De leugen is mijn enige vriend

Lieve dochter, schat van me. Je hebt me gevraagd of ik voor jou eens mijn slechtste eigenschap wilde opschrijven. Je zei: ‘Ik speel dat ook met mijn vriendinnen.’ Ik zei je al dat ik dat moeilijk vond, omdat ik me heb voorgenomen niet tegen je te liegen - en ik heb geloof ik nog nooit tegen je gelogen, maar wel heb ik zaken verzwegen.

Zo vroeg je me laatst of ik wel eens was vreemdgegaan. ‘Dat zeg ik je niet’, zei ik. 'Ja dus’, zei jij. 'Ik wil het niet zeggen’, zei ik. 'Dus je bent wel eens vreemdgegaan’, zei jij. Ik heb dat toen maar bekend. Maar ook gezegd in welke problemen jij me brengt.
Ik zei je: Je hoeft niet tegen me op te kijken, maar ik wil dat je dingen van me aanneemt, accepteert en gelooft die ik zeg voor je eigen bestwil. Ik geloof dat je veel minder dingen van me gelooft en accepteert als je vindt dat ik een zak ben, die jou en je moeder in de steek heeft gelaten. Daarom wil ik graag dingen verzwijgen en pas vertellen als ik denk dat je 'daaraan toe’ bent. Ik ben niet zo voor 'openheid’ tussen ouders en kinderen; ik voel me daar ongemakkelijk bij - maar nogmaals: aan de andere kant wil ik tegen jou niet jokken. Ga dus voorzichtig om met mij - ik wil ook voorzichtig omgaan met jou.
Mijn slechtste eigenschap dus… Ik lieg veel en heb veel gelogen - en wat veel erger is: ik denk dat ik altijd zal blijven liegen.
Ik zal je vertellen waarom ik altijd heb gelogen.
Omdat ik altijd bang geweest ben, en altijd bang zal blijven.
Misschien word je later ook wel eens heel erg bang - al denk ik het niet, want misschien had ik dat dan al gemerkt. (Hoewel, oma en opa hebben ook nooit iets van mijn angsten gemerkt - dus misschien merk ik ook de jouwe niet.)
Ik was bang voor alles: bang dat ik dingen niet kon, bang dat niemand me aardig zou vinden, ik was bang dat ik vroeg dood zou gaan, ik was bang voor ziekte, bang dat ik het 'niet zou maken’ in de wereld, ik was bang voor boze mensen, ik was bang voor opa en oma, ik was bang voor oom Pieter en tante Marja, ik was bang, bang, bang - en daar schaamde ik me voor - en dus begon ik te liegen. Ik ben nog steeds voor alles bang, trouwens.
De leugen werd mijn grote vriend - ik geloof zelfs, lieve schat, mijn enige vriend. Ik had verder niemand; wie wil er omgaan met iemand die altijd liegt?
De leugen was heel aardig voor mij. En ik heb ook veel aan de leugen te danken. Ik loog dat ik een interessant leven leidde en had geleid - en daarmee kon ik vrienden maken. Ik verzon een verleden, ik verzon de ouders die ik wilde hebben. Ik verzon alles en loog dus. Een slechte eigenschap: ik ben een onbetrouwbaar mens geworden. Vooral voor mezelf. Als er iemand is die ik niet vertrouw, dan ben ik dat.
De leugen was voor mij een geneesmiddel met ernstige bijwerkingen. Of beter: het was voor mij een drug, met alle kwalijke gevolgen van dien, maar ook met alle prettige. De leugen heeft voorkomen dat ik zelfmoord heb gepleegd - en daar ben ik de leugen dankbaar voor (ik ben de leugen diep dankbaar trouwens voor alles wat zij voor me heeft gedaan), maar toch, ik heb haar te veel gebruikt - en kan niet meer terug.
De leugen heeft de dingen mooier gemaakt dan het was - en daarom ben ik ook de kunst in gegaan: om de dingen mooier te laten zijn dan ze zijn.
Je hebt me ook jouw slechtste eigenschap opgeschreven: 'Ik bel je misschien te weinig.’ Ik weet niet waarom, maar ik zou liegen als ik zei dat ik het niet heerlijk vond dat te lezen.
Dag lieverd, ik hou zielsveel van je. Bel me - alleen als je wilt.