «gevaren voor de openbare veiligheid» zou leiden. Grote delen van het proces tegen Mohamed F. en zijn broer vonden plaats achter gesloten deuren, uit vrees dat openbare behandeling de gemoederen weer bezig zou gaan houden. Die omzichtigheid leidde echter ook tot een zekere camouflage van de feiten.

Het Leidse COT-onderzoek toonde overtuigend aan dat de verslaglegging van de politie inzake de arrestatie van F. deels onjuist en onvolledig was. Het feit dat de toenmalige burgemeester Patijn en de politietop de klachten van Mohamed F. over zijn mishandeling onmiddellijk terzijde hadden geschoven, zette in de Marokkaanse gemeenschap kwaad bloed. «De uitlatingen van politiefunctionarissen en bestuurlijke autoriteiten kwamen op een moment dat de toedracht en de gebeurtenissen met geen mogelijkheid te overzien waren. Het bevestigde Marokkaanse jongeren en veel ouderen in hun opvattingen dat de overheid vooringenomen is», aldus het COT in zijn rapport.

Hoe zwaar het bij justitie en politie weegt om Mohamed F. blijvend veroordeeld te houden, blijkt wel uit het feit dat men zeer tegen de gewoonte in gebruik maakte van twee processen-verbaal. Nadat het eerste door Jerry P. en een collega opgestelde verslag van de arrestatie hier en daar ernstige gaten en verdraaiingen bleek te bevatten, kwam men met een aanvullend proces-verbaal, dat ook nog eens op zijn juridische merites bleek te zijn beoordeeld door de gerenommeerde Amsterdamse strafpleiter mr. J. Pen, die bij hoge uitzondering was ingehuurd als adviseur van de politie.

Toch zal Mohamed F. in hoger beroep waarschijnlijk worden vrijgesproken. De zaak tegen hem is gewoon niet hard genoeg. Voor zover bekend heeft iedereen in Nederland het recht om in zijn eigen straat te zitten, dus ook Amsterdammers van Marokkaanse komaf. Uit niets blijkt dat F. op enigerlei wijze de openbare orde heeft verstoord. Integendeel, alle buren van de jongen bemoeiden zich met zijn aanhouding omdat hij juist van onbesproken gedrag is.

Dat Mohamed F. februari vorig jaar toch door de politierechter werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee weken geeft te denken. Kennelijk vrezen de Amsterdamse rechtshandhavers dat vrijspraak voor Mohamed F. leidt tot verdere verheviging van de spanningen in Slotervaart/Overtoomseveld. Vandaar dat de advocaat van Mohamed F. spreekt van «een politiek vonnis». In werkelijkheid zou het justitie en politie juist sieren als men eerlijk zou bekennen dat er in de zaak tegen F. grote blunders zijn begaan. Juist in een tijd dat men zo uitbundig ten strijde trekt tegen ontspoorde Marokkaanse jeugd (volgens onderzoeken van justitie vormen de probleemjongeren ongeveer tien procent van de totale Marokkaanse jeugd) zou het de kwaliteit van de samenleving ten goede komen als men de resterende negentig procent in hun waarde laat.

Niemand zal ontkennen dat er in Amsterdam-West en andere plekken sprake is van groepjes jonge Noord-Afrikanen met uiterst zorgwekkend gedrag. Het is echter unfair om de verantwoordelijkheid voor de wan daden van deze dropouts exclusief te leggen bij de Marokkaanse gemeenschap. In vroeger tijden, lang voordat het Nederlandse bedrijfsleven in Marokko schoonmakers en lassers begon te ronselen, was er uiteindelijk ook al jeugdcriminaliteit. Maar dat rechtvaardigde toen nooit maatregelen tegen een hele buurt. Wie «integratie» bepleit, moet daar ook de benodigde randvoorwaarden bij leveren, zoals respect en redelijkheid. Anders krijgt de klacht van de Marokkaanse gemeenschap dat zij nu als geheel als een gevaar voor de openbare orde wordt bestempeld wel degelijk legitimiteit en koerst men inderdaad regelrecht af op een Nederlandse reprise van het drama in Oldham.