Abdelkader Benali in Beiroet

De Libanees bestaat niet

Libanon wordt door buitenlandse krachten langzaam van zijn wilskracht en leiders beroofd. Straks rest er niet meer dan een land zonder eigenschappen.

BEIROET – Geen auteur die mij tijdens de gesprekken met de Libanese intelligentsia zo vaak te binnen schiet als Robert Musil, de Oostenrijkse schrijver van De man zonder eigenschappen. Na twee weken van ontmoetingen en driftig kranten lezen realiseer ik me dat de ingenieuze Oostenrijker zich in het huidige politieke klimaat van Libanon als een vis in het water zou hebben gevoeld. Elke beslissing die hier wordt genomen is bedoeld om een echte beslissing uit te stellen. De partijen verkeren in een Byzantijnse verstrengeling met elkaar en de uitgesproken intenties hebben een uiterste houdbaarheid van een dag. Vijftien jaar geleden is besloten de taal van de wapens, zo helder en tot bloedens toe concreet, in te wisselen voor die van een ongemakkelijke dialoog, in de wetenschap dat ook die vorm op een dag ingeruild kan worden voor iets wat de partijen beter ligt. Hier hangt verandering in de lucht: een transitie van de oude machtsvormen (gebaseerd op een eeuwenoude feodale clanstructuur die het land dan wel geen eenheid maar wel vorm gaf) naar een nieuwe fase waarvan niemand weet hoe die eruit zal zien omdat die voor het grootste gedeelte ergens anders wordt georkestreerd, namelijk in Damascus, Bagdad, Teheran en Washington.
Als we veronderstellen dat dit deel van de Arabische wereld in de verte op het Oostenrijks-Hongaarse rijk lijkt, dan is Beiroet zijn Wenen, waar de burgers zich ook geconfronteerd zagen met een imperium dat geen basis meer had en waarin alles aan het schuiven was terwijl de make-up van de façade langzaam maar zeker begon los te laten.
Ideeën over democratie, Syrische inmenging, Hezbollah en kunst overwoekeren Beiroet, net zoals Wenen overwoekerd werd door theorieën over de wereld, de maatschappij en het individu. Musil bracht die haarscherp onder woorden. Ook Wenen was een ideaal terrein voor het spel van theorie en werkelijkheid, van hersenspinsels en vluchten in de kunst.

«Weet je dat de Iraniërs op 14 februari een schaap gaan klonen? Ze noemen het beest Martelaar van de Wetenschap.»
Rajah, donkerbruin haar, opgewekte ogen, soms een grimmige lach, is terug uit New York, waar ze enige tijd als curator heeft gewerkt. We drinken koffie. De laatste keer dat we elkaar zagen was tijdens een literaire ontmoeting, ook in Beiroet.
«Het gaat me niet lukken om op Manhattan de eindjes aan elkaar te knopen», vertelt ze in café Prague in de wijk Hamra, waar de jonge Libanese kunstenaars elkaar treffen, ervaringen uitwisselen en de laatste projecten bespreken. «Ik houd niet van de zelfingenomenheid van Brooklyn. Daarom ben ik maar weer hier gekomen.»
Rajah is de dochter van een Palestijn («hij leeft in zijn eigen wereld») en een Libanese. Ze is druk in de weer met het organiseren van een filmfestival in het prestigieuze Lincoln Centre in New York dat geheel gewijd zal zijn aan de Syrische film. Haar laatste kunstje voordat ze hier gaat wonen.
Heeft men daar interesse voor?
Rajah:
«Jazeker, maar niet zo veel dat ik er kan blijven. Ik woon in een muizenhol. Beiroet is voortaan mijn plek.» Ze zou graag naar Spanje willen, maar laat veel afhangen van de situatie hier ter plekke. «Ik heb een macaber voorgevoel, er gaat iets geks gebeuren.»
In het café begroet ze aan de lopende band vrienden. Vriendschappen in deze kringen zijn hecht. Eenmaal met elkaar bekend komt men elkaar over de hele wereld tegen. Elke keer wordt de nieuwe staat van het land doorgenomen om er in woord en beeld verslag van te doen voor een overwegend westers publiek. Elke kunstenaar is zich terdege bewust van zijn marginale positie in de samenleving. Maar daar lijkt men niet onder te lijden, men schept er zelfs behagen in dat men geen rol van betekenis speelt. Men koestert zichzelf als koningen in een zelfgecreëerd artistiek universum waar de diverse confessionele achtergronden zich met elkaar vermengen. Deze oase in de gespleten stad ligt verspreid over een aantal cafés en restaurants die zich op loopafstand van elkaar bevinden, al neemt de gemiddelde Libanese kunstenaar ook voor dat tripje graag de auto.
Het discours laat ondanks de soms lichte ironie een gevoel van droefheid achter. Je zou hardop willen lachen, de kriebels krijgen. Maar de situatie geeft weinig reden tot lachen. De humor is geladen zonder dat de kunstenaars hun menselijkheid verliezen. Toch danst men elke avond in Barometer, een Palestijns restaurant en de verzamelplaats van intellectuelen, gedisciplineerd de pannen van het dak.
We nemen een taxi naar de benedenstad om in Virgin wat muziek en films in te slaan. Rajah raadt me een film aan over de burger oorlog. «Ter voorbereiding.» Buiten in het nieuwe centrum ruikt het nog een beetje naar oorlog. Op straten en pleinen lopen militairen rond, voor het huis van parlementariërs en de minister-president staan de onvermijdelijke escortes. Rajah moet weg. «Ik heb een afspraak met de maker van die film die je net hebt ge kocht.»
Ik ben niet ver van het plein waar op 14 maart de Libanezen gingen demonstreren op een manier die ongekend was in het Midden-Oosten. «Sindsdien is de beweging van de 14e maart gekaapt door de partijen», zegt Toni, een architectuurdocent en uitstekend essayist met een Grieks-orthodoxe achtergrond. «Maar wat daar gebeurde, wat je er ook van vindt, was een teken dat men dus wel met elkaar door één deur wil», zegt hij een paar dagen later in een Armeens restaurant, sigaret in de ene hand, aansteker in de andere. Hij knabbelt aan ge brande ravioli, een Armeense specialiteit. Hij zegt alles met zo’n overtuiging en flair dat je hem onmiddellijk wilt geloven, deze jongen die met zijn intellectuele voorkomen, bril en zelfbewustzijn alles behalve een man zonder eigenschappen is. Ik vraag me af of ik die man zonder eigenschappen zal tegenkomen. De man die niets te vertellen heeft, die zelf geen centrum meer heeft, die op handen, voeten en ellebogen uit de burgeroorlog is gekropen, een ervaring die zijn identiteit en blik op de wereld heeft bepaald. Een ervaring, volgens Toni, «die we, ondanks het feit dat we doen alsof, nog steeds niet hebben verwerkt».
Buiten staat een tank, daarnaast een jongeman die rookt en naar een passerend escorte kijkt. «Stop Sadness», schreeuwt een sigarettenreclame. Het geheel wekt de indruk van een land dat op alles is voorbereid. Maar wie de vindingrijkheid heeft gezien waarmee de aanslagen worden gepleegd (heeft er ooit iemand gekeken naar het mechaniek dat nodig is om mensen op te blazen?) krijgt het gevoel dat al die bescherming hol is. Ze is als de façade van de grootse viering van het Oostenrijks- Hongaarse imperium door de keizer: een zinloze onderneming om de Duitsers de loef af te steken terwijl het land allang zijn vorm was kwijtgeraakt – het uitgangspunt van Musils Man – maar nog niet wist dat het een paar jaar later met het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog niet meer zou bestaan.
Bescherming is in Beiroet een soort window dressing. Met Kerstmis houdt een half peloton militairen of agenten een oogje in het zeil voor de maronitische kerken. Niets kan de wederkomst van het kindeke Jezus, in het Arabisch voorzegd, in de weg staan.

Aan het sektarische geweld mag door het aflopen van de burgeroorlog, formeel opgetekend in de akkoorden van Taif, een einde zijn gekomen, nog altijd maakt Hezbollah in het zuiden de dienst uit. Hezbollah heeft dan wel ziekenhuizen gebouwd en andere voorzieningen getroffen voor haar mensen, maar de wapens heeft ze nog niet neergelegd, zoals VN-resolutie 1559 verordonneert. 1559 is het meest gehoorde getal, net als dat feestjaar van het imperium in Musil.
Hania, uit een sjiïtische familie in de Bekaa, is danseres en organisator van filmfestivals. «Hezbollah is een staat in een staat. Je mag in het zuiden niets doen. Niet dansen, geen muziek, zelfs de stem die je uitbrengt wordt voor je ingevuld. Het is om misselijk van te worden.»
Sjeik Nasrallah, de geestelijk leider, weet zich gesteund door Syrië en wijst voor de verantwoordelijkheid voor de aanslag op Hariri in de richting van Israël. Hij heeft sterke aanwijzingen, maar kan die niet onderbouwen. Hij wordt op televisie met Sidi aangeduid, een eretitel die iets magisch moet inhouden. De volgende dag wordt zijn statement druk becommentarieerd in de kranten.
Hezbollah is een macht om rekening mee te houden, maar wordt de laatste tijd vooral als een pain in the ass gevoeld. Hezbollah heeft de Israëliërs teruggedreven, een buffer voor elkaar gekregen. Maar de banden met Iran (Hezbollah is de longen waar Iran door blaast) en Syrië maken haar op z’n minst verdacht. Het is ongemakkelijk eten met zo’n stug familielid.
Iedereen is het erover eens dat met Syriërs niets mis is. «Ze zijn net als Libanezen», zegt een druzische vriendin, «alleen missen ze de mediterrane component.» Hassan, een kunstenaar, is wat sterker in zijn afkeer van de Syrische inmenging. Als ik hem begroet met «sjloenek» (hoe gaat het) zegt hij dat ik dat niet moet zeggen. «Dat is zo Syrisch.»

Libanon heeft een jaar van politieke moorden achter de rug waaraan de Romeinse consuls een puntje hadden kunnen zuigen. Het begon in februari met de aanslag op Rafik Hariri, opgeblazen in het nieuw uit de grond gestampte centrum. De op 12 december omgebrachte Gebran Tueni, voormalig hoofdredacteur van de Arabische krant AnNahaar, parlementslid en de scherpste criticaster van de pax Syriana, is voorlopig de laatste in een rij. Vlak voor nieuwjaar klapt een voormalige vice-president van president Assad op de Arabische zender Al Arrabiya uit de school over de medeplichtigheid van het Syrische regime aan de moord op Hariri. De dader is aangewezen, de cirkel is rond.
Tueni op zijn beurt was ook niet geliefd, een maroniet die in de oorlog aan de verkeerde kant stond. Nu is hij een martelaar van het vrije woord. Zijn posters overwoekeren de stad. «Het verschil tussen licht en duisternis: het woord» staat er onder zijn Lenin-achtige foto in het Arabisch.
«Ik heb nog in de klas gezeten met Tueni», zegt Ghassan, een regisseur. «Ik mocht hem niet. Hij kwam uit een progressieve familie, maar was op zijn veertiende al rechts. Nu is hij gestorven omdat hij zich tegen de Syriërs keerde.»
Wat was zijn kracht?
«Zijn scherpe tong. Hij schreef zoals hij sprak.»
Ondertussen duurt het onderzoek naar de toedracht van de moorden voort. Maar internationale betrokkenheid, gevraagd door de op positionele krachten die willen dat minis ter-president Lahoud aftreedt vanwege zijn banden met het Syrische regime, heeft niet kunnen voorkomen dat het doden voortduurt. Het Detliv Mehlis Rapport, dat in opdracht van de Verenigde Naties werd opgesteld, dringt erop aan de Syrische betrokkenheid onder de loep te nemen. Syrië van zijn kant fulmineert via de officiële kranten tegen de Libanese slippendragers van het Westen en de renegaten die Syrië in hoog tempo afvallen. Het is de kramp achtige brul van een oude stoffige leeuw die zijn kunstjes nog lang niet is verleerd. Maar wat een geraffineerde leeuw is het! Het Syrische regime waarschuwt druzenleider Jum blatt. Jumblatt heeft zich uit voorzorg terug getrokken in zijn familieburcht in de Shouf, het gebergte dat van oudsher wordt gedeeld door druzen en maronieten. Hij komt er voorlopig niet uit. Tegelijkertijd probeert hij een coalitie te vormen van sjiïeten en druzen om de druk op Syrië op te voeren.

Stoot een Libanees aan en er rolt politiek uit. Iedereen is zo beleefd om zijn of haar inzichten te geven. Op bezoek bij een druzische familie vertelt de vrouw des huizes dat ze verwacht dat de Amerikanen iets gaan doen. Wat Duitsland was voor Oostenrijk-Hongarije, is Amerika voor dit deel van de wereld. Amerika is de man met alle eigenschappen, een gevaarlijk soort hier. Ik begrijp dat het een wens is, een paar uur voor kerstavond geuit. «Het Syrische regime kan dit niet al te lang volhouden», zegt de vrouw. «Het gist er. Iemand moet de integriteit van Libanon kunnen waarborgen.»
Maar heeft Amerika zijn handen niet vol aan Irak?
«We zullen zien», zegt ze. «Wat mij betreft mogen ze komen.»
En Iran? Houdt dat Amerika niet meer bezig?
«Amerika heeft Iran onder de duim», zegt haar echtgenoot en schept me weer bami op.
De Libanees bestaat niet. De Libanees is een uitvinding van de Fransen die dit land uit de Ottomaanse erfenis sneden en er een politiek stelsel voor verzonnen waarbij elke sekte een inbreng kreeg. Een maroniet als president, een soenniet die de rol van premier vervult en een sjiïet als voorzitter van het parlement. De republikeinse droom toegepast op een tribale samenleving. De verhouding is gebaseerd op de verhouding van de geloofsgroepen in Libanon ten tijde van het mandaat. Die verhouding is al jaren veranderd, maar om het machtsevenwicht niet te verstoren worden er geen statistieken bijgehouden. Statistisch gezien zouden de moslims hier nu de baas moeten zijn, maar statistiek is voor de dommen. Dit is een wereld die van belangen en deelbelangen aan elkaar hangt, waar het establishment onderling zo innig verbonden is dat het iets heeft van een Siciliaanse familie waarin openstaande rekeningen aan de orde van de dag zijn.
«Bij de begrafenis van Gebran Tueni stond het hele establishment vooraan en je kon niet meer onderscheiden wie bij wie hoorde, zo verstrengeld zijn daders en slachtoffers met elkaar», zucht de vrouw des huizes vlak voordat ik vertrek. «Je zou hier een tijdje moeten komen wonen. Nergens tref je dit aan.»
Een deel van de aantrekkingskracht van De man zonder eigenschappen ligt voor de Libanese intelligentsia in de vlucht die in dit boek op ingenieuze wijze de hopeloze staat spiegelt waarin het politieke establishment zich bevindt: een reus op lemen voeten die niet meer weet waar hij het zoeken moet.
Regisseur Ghassan komt met Musil op de proppen als we over literatuur praten. «Ik heb er op dit moment houvast aan. Natuurlijk heb ik hem lang geleden gelezen, maar hij heeft altijd de zaken onder woorden gebracht die ik hier meende te voelen. Het gevoel dat we midden in een schijnvertoning zitten.»
Tussen Kerstmis en oudjaar doen de mensen hun boodschappen alsof niet zozeer de dood maar het geld ze op de hielen zit. Voor de restaurants staan zware bolides. Binnen fonkelt het bestek, ligt de foie gras zwaar opgemaakt te wachten en dragen de parkeerwachters de geglobaliseerde versie van de kerstmanmuts. Ze houden de schijn op van een witte kerst, waarvan dit jaar overigens in de bergen wel sprake is. Door Beiroet zelf waait een koude, snerpende wind. In restaurant Le Entrecote zit de jeugd van de glitterati. Ze kunnen zich het vaste menu van salade en entrecote van omgerekend dertig euro per persoon veroorloven.
Ze roken zoals ze volgens de laatste mode behoren te doen. Armeniërs, maronieten, Grieks-orthodoxen, sjiïeten en soennieten mengen net zo makkelijk met elkaar als de ingrediënten van het voor hun neus staande gerecht. Voor een buitenlandse toeschouwer is er dan ook geen verschil. De conversatie is licht en gaat nergens specifiek over. Het is nu tijd om feest te vieren. Als ze uitgegeten zijn, trekken de gasten naar een van de nachtclubs waar men eenzelfde bedrag kan uitgeven aan wijn en vermaak. Voor hen, met de rug naar de stad gezeten, lijkt de wereld ver weg. Toch weten deze jongens dat elke familie wel een slachtoffer van de burgeroorlog te betreuren heeft. Het lichte geklets is bedoeld om de wonden te bedekken. Je zou er het ideaal van de multiculturele droom in kunnen zien, als de opzichtige mode niet zo’n pijn aan de ogen deed.
Ghassan de representatieve Libanees noemen, is tegelijkertijd terecht en onterecht. Hij is geboren in Dakar, spreekt met zijn vader Wolof, een Afrikaanse taal, en heeft een deel van zijn leven in Parijs gewoond. «Tijdens de oorlog moest ik op een dag schuilen voor scherpschutters. Voor mijn ogen was op straat een man neergeschoten. Ik vluchtte de straat in. In een hoek lag ik met een mij volledig onbekende twaalf uur lang te kijken naar die man die stervende was.» Hij heeft een film gemaakt, Terra Incognita, over de jonge generatie van na de oorlog die haar draai volstrekt niet weet te vinden. Doelloos staan ze in de cafés, doelloos proberen ze thuis te raken in iets wat nooit heeft bestaan. Het is meer dan verveling, het is verdriet om de verveling. Het centrum is zoek. Het is een film over Ghassan zelf, die van zijn bronnen geen geheim maakt: «Ik ben teruggekomen naar Beiroet omdat ik het gemakzuchtig begon te vinden om vanuit Parijs te werken, alhoewel ik daar over privacy beschik.» Hij zit dagelijks in café Prague en ontmoet daar acteurs en vrienden. Nu komt hij bij van de montage van zijn derde film. «Elke vier jaar een nieuwe film. Het is moeilijk om hier films te maken. Deze laatste kent geen dialoog. Het zijn beelden. Nog ontoegankelijker.»
Ik vraag me af waarom men in een stad die schreeuwt om duiding en betekenis, waar de open plekken zo veel overlaten aan mogelijke verbeelding, kiest voor impliciete oordelen. De personages in zijn film kiezen ervoor om de stad te helen door middel van een architectonisch futuristisch plan voor een Beiroet waar iedereen verbonden is met iedereen. Dat de bedenker ervan uren alleen achter de computer doorbrengt, verstoken van elk contact, maakt het schrijnend. De gids langs culturele pleisterplaatsen in de film duikt om de haverklap met een andere man het bed in. Haar bed is het decor van een oecumene die de verschillende religies niet voor elkaar krijgen.
Als de film is afgelopen loop ik nog een stukje door Hamra, de commerciële wijk. Deze stad wordt verwarmd door verschillende zonnen tegelijkertijd. Als de nacht valt, is er maar één vorm van kou. Kou is een vorm van pessimisme. De kou zal zich nog wel even voortzetten, zo is de verwachting.
«Amerika zou onze zaak moeten behartigen, maar trekt zijn handen ervan af in ruil voor een dirty deal met Syrië. Libanon gaat het verliezen», zegt Ghassan. Niemand ziet in Amerika een echte vriend. Maar de vijand van jouw vijand wordt je vriend, zo simpel is het.
Libanon is een land dat aan zijn lot is overgelaten, een speelbal in een groter krachtenspel die zich langzaam maar zeker in een dode hoek getrapt voelt worden. Een land dat langzaam van zijn oriëntatie, wilskracht en leiders wordt beroofd totdat er niets anders meer rest dan een land zonder eigenschappen.
Ik moet weer naar huis. Buiten wacht mijn auto. «Je moet terugkomen en langer blijven. Dan ga je het zien.» Ik herinner me dat iemand me dit heeft gezegd, maar wie dat was, kan ik me niet meer voor de geest halen.