De liehiefde

Een avondje thuis, met Renate Dorrestein op de knie. Waarom niet? Zij is een onderhoudend schrijfster die wel wat te vertellen heeft. Het boek, inmiddels vijf jaar oud, stamt weliswaar uit haar ultraradicale periode, toen de mannen nog allemaal zwijnen en de getrouwde vrouwen allemaal moffenhoeren waren, maar gezegd moet worden dat zij ook haar feministische zusters niet spaart. ‘Ik bezag ze altijd als een troepje warhoofden, met hun middagjes kraanvogeltjes- vouwen-voor-de-vrede, hun van zeewier gevlochten tampons en hun diepe inzichten in yin, yang en Jung. De menstruatiedans! De zelfgebakken tarwebol! Het communiceren met de baarmoeder! Bracht dat me even schot in de zaak!’

Toch is er iets in de roman dat me niet bevalt. Het gaat namelijk niet over de liefde, maar over de liehiefde. De naastenliehiefde. De liehiefde waarvan er kindertjes komen. De ware liehiefde. De niet-reguliere liehiefde. De geheimen van de liehiefde. En dan ben ik pas vijf bladzijden ver.
Geergerd en geirriteerd sla ik het boek dicht. Ik heb begrip voor de bezwaren van de schrijfster tegen de wijze waarop onze masculiene maatschappij is ingericht, maar de liefde kan niet van een kant komen.
Geintrigeerd sla ik vervolgens het boek weer open. Is er bij de uitgeverij werkelijk niemand geweest die de schrijfster heeft durven vertellen dat dit een stijlfiguur is waar je als lezer horendol van wordt? Nu lees ik niet, maar turf. Een kroon op uw liehiefde. Een half liehiefdesleven. Een liehiefdesgemeenschap. Een liehiefdesvrucht. Leve de liehiefde! ‘Ziehier de walgelijke pervertering van wat algemeen de liehiefde heet.’ Vierenveertig vergelijkbare flauwiteiten op honderdvijftig pagina’s. Had de lijpe bijfiguur in Renate Dorresteins semi-autobiografie niet Godelieve maar Godeliehieve geheten was dit getal boven de honderd geschoten.
De knipselmap bevat zes recensies, vijf van mannen, een van een vrouw. Twee luiden gunstig. Een vrij gunstig. Drie ongunstig. Slechts een van de critici heeft zich gestoten aan die ene, allesdominerende vondst, die door hem een 'flauwe poging tot ironie’ wordt genoemd. Het is, wat mij betreft, nog mild gezegd. De schrijfster heeft toch al een zekere neiging tot schamper taalgebruik. Als je daar dan nog met volle handen al die liehiefdesverklaringen tegenaan smijt, krijg je het effect van een gerecht dat op zichzelf niet slecht van kwaliteit is, maar wordt verpest door het feit dat er een compleet peper- en zoutstel boven is omgekeerd.
De roman heet Het perpetuum mobile van de liefde. Gewoon liefde, zoals door de Van Dale wordt voorgeschreven. Renate Dorrestein kreeg hiervoor twee jaar geleden de Annie Romein-prijs, wat mij een ideologische keuze lijkt, want ik ken van haar heel wat boeken die heel wat beter zijn.