De leuningen van de tijd

Bunker Hill, nulnummer. Eigen beheer, 62 blz., 315,- Millennium, tijdboek. Bezige Bij, 132 blz., 320,-
NIEUW IS niet oud. Nieuw is het tegenovergestelde van oud. Literatuur van jonge mensen dient nieuw te zijn, te breken met oude waarden en conventies. Jonge schrijvers dienen anders te schrijven. Ze dienen hun literaire voorgangers aan te vallen. Anders zijn ze niet interessant.

Zo hebben we althans geleerd te denken: wat zich als nieuw aandient, zich presenteert als ‘jong’, wordt geacht de aanval te openen op het oude, het voorafgaande. De avant-garde bestaat bij de gratie van de traditie, de mainstream waartegen het goed schoppen is.
Met het eerste Manifest van het Futurisme van Filippo Tomassino Marinetti ging in 1909 de Historische Avantgarde definitief van start. Voortaan zou de 'dynamiek van de nieuwe tijd’ een plaats krijgen in de kunst. Op doek, papier, op het dorpsplein, maar in godsnaam niet in musea of andere bolwerken van de maatschappelijke institutie kunst. Artikel tien luidde: 'Wij willen de musea vernietigen, de bibliotheken, academies van elk soort…’
Nieuwe ontwikkelingen in de literatuur (over 'stromingen’ durven we het nauwelijks nog te hebben) worden vaak in gang gezet of begeleid door tijdschriften en andersoortige clubs van schrijvers. Een literair tijdschrift is een podium voor schrijvers van een bepaald slag, al naar gelang de signatuur van het blad.
Halverwege de jaren tachtig zette De Held bijvoorbeeld de opkomst van Maximaal in gang en wist tegelijkertijd een nieuwe generatie schrijvers in het zadel te helpen. Wat later de XXIe Eeuw ging heten, publiceerde werk van aanstormende jongelingen als Martin Bril, Dirk van Weelden, Joost Zwagerman, Rogi Wieg, René Huigen, Robert Vernooy en vele anderen.
De Held - en Maximaal - nam duidelijk stelling, met een polemiek tegen de ulevellenpoëzie, de hermetische dichtkunst van Zuiderent en Faverey. Ook in het proza moest de weg worden vrijgemaakt voor een literatuur waarin de dynamiek van de eigen, moderne tijd een vooraanstaande plaats had, een literatuur vol beweging en onrust, geheel tegengesteld aan de saaie bedaagdheid van de jaren zeventig.
Sinds De Held en de XXIe Eeuw zijn er de afgelopen tien jaar nog wel nieuwe tijdschriften opgericht, maar in vergelijking met het luidruchtige, aangenaam brutale grote broertje was het op het polemische front nogal magertjes gesteld. Zo gaf zelfs Zoetermeer, toch een blad dat de dynamiek van de eigen tijd nadrukkelijk wilde volgen, expliciet te kennen niet te willen polemiseren. De redactieleden schreven liever zelf.
Dat geeft allemaal niets. Maar is er misschien iets voorgoed veranderd?
DEZE MAAND kwam er weer een literair tijdschrift bij. Het heet Bunker Hill, naar de roman Dreams from Bunker Hill van John Fante, waarin het verhaal wordt verteld van een jonge schrijver die vanuit zijn hotel op de berg Bunker Hill de literaire tijdschriften met verhalen bestookt. Geen blad dat ze plaatsen wil. Zo líjkt het tenminste, want op een dag, wanneer iedereen de moed allang zou hebben opgegeven, komt zijn droom toch uit en wordt zijn werk gepubliceerd in een echt literair tijdschrift.
Het zijn onbekende namen die Bunker Hill maken. De redactie, bestaande uit Machiel Bosman, Lolies van Grunsven, Menno Hartman, Daphne de Heer en Jasper Henderson plaatste bovendien geen eigen verhalen. Iets bekender zijn de leden van de redactieraad: Hans Goedkoop, Oek de Jong, Lisa Kuitert en Annie van den Oever. Ook het gepubliceerde werk komt deels van schrijvers die zich al bewezen hebben. In het nulnummer verzorgen Jaap Scholten, Wanda Reisel, Adriaan Jaeggi, Armand Kerkmeester en John Fante het proza. Erik Lindner, Eric Coenen, Jan Baeke, Ruben van Gogh en Victor Schiferli tekenen voor de poëzie.
Bunker Hill wil niet per se nieuw zijn, zo licht de redactie in een kort redactioneel toe. Er hoeven geen musea te worden neergehaald. Sterker nog, hier wordt juist geconstrueerd: 'Men bouwt een museum niet omdat de andere zo slecht zijn, maar omdat ze vol zijn. Of omdat er geen ruimte is voor een kunst die wel een plaats verdient. (…) Bunker Hill is een tijdschrift met gevoel voor traditie. Voorop staat het werk van auteurs dat zich, zoals na lezing duidelijk zal zijn, niet staande houdt aan de leuningen van de tijd. Het schreeuwt, klaagt en jankt niet en het wil ook niet voor alles hip zijn. Het betreft hier proza en poëzie die zo veelzeggend zijn gebleken dat ze vormelijk geen gezochte vernieuwing nodig hebben, en waaraan verrassend kijken meer ten grondslag ligt dan verrassend willen schrijven.’
Dat is ook niet zo gek. Want voor je het weet ben je een generatie. Een nieuwe generatie. Dit is immers de tijd waarin schoolkinderen van acht met rugzakken op lopen waarop voorgedrukt Generation X staat, de tijd van Pepsi, the choice of a new generation. Dit is de tijd van de grote wedloop om alles wat nieuw, jong en pril is zo snel mogelijk te gelde te maken.
MAAR WAAR IS ondertussen de literaire vadermoord gebleven? Nieuwe tijdschriften komen toch in opstand? Vuurwerk! Straatrumoer! Nieuwelingen gaan op zijn minst toch even flink tekeer tegen A.F.Th. van der Heijden en de andere bewoners van Café De Zwart? Dat, weet de jonge schrijver al te goed, wordt van hem verlangd.
Ik ben dertien jaar oud en heb net onderuitgezakt plaatsgenomen op de doorgelegen bank voor de tv in mijn kamer. Niets in mij is van plan mijn verworven territorium te verlaten. 'Hé lamstraal!’ spreekt mijn vader, 'ga eens wat doen! Jij consumeert alleen maar. Je produceert helemaal niets.’ Ik antwoord met een welgemeend: 'Kan mij het schelen?’ gevolgd door - ik voel dat er zoiets van me wordt verwacht -: 'Ga jij maar lekker burgerlijk werken en belasting betalen.’ Dát had ik beter niet kunnen zeggen, want vanaf dat moment deed de ouderlijke vriendenkring niet meer alleen de huiskamer maar ook mijn schuilplaats aan.
Ik ontvang hangend op mijn bank. Steevast zijgen de ouderlijke vrienden met lieve en begrijpende blikken naast mij neer om mij vertrouwelijk toe te spreken. 'De wereld ís ook best klote.’ 'Zet jij je maar lekker af, dat deden wij ook.’ En: 'Waarom schrijf je niet op wat je allemaal niet zint?’ Ik moet ook boeken lezen. Over ene Holden Caulfield bijvoorbeeld. Die gozer zette zich ook af.
Je afzetten omdat het van je verlangd wordt. Breken omwille van de breuk. Het is allemaal zo… zo conformistisch. Dat vindt ook de redactie van Bunker Hill. Jasper Henderson: 'Er is niets conventionelers dan de avant-garde van nu. Ze is eigenlijk zelf een verkapt l'art pour l'art geworden. In deze tijden brengt het veel meer risico met zich mee wanneer je terugvalt op de traditie. Wij zijn veel vooruitstrevender en eigenlijk juist veel avant-gardistischer dan andere jonge literaire tijdschriften.’
Een beetje laf, zo zou je het ook kunnen interpreteren, dat behoedzame credo. Henderson toont zich verbaasd: 'Het lijkt wel alsof we móeten vernietigen. We schijnen ook essays en polemieken te moeten opnemen. Maar dat willen we helemaal niet. We willen mooie literatuur bieden.’
Het in september te verschijnen eerste nummer zal wèl een manifest kennen. Daaruit moet duidelijk worden dat de redactie zichzelf niet als elitair ziet, maar - 'misschien heel idealistisch, hoor’ - 'mooie verhalen’ wil brengen die vrij toegankelijk zijn.
Wat nu verstaat de redactie onder mooi? Henderson: 'Dat is literatuur die niet alleen op vorm maar ook op inhoud is gericht. Wij vinden het niet interessant om de werkelijkheid rauw-realistisch te beschrijven zoals de Nix-schrijvers dat deden. Een verhaal over deze tijd is alleen interessant wanneer de werkelijkheid wordt geabstraheerd, wanneer ze eigenlijk boven de eigen tijd uit wordt getild. Voorts blijft literatuur natuurlijk ook voor een groot gedeelte een gevoelskwestie. Het doet je iets of niet. Wij pretenderen te weten wat goede literatuur is.’
SLAAT MEN Bunker Hill open, dan valt als eerste op dat het blad geen fratsen uithaalt met de vormgeving. Duidelijk leesbaar (en dat is helemaal niet zo vanzelfsprekend voor een jong literair tijdschrift) zijn twee 'mooie verhalen’ van Jaap Scholten (1963) en Wanda Reisel (1955) afgedrukt. In 'Een klein oponthoud’ kijkt Reisel terug op haar jeugd: 'Wij waren er van overtuigd dat onze manier van leven de enige juiste was en dat ons observeren een intensiteit en kennis met zich meebracht die ons ver boven wie dan ook verhieven. Wij waren niet minder dan Jonge Goden, en eigenlijk waren we dat ook, hoewel we gewoon Nare Klootzakjes waren. (…) Wij hebben ons altijd weten aan te passen, ons altijd weten te redden. Wij hebben ook vrienden verloren en begraven. Wij zijn ouder nu, wij genieten van Franse kazen en Chileense wijnen. Wij hebben de tijd nooit beschuldigd. Wij bezoeken buitenlandse steden. Wij reizen met treinen. Dit hier is alleen maar een oponthoud, een klein oponthoud in ons leven.’
Jaap Scholten beschrijft, de Arturo Bandini-cyclus van Fante indachtig, hoe hij erin slaagde zijn eerste boek uitgegeven te krijgen: 'In het bescheiden, regelmatige handschrift stond: Goed. Doorgaan. Dan hebben we voor het eind van het jaar een boek. Thomas Rap. Zingend draaide ik de deur in het slot.’
HET LEZEN VAN Bunker Hill is een aangename bezigheid, als was het een boek van Harry Mulisch op een warm vakantiestrand. Loom, met de hersens op halve kracht. Hoe anders is Millennium! Het blad van de kunstgroep De Lage Landen is onder de hoede van De Bezige Bij aan een tweede jeugd begonnen en verscheen twee dagen na Bunker Hill met een nieuw nummer, nog steeds niet als literair tijdschrift maar als tijdboek. Voornaamste kenmerk van de verschijningsvorm: onleesbaarheid. Bijna het gehele nummer is in kapitalen gezet. De zogenaamd hippe vormgeving behelst naast plaatjes hermetische lappen tekst. Alinea’s worden met een schuin streepje aangegeven.
Wie deze hindernis echter neemt, wordt aangenaam verrast. Dan gebeurt er namelijk iets, iets dat veel substantiëler voelt dan het lezen van zomaar een 'mooi verhaal’. Want Millennium maakt wat los. Het laat zien constant op zoek te zijn naar het wezen van de eigen tijd. Het doet pogingen vorm te geven aan de eigen obsessies. Zó voelde dat dus, de drang om te lezen over de eigen tijd.
Millennium experimenteert wat af (zo zijn er de flirt met de rap, het thema van het engagement, de poging te ontsnappen aan cynisme, dat altijd een zeker nihilisme in zich draagt) maar overal wordt de wens, de verwoede poging de eigen tijd te analyseren, voelbaar. Bijvoorbeeld aan de hand van het thema van dit nummer, hardcore, dat, zo constateert Joris Abeling, is verworden tot niet meer dan een hol predikaat ter aanduiding van de 'gezellige’ wijze waarop de bijna-eenentwintigste-eeuwer zijn vrije tijd doorbrengt.
Millennium leeft, schreeuwt het de lezer in de oren. Doe je ogen open en onderzoek! Gelukkig is Millennium daarnaast geen literair tijdschrift. Was het dat wel, dan had de redactie misschien niet zoals nu een paginagrote demonstratiekalender afgedrukt.
MOOI IS DE literaire bijdrage van Serge van Duijnhoven, de geëngageerde schrijver die toen hij zich enige tijd geleden op zijn engagement beriep, bijkans met pek en veren de stad uit werd gedragen. Van Duijnhoven zou volgens de kritiek leiden aan een 'te nadrukkelijk politiek engagement’. Eigenlijk zou hij koketteren met zijn engagement. Een beetje naar Sarajevo gaan, zèg. Wat dacht die ijdele hals wel? De rampentoerist.
Van Duijnhoven trekt zich niets aan van de kritiek en publiceert in de nieuwe Millennium met 'Boulevard Oktoberrevolutie’ rustig weer een verhaal over voormalig Joegoslavië. Há! Hij heeft het engagement tot thema gemaakt. Verrast kijkt hij toe hoe zich onder westerse ogen een oorlog ontwikkelt, hoe daarop wordt gereageerd. Hoe hij daar zélf op reageert. Daarbij spaart hij zichzelf zeker niet, bijvoorbeeld als hij stelt: 'Oorlogen zijn verworden tot red light districts waar onguur volk, soldaten en journalisten hun ronde maken langs de plaatselijke bevolking (poserend, soms zeer onbeschaamd, in naakte misère).’
Millennium zet aan tot meedenken, tegensputteren, betrokken zijn. Als een drammend en dreinend kind - 'Maar waarom dan? Waarom?’ - onderzoekt het de alledaagse werkelijkheid. Nergens nemen de millennaristen genoegen met het gemakkelijkste van alles: een vooringenomen, cynische blik.
Bunker Hill en Millennium. Voor je het weet hebben de critici weer een leuk contrast gevonden (doet het later ook altijd erg goed in geschiedenisboekjes voor eerstejaars Nederlands). Bunker Hill is dan elitair, Millennium geëngageerd. Terwijl ze met al hun verschillen juist blijken samen te komen in een poging om opnieuw te observeren, om zelf te willen kijken naar de eigen tijd en cultuur, zonder (verplicht) in dialoog te gaan met literaire vaders en moeders, opa’s en oma’s.
Drie jaar geleden signaleerde Xandra Schutte hoe bij de schrijvers van de generatie Nix (waar zij Joost Zwagerman, Rob van Erkelens, Ronald Giphart, Hermine Landvreugd, Joris Moens, Don Duyns en Erik Caspers toe rekende) het overbewustzijn en de pose tot handelsmerk zijn gemaakt: 'Ze zijn superindividualistisch, en toch positioneren ze zich, al dan niet ironisch, als lid van een generatie. Een van de pomo-schilders in Zwagermans Gimmick! stelt cynisch dat hij, als hij werkt, altijd zijn achterhoofd ziet, hij objectiveert altijd. Voor de bovengenoemde schrijvers geldt dat ook: zij zien hun achterhoofd, zij objectiveren. Zij hebben allen de neiging om met een overdosis aan zelfbewustzijn hun personages en zichzelf stevig in de tijd te verankeren.’
Daar hebben Bunker Hill en Millennium genoeg van. De wereld, zo lijken zij te hebben besloten, is groter dan het eigen achterhoofd, en haar ontdekken en begrijpen vereist meer dan het staren naar de eigen navel. Zoals in de schilderkunst een reactie kwam op het postmodernisme met de oprichting van After Nature (opnieuw leren kijken en schilderen met klassieke materialen), zo kiest Bunker Hill ervoor weer te leren observeren: verrassend kijken en schrijven met traditionele technieken. Ook Millennium weigert nog langer te objectiveren en de eigen persoon en motieven voortdurend ter discussie te stellen; dat leidt uiteindelijk tot niets anders dan inertie en nihilisme.
Met Bunker Hill en het vernieuwde Millennium lijkt er, laat in de jaren negentig, langzamerhand een jonge literatuur te ontstaan waarvan de schrijvers niet meer van zins zijn zich in de oeroude mal te laten gieten van de jongere die zijn voorouders attaqueert. Ze hebben het veel te druk met het schrijven van hun verhalen. Alsof het credo luidt, naar Nike: geen geouwehoer, just do it!