De leugenladder

De wekelijkse zogeheten filmladder in de dagbladen waarmee de verenigde bioscoopboeren aan het publiek bekend maken wat ze die week te bieden hebben, is een paradoxaal fenomeen. Enerzijds is de ladder handig en betrouwbaar. Zonder dat je er een 06-nummer voor hoeft te draaien, kun je in een oogwenk vinden waar de film die je wilt zien, draait en hoe laat de voorstelling begint. Om je te verzekeren van een plaats kun je het erbij afgedrukte telefoonnummer draaien. Tot zover een onovertroffen wonder van juistheid en compactheid. De andere kant van de medaille wordt zichtbaar als je nog geen filmkeus hebt bepaald en je je door de ladder op een idee wilt laten brengen. Dan wordt de informatieladder een leugenladder.

Nu zou je kunnen zeggen dat dit logisch is en daarmee acceptabel. De filmboer prijst zijn waar aan en die is volgens hem uiteraard allemaal van eersteklas kwaliteit. Een tweedehands- autohandelaar geloof je tenslotte ook niet op zijn woord. Maar je zou het ook anders kunnen zien. Reclamemakers voor alcohol en nicotine worden verplicht er in hun boodschappen op te wijzen dat er aan de genotwaren ook nadelige kanten zitten. Waarom zou een filmadverteerder dan wel ongestraft louter leugens mogen verkopen? Bovendien worden die leugens niet zelden opgediend als citaten uit de recensies van onafhankelijke filmcritici. Lukraak worden wat zinsneden uit besprekingen geroofd om middels onbeschaamde verdraaiingen tot wervende kreten te worden omgevormd. Deze praktijk bestaat al zo lang en is zo ingeburgerd dat het mij zelf verbaast dat ik me er nog druk om kan maken.
Maar de leugenladder is ook - en nu draait de paradox nog een slag - op een bizarre manier een leugendetector. Door het schaamteloos citeren uit de meest platte cliches die er in filmbesprekingen te vinden zijn (want hoezeer ze ook uit hun context zijn gerukt, ze staan er toch maar in) legt de leugenladder op een onthutsende manier het autistische gestamel van de dagelijkse filmkritiek bloot. Als je de leugenladder moet geloven zijn filmcritici - in veel gevallen beroepskijkers met een decennialange staat van dienst - niets gewend. Ze laten zich om de haverklap ‘verrassen’, 'overrompelen’, 'meeslepen’ of zelfs 'meesleuren’, 'aangrijpen’, 'fascineren’, 'opwinden’, 'ontroeren’ of hun 'de adem benemen’. Mannen en vrouwen die dag in, dag uit en al jarenlang filmkijken, lijken onbegrijpelijk snel van hun stuk te brengen. Volgens de leugenladder leven filmrecensenten permanent op de toppen van hun emoties. Ze lijken snel onder de indruk, royaal met hun lof: 'prachtig’, 'krachtig’, 'bijzonder’, 'schitterend’, 'inspirend’, 'aanstekelijk’, 'origineel’, 'veelzeggend’ of zelfs 'meesterlijk’. Nee, een meesterwerk is bepaald geen zeldzaamheid.
Filmcriticus, dat moet een mooi vak zijn. Permanent vervuld van heftige emoties mag je dagelijks onbeschrijflijk mooie dingen zien. Goed, iedereen kan bedenken dat de filmcriticus in werkelijkheid vooral wordt gedwongen vele uren lang te kijken naar tinnef en bagger. Dat is niet het probleem (wel hun probleem, maar niet het probleem). Het probleem doet zich voor op het moment dat een film echt verrassend is. Neem bijvoorbeeld het terecht veel geprezen alleraardigste filmpje Zusje van Robert Jan Westdijk en zijn vrienden & vriendinnen. Als je zegt dat dit een bijzondere, aanstekelijke, originele en misschien zelfs meesterlijke film is, wat zeg je dan nog? In welke bewoordingen valt nog uit te leggen dat deze film echt veel aardiger is dan alle andere Nederlandse films? Misschien wel zo aardig als een moderne Franse film of als een vlotte independentAmerikaan?Zusje is niet minder dan de absolute tegenpool van Filmpje. Alles wat in Filmpjete vet is, is in Zusjemooi dun. Fladderen in Filmpje de flappen het beeld uit, in Zusje is alles mooi met dubbeltjes dichtgekierd.
Het is te hopen dat Westdijk zich niet als Paul Ruven in het hol van Paul de Leeuw gaat wagen. Ik zag dat Dick Maas in Tuschinski bij Filmpje poolshoogte kwam nemen. Laat hij Leeuwtje in Amerikamaar maken.