De lezer schommelt mee

ANKE SCHEEREN
DE MOOISTE DAGEN ZIJN HET ERGST
Nieuw Amsterdam, 160 blz., € 14,95

GERARD VAN HAGEN
BOUWEN DOE JE ZO!
Cossee, 238 blz., € 18,90

Flapteksten. Meestal worden ze door de auteurs zelf geschreven en doorgaans is het dan ook een veeg teken als er niet duidelijk gezegd wordt waar het boek over gaat. Zoiets als: ‘Een tragikomische familieroman over oorlog, kunst, vriendschap, over het absurde van de liefde, met een cynische blik op de maatschappij, dat tegelijk een loflied van een generatie is.’ Wat? Als de schrijver zelf al niet kan beslissen waar zijn boek over gaat, hoe moet de lezer er dan achterkomen?
Twee opmerkelijke flapteksten, van twee verschillende debutanten. Op de flaptekst van Bouwen doe je zo! van Gerard van Hagen (1958) wordt zo ongeveer het hele verhaal prijsgegeven maar niets gezegd over de personages. Die van De mooiste dagen zijn het ergst van Anke Scheeren (1982) excelleert in vaagheid, zowel over de hoofdpersoon als over het verhaal. ‘Lena Fernhout is vierentwintig, filosofiestudent en niemands geluk. Toen Lena nog haar moeders geluk was, leerde ze groot te denken (…) maar wat als de wereld ineens veel kleiner blijkt dan gedacht?’
De mooiste dagen zijn het ergst gaat over rouw en familiebanden. Lena is wat ontheemd – ze woont in een kleedkamer van een leegstaande sporthal – en wanneer haar moeder overlijdt, wordt haar leven wel heel eenzaam. Haar vader heeft ze nooit gekend, de band met haar broer is afgezwakt, de relatie met haar vriendje is vaag. Ze zal zichzelf aan haar nekvel omhoog moeten trekken, niemand die het voor haar doet.
Welke keuzes maakt Scheeren? Ze kiest ervoor haar zware thema’s lichtvoetig te behandelen en de tragiek niet te zoeken in de grote gebaren, maar in de kleine dagelijkse dingen. Dat lukt haar; ze weet steeds een beeld te vinden dat Lena’s gevoel illustreert. Gezelschapsvoedsel (roomsoesjes) dat onaangeraakt blijft, rubberen eendjes die voor een experiment in de oceaan gedumpt worden en eenzaam ronddobberen.
Toch werkt die keuze vaak tegen haar. Ze doet zozeer haar best om de dingen des levens onnadrukkelijk te benoemen dat het allemaal wel heel erg in het luchtledige blijft. De roman is bezaaid met grapjes, meninkjes, observatietjes; het is allemaal zo klein, en nergens kom je iets echt origineels tegen. De mooiste dagen zijn het ergst is een debuut en dat merk je aan het vaak onhandige proza. De ene keer lopen de zinnen en metaforen lekker – ‘Met z’n drieën kijken we naar de bomen op het plein die door elkaar geschud worden alsof het slechte kinderen zijn’ – maar vaker lopen ze stroef: ‘Mijn moeders handen waren niet zacht, ze hanteerde de borstel zoals de samoerai het zwaard.’
Bedoelt ze dat de borstel door haar haar schiet als een vlijmscherp zwaard door een uitgestoken nek? Bedoelt ze daarmee ruw en meedogenloos? Of bedoelt ze dat haar moeder, zoals de Japanse meester-krijgers, de borstel hanteert alsof het een kunstvorm is?
En: als je zoals Scheeren nog in de twintig bent, dude, dan is het wel echt totaal suf om Herman van Veen te citeren.
Het gekke is dat ondanks de schoonheidsfoutjes het Scheeren wel lukt een personage op papier te zetten met wie je gaat meevoelen – toch een van de moeilijkste dingen in de literatuur. Lena schommelt heen en weer tussen overrompelende moedeloosheid en de hoop er nog iets van te kunnen maken. De lezer schommelt met haar mee en hoopt op het beste.
Gerard van Hagen schommelt niet, zijn roman Bouwen doe je zo! is concreet als beton. Het gaat om de collega’s Ko en Daniel die een pand verbouwen aan de Keizersgracht. Achter in het boek staat een verklarende woordenlijst; begrippen als sporenkap, triglief, wimberg, tencopal en ojief worden uitgelegd, sommige met tekeningetje. Dat lijkt een gimmick, dat is het niet. De roman bevat eindeloze technische passages over planken die op maat moeten worden gezaagd, of over doorlekplekken op hardboard voorzetwandjes. De Rob & Nico zijn Daniel, de aannemer en Ko, zijn uitvoerder. Ko is een doener, Daniel een dromer, en als ze een verbouwing moeten regelen voor een woongroep die het over niet één beslissing eens kan worden, dreigt het op een fiasco uit te lopen.
Maar wat is dit voor een boek? De flaptekst verklapte zo ongeveer al de halve plot, maar in dit geval is dat handig. Het duurt een goeie zestig pagina’s voordat je überhaupt door hebt waar de roman over gaat. Elke keer als er een nieuw personage verschijnt, wordt de hele levensgeschiedenis verteld (‘Nel deed in 1968 eindexamen en mocht van haar gereformeerde ouders Nederlands gaan studeren in Amsterdam…’). De mannen zijn stuk voor stuk geestige droogkloten, hun omgang is een en al bedoelde en onbedoelde lulligheid, maar je kunt geen bladzijde lezen zonder bedolven te worden onder scènes over timmeren en metselen. Alsof dat het enige was dat Van Hagen interesseerde. Is dit een boek voor bouwvakkers?
Het maakt het boek stroef, alsof een redacteur het hoognodig eens zou moeten polijsten, of misschien zelfs schulpen (‘hout met de nerf mee zagen, in de lengte dus’).