Martin Walser, Der Augenblick der Liebe

De liefde en het verleden

Martin Walser

Der Augenblick der Liebe

Rowolt, 253 blz., € 19,90

De jongste roman van Martin Walser, Der Augenblick der Liebe, is een ingenieus gecomponeerd en virtuoos geschreven boek, dat nogal afwijkt van wat de bekende Duitse auteur de laatste jaren heeft geproduceerd. In 2001 verscheen zijn irritante en eindeloos voortkabbelende roman over ende roman over een rijke en vervolgens verarmde vrouw van een hoogst ontrouwe miljonair in Düsseldorf. In 2002 zorgde Walser voor een schandaal met zijn Tod eines Kritikers, een venijnige en schaamteloze roman over een joodse criticus, in wie lezers de Duitse «literatuurpaus» Marcel Reich-Ranicki herkenden. De gezaghebbende Frankfurter Allgemeine wees een voorpublicatie van de hand met het argument dat het hier ging om een antisemitisch boek. En dat uitgerekend van een auteur die in een veelbesproken rede in het najaar van 1998 had laten weten dat hij niet langer wenste lastig te worden gevallen met het Duitse nazi-verleden. Die rede, die veel misverstanden wekte, bracht Walser destijds danig in opspraak. De auteur zelf voelde zich miskend en niet begrepen.

In Der Augenblick der Liebe is Walser teruggekeerd naar de Bodensee, dat grote meer tussen Duitsland en Zwitserland waaraan Walser woont, in het plaatsje Überlingen. Daar woont ook Gottlieb Zürn, een van de hoofdpersonen in de roman, en dat is waarschijnlijk niet toevallig. Want ook deze Zürn zal een rede gaan houden, en wel in Amerika, en moeten ervaren dat Duitsers niet zomaar, quasi-vrijblijvend, over het zich bevrijden uit schuldgevoelens kunnen spreken.

Schuld en schuldgevoelens vormen echter maar een onderdeel van de roman. Er worden nog twee andere verhalen verteld. Het ene, meest uitgesponnen verhaal handelt over een heftige liefdesaffaire tussen Zürn, die over de zestig is en ooit twee essays schreef over de verguisde en vergeten Franse filosoof en arts Julien Offray de la Mettrie, en een doctoranda van in de twintig, die in Amerika wil promoveren op deze verketterde filosoof uit de achttiende eeuw. Ze zit op een mooie dag op het terras van Zürns huis aan de Bodensee om de autodidact te ondervragen over de receptie van La Mettrie in Duitsland. De filosoof sleet immers zijn laatste levensjaren aan het hof van de Pruisische koning Frederik de Grote. Tijdens het gesprek voltrekt zich het Terrassenwunder: de oudere, gehuwde man en de jonge vrouw raken verliefd op elkaar. Het is een belachelijke, onmogelijke liefde, die echter steeds onstuimiger wordt beleden en uiteindelijk ook bedreven.

Het gedachtegoed van La Mettrie, die werkelijk heeft geleefd en wel tussen 1709 en 1751, vormt het derde thema van de roman. Walser heeft dit kennelijk grondig bestudeerd, want in de roman duiken steeds weer citaten op uit La Mettrie’s werk. Deze kennismaking met La Mettrie is wellicht het meest interessante aspect van de roman. Ze maakt nieuwsgierig naar deze onbekende filosoof. Deze nieuwsgierigheid kan overigens via het internet bevredigd worden.

Het grote probleem van La Mettrie was kennelijk dat hij zijn tijd ver vooruit was. Hij ontwikkelde een atheïstische en radicaal materialistische filosofie. Er bestaat geen God en geen hiernamaals; lichaam en geest vormen één geheel. Waar is slechts datgene wat met de zintuigen kan worden waargenomen. Hij moet eens gezegd hebben: «Mijn zintuigen zijn mijn filosofen.» De natuur bestaat slechts uit één enkele substantie die zich in meerdere gedaantes voordoet. Ook de mens is niets dan materie, zij het dat in de mens deze materie zijn grootste organisatiegraad bereikt. Maar hij is uiteindelijk niet meer dan een machine.

Het waren in die tijd ketterse gedachten en zelfs in het tolerante Holland, waar in 1747 zijn L’homme machine verscheen, waren ze ongewenst. De ironische toon in zijn geschriften kon hem niet redden. La Mettrie moest Leiden verlaten en zijn toevlucht zoeken bij Frederik de Grote in Potsdam, waar hij spoedig ook in de problemen raakte en wel door zijn theorie over het ontstaan en functioneren van «remords», schuldgevoelens.

Deze schuldgevoelens, aldus La Mettrie, zijn aangeleerd. Ze zijn het product van de opvoeding. In de kinderjaren wordt door religie en moraal het «irrationele Über-Ich» gevormd. Zo ontstaan er «verbogen zielen»: mensen geketend aan vooroordelen en schuldgevoelens. Maar de mens is in staat zich uit deze ketens te bevrijden. La Mettrie kwam ook met voorbeelden. Inzake seksualiteit merkte hij op dat mensen wordt geleerd dat het een schande is hun lusten te bevredigen, terwijl de mens toch is geschapen om gelukkig te zijn.

Het knappe van Walsers roman is dat hij de verschillende thema’s op overtuigende wijze met elkaar heeft verweven. De jonge doctoranda bedrijft ongeremd de liefde, tot vreugde van de veertig jaar oudere Zürn. Ze roept daarbij La Mettrie aan: «Heilige Julien Offray, sta ons bij.» De zwakke plek van de roman is de uitvoerigheid waarmee Walser schildert wat er allemaal in «het moment van de liefde» gebeurt. Alle gevoelens, gedachten, handelingen worden onder woorden gebracht en de woordkunstenaar Walser kan dit heel goed. Maar soms weet hij van geen ophouden en wordt het gewoon te veel.

De verhaallijnen komen bij elkaar als Zürn tijdens een congres in Berkeley een lezing houdt over La Mettrie en daarbij net als de Franse filosoof «zichzelf tot thema» maakt. Zijn pleidooi om zich te bevrijden van schuldgevoelens, wordt door Amerikanen in de zaal verkeerd begrepen. Veel toehoorders zien in hem een Duitser die La Mettrie misbruikt om zich vrij te pleiten van schuldgevoelens over het Duitse verleden. Schande, vindt een Amerikaanse docent: «La Mettrie had, toen hij de mensheid van schuldgevoelens wilde bevrijden, niet gedacht aan volkenmoord, maar aan echtbreuk en dergelijke.»

Een misverstand; dit had Zürn niet bedoeld. Hij biedt zijn excuses aan en zegt hopelijk nu te hebben geleerd dat «een Duitser, vooral in het buitenland, er steeds aan moet denken dat hij allereerst een Duitser is en pas dan, als zijn een-Duitser-zijn dat nog toelaat, pas dan een mens.»

Walser keert in Der Augenblick der Liebe, zo lijkt het, terug naar zijn thema uit de rede van 1998, naar de vraag hoe om te gaan met het Duitse verleden, met Duitse schuld en schuldgevoelens en of het mogelijk is dat Duitsland ooit een normale staat wordt. Hij laat Zürn denken: «La Mettrie beweert dat er niets onmenselijker is, niets meer het leven vergalt, dan ‹remords›. Dat zou natuurlijk ook voor de omgang van de Duitsers met hun verleden gelden. Maar dat heeft hij niet gezegd. Hij zou dan moeten bewijzen dat er een schuld bestaat zonder schuldgevoelens. Absoluut niets ontkennen, niets bagatelliseren en toch geen schuldgevoel, geen ‹remords›. Dat is een andere lezing. Een lezing die hij niet heeft gehouden, die hij ook niet zou durven houden. La Mettrie had geen ervaring met het geheugen. Intussen waakt het geheugen over het geweten. Of dat het leven vergalt, deert het geheugen niet.»

Walser lijkt hier nog een keer te willen benadrukken hoezeer zijn rede in 1998 verkeerd is begrepen. Duitsers kunnen geen streep zetten onder het nazi-verleden; dat laat het geheugen, en daarmee het geweten, niet toe.

Met deze gedachten is de roman nog niet helemaal ten einde. Zürns La Mettrie-lezing is mislukt en dat maakt ook een einde aan de liefdesaffaire, die immers in het teken van La Mettrie had gestaan. Zürn vliegt terug naar de Bodensee en herontdekt zijn liefde voor zijn vrouw Anna. Zürn is na «het ogenblik van de liefde» teruggekeerd op het oude nest in Überlingen, daar waar ook Walser thuis is.