Willebrord Nieuwenhuis

De leugenfabriek

Willebrord Nieuwenhuis, Vietnam de nooit verdwenen oorlog. Uitg. Balans, ƒ 29,50

Begonnen als correspondent in Washington en Rome stond Willebrord Nieuwenhuis tussen 1965 en 1975 achtmaal als medewerker van de nos in Vietnam oog in oog met de vijand. Sinds 1965 poogden de Verenigde Staten daar, na in de jaren veertig China te hebben ‘weggegeven’ aan de communisten, het gele gevaar tegen te houden. Anders zou heel Azië in handen geraken van Mao en diens medestanders. Nieuwenhuis, die na de smadelijke aftocht van de Amerikanen in 1975 bij NRC Handelsblad terechtkwam als chef buitenland, had behoefte aan een terugblik op zijn Vietnam-jaren. Hij schrijft erover in Vietnam de nooit verdwenen oorlog. Ja, wat deed Nieuwenhuis eigenlijk in Vietnam? Ik heb geen herinnering aan zijn uitzendingen, dus moet ik afgaan op wat hij er zelf over zegt. De toon in zijn boekje is terughoudend en deemoedig en dat wekt vertrouwen. In ieder geval was hij voor het publiek een van de grote jongens in het vak, want de mortieren vlogen hem om de oren en hij telde de lijken. Hij moet met generaals, regeringshoofden en voorlichters hebben gesproken. Nu zei dat destijds al niet zo veel, want in het corrupte Zuid-Vietnam losten die prominenten elkaar, zoals Nieuwenhuis schrijft, om de drie maanden af terwijl de Amerikaanse voorlichting een geweldig optimisme de wereld in bleef sturen. Om zijn geheugen op te frissen en om te zien wat er van Vietnam is geworden, is Nieuwenhuis naar het vroegere slagveld afgereisd. Hij heeft gesproken met voormalige tegenstanders van de oorlog en Amerikaanse journalisten die destijds wél kritisch waren. Het resultaat is nuttig, zeker voor iemand als ik, die Vietnam niet op de voet volgde. Het Handboek voor de Waakzame Journalist is het niet geworden, evenmin een diepgravend overzicht van de eerste oorlog die de VS verloren en de trauma’s die dat veroorzaakte. Wie meer wil weten, wordt achterin verwezen naar de geraadpleegde literatuur. Van zijn eigen verslaggeving in de jaren 1965-1975 heeft de journalist geen hoge pet op. Toen hij er voor het eerst naartoe ging wist hij er ‘bitter weinig’ van. Uit zijn boek krijg ik niet de indruk dat hij zich gaandeweg tot een deskundige ontwikkelde. Vietnam bleef voor hem een tussendoortje. Wel was het hem bij die korte bezoeken duidelijk geworden dat de Amerikanen het niet zouden redden. De door Washington gestuurde voorlichters kwamen na de gebruikelijke monotone propaganda met hun frustraties: corruptie, geringe politieke stabiliteit, steeds nieuwe samenzweringen onder legerleiders en politici in Saigon, de successen van de Vietcong en – niet minder belangrijk – de geringe hulp van de Zuid-Vietnamese bevolking. Er werd te weinig geluisterd naar het kleine aantal experts dat land en volk kenden. Nieuwenhuis noemt zichzelf naïef, arrogant en bovenal gemakzuchtig. Destijds hoorde ik in journalistieke kringen al verhalen over journalisten die de oorlog vooral versloegen vanuit de bar van hun hotel. Zo’n hotelreporter moet de Franse collega Lucien Bodard zijn geweest, als ik zijn In Memoriam in The Times van 7 maart 1998 mag geloven. De in China geboren Bodard schreef voor France Soir en versloeg de oorlogen in Algerije en Indo-China, maar hij meed de brandhaarden uit overtuiging en nog meer uit onwil om zijn nek te riskeren. 'Laat de feiten nooit een goed verhaal verzieken’, was zijn uitgangspunt. Ook Nederland heeft een verslaggever gehad die bloedstollende verhalen dicteerde zonder er getuige van te zijn. Toen in 1956 Sovjet-Russische tanks in Boedapest een einde maakten aan de opstand van het Hongaarse volk, berichtte Hendrik Arie Lunshof in Elsevier over de heroïsche strijd van de Magyaren. Hij deed dat vanuit een elegant hotel… in Wenen. Vanuit Boedapest belde Lunshofs hulpje Sjoerd Rodermond door wat er in de straten gebeurde. Verslaggever/fotograaf Alfred van Sprang kende geen angst en was dus wél ter plaatse in Hongarije. Hij seinde het nieuws van de interventie op 4 november 1956 als eerste door. Toen hij in 1960 overleed, heerste de televisie nog niet, dus daar had hij geen last van. Vijf jaar later was de Vietnamoorlog het eerste conflict dat door de beeldbuis zou worden gecoverd. Verder werd Van Sprang nooit gekweld door onzekerheid. Hij stond altijd aan de goede kant: tijdens de Koreaanse oorlog (1950-53) stond hij achter Zuid-Korea en Amerika, hij was tegen de rebel Loemoemba in de Kongo en vanzelfsprekend heftig tegen Soekarno. Hij werkte op het hoogtepunt van de Koude Oorlog en de communist was de vijand, zoals Amerika de onbetwiste vriend was. Zo schreef en sprak hij erover. Het vermoeden bestaat dat Van Sprang seksueel opgewonden raakte van gevaarlijke situaties en daarom in de binnenlanden van Kenia meezocht naar schuilplaatsen van Mau Mau-opstandelingen. Onze Lieve Heer heeft vreemde kostgangers en het percentage in de journalistiek lijkt extreem hoog. Amerikaanse journalisten (Nieuwenhuis noemt ze) werden geacht Amerika te verdedigen, maar gingen tijdens de Vietnamoorlog twijfelen aan hun land. Sommigen kregen moeilijkheden met de politieke redactie in het moederland, die het beter meende te weten. Op zichzelf was dit geen nieuw fenomeen. Tijdens de Hongaarse tragedie tien jaar eerder kwam een communistische journalist in aanvaring met zijn broodheer. Peter Fryer van de communistische Daily Worker (Londen) meldde wat hij zag: arbeiders en studenten die in opstand kwamen. Er zouden hele of halve fascisten onder hen zijn geweest, maar die maakten niet de dienst uit. Fryer beschreef het spontane verzet tegen een gehaat regime dat hij, in de terminologie van toen, als stalinistisch bestempelde. De 29-jarige journalist werkte sinds 1948 voor het partijblad en hij was ook in Hongarije toen in 1949 de voormalige communistische leider en minister van Binnenlandse Zaken Laszlo Rajk met een groep ‘verraders’ tijdens een schijnproces ter dood werd veroordeeld. In 1949 had Fryer nog bericht wat hij dacht dat de waarheid was. De uitvoerige en gedetailleerde bekentenis van Rajk had hem overtuigd. In 1956 liet hij zich echter niet nog eens bedriegen en zijn stukken werden niet in de Daily Worker geplaatst. Hij schreef een boek, Hungarian Tragedy, dat zijn royement uit de partij bezegelde. Fryer gaf zijn boek drie kloeke motto’s mee, citaten van Marx, Engels en Lenin over de vrijheid. Hij liep niet over naar de klassevijand, maar wilde het zuivere marxisme dienen en werd trotskist. De Britse Communistische Partij was door Hongarije een derde van haar leden kwijtgeraakt. Het boek van Fryer speelde daarbij een rol. In Vietnam de nooit verdwenen oorlog geeft Nieuwenhuis voor het juiste evenwicht krasse voorbeelden van de Noord-Vietnamese leugenfabriek. Hij zocht een voormalige sergeant/journalist op die toegaf dat hij schreef wat de commandant graag wilde lezen. De fotografen mochten geen lijken of zware verwondingen laten zien. 'De onze was immers een glorieuze oorlog. Al die propaganda nam je klakkeloos over. Vragen stellen over onze inzet, dat mocht niet. Amerikanen waren monsters en zo moest je over ze schrijven.’ In zijn boek zijn die Vietnamezen heel aardig tegen Nieuwenhuis. Hij moet zich, adviseren ze, losmaken van zijn schuldgevoelens en niet volharden in zijn nostalgie. Nieuwenhuis bekent dat geweld en spanning hem aantrokken, net als de 'snelle vriendschappen’ die je in Saigon sloot met volstrekt onbekende journalisten. Er waren altijd behulpzame collega’s. Dat kon niemand je later meer afpakken. Sommige Vietnamese gespreksgenoten wijzen hem erop dat zestig procent van de huidige Vietnamese bevolking na de oorlog is geboren en de geschiedenisboeken aan de kant heeft gelegd 'in de haast om er in de wereld bij te horen’. Dat betekent behalve een goede maaltijd met gepaneerde kalfshersenen de geavanceerde computer met het juiste merk sportschoenen. Zo overwint het Amerikaanse imperium alsnog. Het is een herhaling van wat voorgaande generaties meemaakten. Nergens anders dan in een oorlog voelt een journalist zo diep de beperkingen van zijn beroep, schrijft Nieuwenhuis. Dat wordt verergerd door de nieuwe wet dat (bijna) alles gepresenteerd moet worden in de vorm van amusement. 'Alles moet korter en inzichtelijker maar dat is een oorlog vaak niet.’ Izzy F. Stone, de kritische Amerikaanse journalist, deed de uitspraak: 'Every government is run by liars and nothing they say should be believed.’ Het citaat staat bij het hoofdstuk ‹Vietnam› in Phillip Knightleys The First Casualty (1975) over de oorlogsjournalist als held, propagandist en bedenker van mythen. Het 'eerste slachtoffer’ uit de boektitel is de waarheid. We weten nu dat beroemde oorlogsfoto’s getrukeerd of geposeerd waren. Het was met het geschreven nieuws vaak niet anders. Knightley heeft over de Vietnamoorlog al opgemerkt dat er nauwelijks deskundigen ter plekke waren. Weinig bladen hadden er een vaste correspondent. Alleen de New York Times had er in de beginperiode, toen Amerika meer en meer de oorlog werd ingezogen, permanent een man. De Amerikaanse interventie begon met het zenden van enkele honderden adviseurs naar het corrupte regime van Ngo Dinh Diem. Time-journalist John Mecklin die naar Saigon werd gestuurd om er de United States Information Service te runnen, kreeg als taak de journalisten te instrueren dat die adviseurs alléén maar adviseurs waren en dat de VS niet echt in de strijd betrokken waren. Mecklin gaf later toe: we kwamen niet met groot bedrog, wel met een eindeloze reeks kleine leugens. Toen de Amerikaanse journalisten het bureau van de voorlichtingsdienst lieten merken dat ze die leugens doorzagen, kon Mecklin alleen nog maar een beroep doen op de patriottische gevoelens van de journalisten. Het nationaal belang mocht geen gevaar lopen. De (aanvankelijke) onwetendheid loopt als een rode draad door de slagvelden en barricaden van de opstand. De Russische Revolutie van oktober 1917 (in werkelijkheid een staatsgreep) is een fraai voorbeeld. De meeste journalisten begrepen volgens Knightley absoluut niet wat er gebeurde. De revolutionairen waren gekken die hooguit een week stand konden houden. Th.H.J. Stoelinga, die in 1967 promoveerde op de reacties in de Nederlandse pers in de periode maart 1917-maart 1918, kwam tot dezelfde conclusies. Behalve bij het communistische dagblad De Tribune (oplage 4000; redactie: H. Roland Holst, W. van Ravesteijn en D. Wijnkoop) dat de omwenteling uiteraard toejuichte, had op de andere redacties nauwelijks iemand van Lenin gehoord, laat staan dat men zijn politiek program kende. Marcus van Blankenstein, de Berlijnse correspondent van de nrc, was op rondreis door Rusland toen daar in juli 1917 een, mislukte, opstand plaatsvond. Van Blankenstein zag er niet meer in dan een onbeholpen sabotagedaad van een groepje gevaarlijke anarchisten. De bolsjewieken werden elders op dezelfde manier omschreven en werden ook wel als maximalisten of jacobijnen bestempeld, wat nettere woorden waren voor geteisem of tuig. De Nederlandse kranten waren aangewezen op telegrammen en berichtgeving in de buitenlandse bladen. Pas een maand na de Oktoberrevolutie kwamen de meeste redacties tot het inzicht dat de regeringsperiode van Lenin wel eens langer zou kunnen duren dan aanvankelijk werd gedacht. Willebrord Nieuwenhuis zocht voor zijn bespiegeling in Washington zijn vroegere collega William Prochneau op die een boek schreef over de oorlog. Volgens Prochneau heeft de Vietnamoorlog de ziel uit een hele generatie Amerikanen gehaald. De zuiverheid, echtheid en onschuld gingen verloren. 'Mede door Vietnam zijn we egocentrischer geworden: de rest van de wereld om ons heen zal ons een zorg zijn.’ Tegelijk blijft op een aantal bureaus in het Pentagon de mare rondgaan dat journalisten medeverantwoordelijk zijn voor deze verloren oorlog. Anders dan in Korea en tijdens de Tweede Wereldoorlog had een aantal zich niet patriottisch opgesteld. Dat is een variant op de dolkstootlegende. De officiële geschiedschrijver van de landmacht, William Hammond, concludeerde dat het niet de artikelen in de pers of de tv-uitzendingen zijn geweest die de publieke opinie ingrijpend beïnvloedden, maar de terugkeer uit Vietnam van stoffelijke overschotten in zwart plastic. Afgedekt met de stars and stripes.