De liefde als lek

Juan Filloy, Op Oloop. Uit het Spaans vertaald door Arie van der Wal. Nawoord van Mempo Giardinelli. Uitgeverij Coppens & Frenks, 266 blz., f54,90.
Coppens doet mooie dingen voor de literatuur. Wat grotere uitgeverijen niet kunnen of durven, geeft hij uit - alle verhalen van Pirandello, titels van Hedayat, Ungar, Prokosch, Arlt - en dat ook nog eens in gebonden uitgaven. Dit keer een roman van de zojuist honderd jaar geworden Argentijn Juan Filloy; een wereldprimeur, want het is van de vijftig titels die Filloy heeft geschreven de eerste vertaling.

Op Oloop, genoemd naar de hoofdpersoon van de roman, dateert van 1934 en werd in eigen land pas in 1967 regulier uitgegeven. Dat geldt ook voor ander werk van hem, dat tot dan toe alleen bij enkelen bekend was - bij Cortazar die zijn naam in Rayuela noemt; Borges heeft hem persoonlijk gekend, maar die was wel vaker zuinig wanneer het om openlijke waardering voor naaste collega’s ging.
Naar de reden van Filloy’s publieke onbekendheid laat zich raden, een afzonderling was hij zeker niet, al bewoog hij zich als rechter in Cordoba in de marge van de literaire wereld. Op Op Oloop afgaand lijkt mij zijn werk, hoe barok ook van taal en beelden, niet uitzonderlijk moeilijk. Lichtelijk krankzinnig is dit boek wel, net als de hoofdpersoon, de 39-jarige statisticus die zijn leven lang met getallen en rationale middelen elke opwelling van hartstocht heeft weten te reguleren; wanneer hij door de liefde van slag raakt, wordt hij overspoeld door alle verdrongen emoties.
Deze ene dag uit het leven van een beschaafde hoerenloper wordt in de loop van de twintig uur dat Oloop wordt gevolgd de dag en zelfs de laatste dag. Om elf minuten voor zes in de ochtend springt hij uit het raam, na enkele afscheidsbrieven te hebben geschreven alsmede een testament, waaronder hij voor het eerst en het laatst zijn voornaam voluit schrijft: Optimus Oloop - ‘Hier rust Op Oloop. Niets was zwaar voor hem behalve de liefde. Daarom hield hij zo van vrouwen van lichte zeden.’
Oloop was tot nu toe de methode in persoon, maar tegen de ondoorzichtige strategie van het toeval is ook hij niet bestand. Zijn liefde voor de dochter van een Finse triplexhandelaar, nicht van de Finse consul, wordt een lek in zijn bestaan. In de pathetische trance die zich van de rationalist meester maakt, manifesteert zich een psychose a deux. Twintig pagina’s lang verzinken Oloop en zijn verloofde Franziska in de wereld van het vlees, een vereniging in de taal van het instinct - Filloy kende zijn Freud -, maar het bijzondere van deze 'liefdestransfusie’, in de vorm van een innerlijke dialoog, is dat de een in haar bedje thuis ligt en de ander bewusteloos op een bank in de botanische tuin.
Terug in zijn lichaam maakt Oloop zich op voor het banket dat hij later die avond aanricht voor een zestal vrienden: een gecultiveerde pooier, het hoofd van de gezondheidsdienst, de commissaris van de luchtvaartdienst, een geluidsingenieur, een eeuwige student medicijnen en een voormalige duikbootkapitein. Dit banket biedt Filloy een mooie gelegenheid alle registers van zijn stilistische en parodistische kunnen open te trekken in even geestige als erudiete disputen, monologen van de minzieke gastheer en onderlinge pesterijtjes. Tijdens het diner onthult Oloop de reden van de bijeenkomst - hij viert de bijna duizendste liefdeservaring in de tien jaar dat hij in Argentinie woont, twee keer per week te gast bij Aphrodite Pandemos, volksvenus, lichtekooi, 'straatmadelief’ of clandestiene deerne.
Maar de duizendste wordt hem die nacht noodlottig: de in het bordeel als Zweedse geoffreerde gezelschapsdame is in werkelijkheid een Finse, een landgenote dus, die vervolgens de dochter van zijn eerste liefde blijkt, de dochter van zijn dromen zogezegd. Dan begeeft zijn gepantserde geest het definitief en verdwaald in het leven stevent hij af op 'de andere oever van de liefde’: de dood.
Een even tragisch als komisch einde. Dat is tevens de uitslag van de strijd tussen lichaam en geest, tussen denken en voelen. De manier waarop Filloy deze pathetiek met triviale uitvallen weet te ontwapenen doet af en toe aan de Gombrowicz van Ferdydurke denken. En Filloy kreeg met Arie van der Wal ook nog eens een vindingrijke vertaler.