De Libische manier

De opstand, burgeroorlog, catastrofe in Syrië is het tweede jaar ingegaan, met op de televisie nog altijd dezelfde beelden van stadswijken die als fonteinen de lucht in gaan, de demonstraties en gevechten, de lijken en dan altijd weer de zelfverzekerde, onberispelijk geklede, glimlachende president Assad.

Hij presideert nu ook over meer dan tienduizend doden. Zelden zal de internationale gemeenschap zich van dag tot dag zo zorgvuldig op de hoogte hebben kunnen stellen en met zorgvuldig gehandhaafde daadwerkelijke onverschilligheid de afstand hebben bewaard.

Wat zijn daarvan de oorzaken? Ten eerste is het Westen na de slepende deconfitures in Irak en Afghanistan niet meer bereid zich in het volgende overzeese avontuur te storten. De publieke opinie zal zich heftig tegen zo’n onderneming verzetten, en zeker in dit verkiezingsjaar kan Obama zich dit niet veroorloven. Ten tweede hebben Rusland, China en Iran zich steeds tegen interventie verzet, een extra complicatie. En ten slotte vormden de opstandelingen geen duidelijke eenheid; het was een onoverzichtelijk conglomeraat van stammen, belangengroepen en misschien godsdienstige fracties. Deze algemene situatie zal Assad de overtuiging hebben gegeven dat hij de langste adem had.

Daarin lijkt nu een begin van verandering te komen. Kofi Annan, voormalig secretaris-generaal van de Verenigde Naties en nu afgezant van de VN en de Arabische Liga, heeft een plan ontworpen dat voorziet in een overgangstijd naar een werkelijke vrede. Hoe die er in de praktijk uit zou moeten zien, weet nog niemand, maar na een jaar van bloedbaden moet je zulke wonderen niet verwachten. De regeringstroepen zouden zich uit de steden moeten terugtrekken, politieke gevangenen vrijlaten en een gesprek met de oppositie beginnen. De voortgang zou door de VN worden gevolgd. Om te beginnen zou dagelijks een staakt-het-vuren van twee uur worden afgekondigd, wat zou betekenen dat het verzet even tijd kreeg om te ravitailleren en gewonden te verzorgen. Een minimale tegemoetkoming want door een jaar burgeroorlog is het land totaal ontwricht. Tot dusver leek dit niet meer dan een lijstje met vrome wensen, maar het zou de overgang naar een ander regime kunnen vergemakkelijken, op den duur. Nu nog niet.

In Istanbul hebben dit weekeinde de 83 landen die zich ‘Vrienden van Syrië’ noemen vergaderd. Ook veel min of meer theoretische solidariteit met de opstandelingen, maar ook substantiële besluiten. De Vrienden hebben de rebellen, die zich nu het Vrije Syrische Leger noemen, soldij beloofd. Daarvoor hebben de Arabische Golfstaten honderd miljoen dollar beschikbaar gesteld, en de Amerikaanse regering legde daar nog eens 25 miljoen bij. Feitelijk een economische inmenging. Minister Hillary Clinton zei verder dat Amerika de opstand gaat steunen met digitale apparatuur, nachtverrekijkers en dergelijk materiaal. Is dit het begin van de feitelijke steun? Misschien een nieuwe fase in de trage ontwikkeling naar solidariteit door gewapende interventie. Maar wapenleveranties blijven nog altijd taboe, al tonen Saoedi-Arabië en Qatar nu tekenen van bereidheid. Tekenen, daar schiet je in Homs nog niets mee op.

En toch, misschien heeft dit trage proces het begin van een resultaat. Het is mogelijk dat de besluiten van de conferentie in Istanbul een geloofwaardige druk op de vredesvoorstellen van Annan hebben gezet. Assad toont zich plotseling ontvankelijk voor de vredesvoorstellen. Hij wil zijn militairen uit de steden terugtrekken en binnen 48 uur een wapenstilstand bereiken. Of uiterlijk op 10 april. Niets is zeker in Syrië. Vandaar dat de internationale gemeenschap zich afvraagt wat de nieuwe bedoelingen van Assad kunnen zijn.

Na meer dan een jaar moordende burgeroorlog is een toestand die de naam vrede verdient niet meteen bereikt. De rebellen hergroeperen zich. Er komen schendingen van de wapenstilstand. De partijen geven elkaar de schuld en voor de VN het weten is de strijd hervat. Assad heeft de aarzelingen van de internationale gemeenschap herkend. Het ontbreekt deze vrienden van het Vrije Syrische Leger aan de wil om verder te gaan dan de nu verleende, grotendeels vrijblijvende steun. Hij legt de verantwoordelijkheid voor de schendingen van de wapenstilstand volledig bij de rebellen, en de volgende avond zien we op tv het volgende bedrijf van de moordpartij.

De internationale gemeenschap wordt boos, zint op betere maat­regelen en dan herinnert iemand zich hoe in Libië kolonel Kadhafi ten val is gebracht. Met consequente luchtsteun aan de rebellen, en zonder dat ook maar één vreemde soldaat daar voet aan de grond heeft gezet. Onze luchtmacht heeft er ook nog aan meegedaan. President Obama vond er een naam voor: leading from behind. Het is redelijk goed afgelopen. Libië zien we niet meer op de televisie.

Zou het in Syrië ook zo kunnen gaan? Dan moeten we eerst tot de conclusie komen dat de internationale gemeenschap met deze halve maatregelen op de verkeerde weg is omdat Assad zo met het scenario voor het volgende bloedbad wordt bediend. Interventie met grondtroepen is uitgesloten. Misschien gaat het op de Libische manier.