De lieve burgervrede

DE GESCHIEDENIS van de Rote Armee Fraktion is voor wie haar niet heeft meebeleefd verbijsterend, ongelooflijk en huiveringwekkend. De nietsontziende koelbloedigheid waarmee in een vergevorderd stadium van verbittering en verblindheid de burgerlijke maatschappij werd aangevallen, tot en met moorden toe. De bijna totale mobilisatie van de gewapende staatsmacht daartegen die de Bondsrepubliek veranderde in een zwaar belegerde veste, waarin men zich al verdacht maakte door ook maar een woord in te brengen tegen de Isolationsfolter waaraan de Raf-leden onderworpen werden: eerder noch later hebben we iets dergelijks meegemaakt.

Waaraan in de geschiedenis doet het denken? Aan de Wederdopers misschien, die het heilsrijk al op aarde wilden stichten en verblind door godsdienstwaanzin moordend en plunderend door de steden trokken. Of, nog het meest, aan de Russische nihilisten die in de vorige eeuw de maatschappij de oorlog verklaarden en haar probeerden te vernietigen door alvast zo veel mogelijk gezagsdragers op te blazen. Het zijn episodes uit autoritaire staten die slechts één godsdienst erkenden, maar in onze tijd nam de botsing tussen gezag en opstandelingen juist in een officieel democratische en pluriforme staat als de Duitse veel verbetener en grootschaliger vormen aan. DE STAAT IS in de loop der eeuwen steeds fijnmaziger, veelomvattender en machtiger geworden. Daardoor werd hij allengs ook kwetsbaarder voor terrorisme en beschikt hij over steeds verfijnder middelen om het te bestrijden. De krachtmeting die culmineerde in de Duitse Herfst van 1977 laat zich in haar absoluutheid verklaren uit het onverwerkte oorlogsverleden, de Unbewaltigte Vergangenheit zoals dat zo mooi heet. Hier vroegen jongeren sedert de jaren zestig aan hun vaders: en wat deed jij in de oorlog? Dáár hoefden ze het niet te vragen, ze konden er veilig van uitgaan dat alle vaders nazi’s waren geweest. Ze wilden het ook niet vragen, bang dat de werkelijkheid toch genuanceerder in elkaar zou zitten. En de vaders, die aan de macht waren, wilden er niet op ingaan, want dan hadden ze moeten erkennen dat de meesten van hen Hitler inderdaad op zijn minst zijn gang hadden laten gaan. Dat verklaart de Sprachlosigkeit waardoor de confrontatie tussen Bondsrepubliek en Raf wordt gekenmerkt. Het kwam nooit tot een Auseinandersetzung. Je kunt dat ook met Nederlandse woorden zeggen, maar het Duits benadrukt beter het specifiek Duitse aan deze wederzijdse verbetenheid. MAAR VERGEET niet: wij zijn er hier niet zo ver vanaf geweest, en wel in hetzelfde jaar, niet in de herfst maar in het voorjaar van 1977, toen Molukkers een trein bij Wijster en een kleuterschool in Bovensmilde gijzelden. De overheid trad hard op. Herinnert u zich de duikvluchten van de vliegtuigen, het geweervuur? Er vielen doden. Het leek wel oorlog en dat was het ook, het begin van een burgeroorlog. De gijzelnemers werden onverbiddelijk gestraft. Maar de overheid deed nog iets anders. Ze ging zich verdiepen in hun motieven. Er kwamen werkgroepen en commissies. Het gesprek werd geopend, de Auseinandersetzung. Hoe had het zo ver kunnen komen? Zoveel vertwijfeling, zoveel doodsverachting. En dat van Molukkers die we vooral kenden van hun sentimentele muziek, de minstrelen van het Mena Moeria dat nu opeens een strijdkreet was geworden. We wisten dat ze een vreemdsoortige droom koesterden van een eigen republiek op de Molukken. Waarom gingen ze daarvoor niet in Indonesië vechten? Wat we niet wisten, of niet wilden weten, was dat ze zich juist door ons in die droom verraden voelden. Zoals in Duitsland het onverwerkte oorlogsverleden de strijd tussen de staat en de Raf bepaalde, zo werd de confrontatie met de jonge Molukkers hier bepaald door het onverwerkte verleden van de dekolonisatie. We hadden hen in hun eigen sop gaar laten koken en gehoopt dat hun verbittering met het verstrijken van de tijd vanzelf over zou gaan. Maar de tweede generatie bleek nog verbitterder dan haar ouders, juist ook tegenover haar ouders die ze verweet het erbij te hebben laten zitten. Ze greep naar de wapens. Drie jaar later kreeg, als uitvloeisel van de gijzelingen, het minderhedenbeleid gestalte. Integratie met behoud van eigen cultuur en identiteit. Je kunt ervan denken wat je wilt, maar het was een antwoord. Etnische minderheden moesten niet in hun sop gaar koken, maar in de Nederlandse samenleving zowel opgenomen als gerespecteerd worden. Nog weer tien jaar later heette dat ‘doodknuffelen’: zo gaat dat in een democratie, het publieke debat houdt nooit op en daardoor de veranderingen in het beleid ook niet. Maar waar het om gaat is het tweesporenbeleid: de overheid handhaaft de orde maar gaat tegelijkertijd, of zo spoedig mogelijk daarna, op zoek naar de beweegredenen van de ordeverstoorders en tracht met hen in gesprek te komen. De overheid draagt het zwaard niet vergeefs, maar de voorzittershamer evenmin. IN HET BESTE boek dat over de Nederlandse jaren zestig is geschreven komt de Amerikaan James Kennedy tot de slotsom dat niet de opstand van linkse jongeren daarin het meest opvallend is - die had je per slot van rekening overal - maar de souplesse waarmee de Hollandse elites daarop reageerden. Het Maagdenhuis was amper bezet of een democratisering van het universitair bestuur kreeg haar beslag. Dat deze een kwart eeuw later geruisloos weer werd afgeschaft doet er nu niet toe, het gaat om de reactie van toen. Overal kregen de jeugdige opstandelingen toegang tot de besturen van maatschappelijke instellingen - media, politieke partijen, culturele gezelschappen. Ze spraken van een 'lange mars door de instituties’, maar zo lang was die niet, want overal schikten die ouderen in - morrend en mopperend vaak, maar toch. Voor het ontstaan van een Nederlandse Raf was zo geen voedingsbodem. Dat kan worden uitgelegd als zwakte en onzekerheid van het establishment (zoals het toen heette) of als de erkenning dat zijn uitdagers ook hun deel van het gelijk hadden. Maar Kennedy ziet het vooral als pragmatisme en als een uitvloeisel van de Nederlandse geschiedenis. We zijn een volk van minderheden, maar samen moesten we het water buiten de deur houden alsmede de Spanjaard. Onvrede van een minderheid kon niet lang worden gedoogd, ze zou de spankracht van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden bedreigd hebben. En dus: toen jongelui er eind jaren zestig hun ziel en zaligheid voor over bleken te hebben om zich te verzetten tegen de stand van zaken, werd dit opgevat als een teken van ernstige onvrede die geaccommodeerd moest worden. Den Uyl ging nog een stap verder. Hij vond de politieke impulsen van actiegroepen zo belangrijk dat ze gesubsidieerd moesten worden. Daar kon je in die tijd buitenlanders net zo mee in de war maken als met ons omroepbestel: hier gaf de overheid geld aan bewegingen die haar bestreden. Den Uyl heeft later tegenover mij erkend dat hij daar verkeerd aan had gedaan, niet vanwege dat bestrijden van de overheid maar juist omdat het door de subsidie steeds minder gebeurde. De actiegroepen hadden nu geld en ze betrokken kantoren, ze werden geprofessionaliseerd en hun standpunten gerationaliseerd. Het elan was eruit. En van verzet met elan moet een democratie het hebben. 'De idealen van de Raf kan ik inhoudelijk nog delen’, schrijft Frans Denkers in zijn boek Begrepen onbehagen en daarin kan ik hem niet volgen. Je moet een zeker talent voor absolutisme hebben om zoiets te schrijven. Afgezien van het feit dat het nog zo gemakkelijk niet is om vast te stellen welke die idealen waren, behalve misschien een met polpottiaanse methoden tot stand gebrachte totale gelijkheid, moet je zeggen dat je aan de middelen het doel herkent, en die middelen waren bepaald verwerpelijk. Ik begrijp niet dat iemand na alles wat we in deze eeuw hebben meegemaakt een totale ideologie nog kan delen, want totale idealen leiden altijd tot totale onverdraagzaamheid. Dat blijkt in Denkers’ boek het schrijnendst uit zijn beschrijving van de laatste levensdagen van Ulrike Meinhof, samen met Andreas Baader de peetmoeder van de Raf, alias de Baader Meinhof Gruppe. Gevangen in Isolationsfolter, in een cel waar nooit een geluid doordrong, werd ze ook nog gefolterd door de haat en verachting van haar mede-Raf-gevangenen, Baader en Ennslin. Ze hadden haar tot vijand verklaard en het gaat niet te ver om te veronderstellen dat ze haar, samen met de Duitse autoriteiten, de dood in hebben gejaagd. Aan de omgang met vroegere strijdmakkers herken je de aard van een beweging. WIJ LEVEN THANS tevreden en blij in het poldermodel. Iedereen rijk, op een paar armen na waar bisschop Muskens wel voor zal zorgen. Wie in een paar zinnen de verschillen tussen de vier grote partijen kan aangeven krijgt een prijs; binnenkort moet ik misschien zeggen vijf, want GroenLinks is formeel bijvoorbeeld tegen de monarchie, maar verzwijgt dit omdat je er geen stemmen en al helemaal geen ministerszetels mee wint. Het politieke debat, voorzover aanwezig, beweegt zich binnen smalle marges. De Janmaats aan de ene kant, de autonomen aan de andere kant staan buitenspel. De media zijn steeds meer op elkaar gaan lijken, ze staan nergens voor behalve voor zichzelf, en ze laten het debat graag over aan buitenstaanders en amateurs die in de speeltuin van de opiniepagina mogen ravotten. Overal vinden discussies plaats over van alles en nog wat, maar niemand wordt tegen het hoofd gestoten. De politiek lijkt een vacuüm waarin de ambtenaren voor ons bestwil en hun eigen gemoedsrust het land beheren. We leven, zoals prof. Mark Bovens zegt, in een Beamtenherrschaft en als de Bijlmer-enquête iets uitwijst is het dat. Zolang het iedereen, bijna iedereen, goed gaat laten we het erbij, in een gezapig soort behaaglijkheid. Zogauw iemand, bijvoorbeeld door te gaan hongerstaken, de goede smaak doorbreekt spreken we van 'morele chantage’ en als de hongerstakers er ten slotte mee ophouden, spreekt Elsbeth Etty er in NRC Handelsblad haar tevredenheid over uit dat het 'ellendige tafereel’ weer voorbij is. Even was de lieve burgervrede verstoord. Maar je kunt nauwelijks een politieke hervorming opnoemen die niet tot stand is gekomen doordat haar voorvechters de regels van de burgerlijke moraal en samenleving aan hun laars lapten. De rechtsstaat: de Franse Revolutie. De parlementaire democratie: de revoluties van 1848. Het vrouwenkiesrecht: suffragettes met hoedespelden in de aanslag en zich met doodsverachting voor de paarden op de renbaan werpend. De afschaffing van de slavernij: menige slavenopstand (zij het dat Harriet Beecher-Stowe een steentje bijdroeg met haar vrome boek Oom Tom). De dekolonisatie: menige guerrillastrijd en waar het India betreft hongerstakingen. Elsbeth Etty meent dat hongerstaken onoirbaar is, omdat wij immers 'democratie en uitingsvrijheid’ hebben, zodat men op andere wijzen kan protesteren tegen de status quo. Maar er zullen altijd weer mensen zijn die daar geen genoegen mee nemen omdat voor hen democratie is geworden tot dictatuur van de meerderheid en persvrijheid tot een dovemansdiscussie. En inderdaad: als de studenten het Maagdenhuis niet hadden bezet en de krakers geen woningen wederrechtelijk in bezit hadden genomen, was er van universitaire democratisering en huisvesting voor jongeren vermoedelijk weinig terechtgekomen. Het beste voorbeeld is Troelstra, die in 1918 de revolutie uitriep en weer inslikte. Maar de burgerij was voldoende geschrokken om in de volgende jaren in hoog tempo talrijke sociale hervormingen door te voeren. In 1973 lanceerde Hans van den Doel en passant, in een column in de Haagse Post, zijn theorie van de 'gepassioneerde minderheid’. Dat was naar aanleiding van de Nieuwmarkt-rellen. Weliswaar was waarschijnlijk de meerderheid van de Amsterdammers voor de bouw van de metro, de passie waarmee de bewoners van de Nieuwmarkt zich daartegen en tegen de sloop van de buurt verzetten, moest volgens Van den Doel zwaarder wegen. Het is een dubieuze theorie, die de schreeuwlelijken en stenengooiers bij voorbaat gelijk geeft, maar ze vestigt er de aandacht op dat de passie van politiek protest een factor is waarmee rekening moet worden gehouden. Het is de koortsthermometer van de samenleving. HET IS NU windstil. Het lijkt eb in het politieke protest, maar voor wat er is lijkt er ook gevaarlijk weinig ontvankelijkheid aanwezig. Ik moet zeggen dat wij als journalisten bijdragen aan het beeld van een protestloze samenleving. Als jeugdige types minister Zalm met taarten bekogelen willen alle media het recept weten, maar niemand is geïnteresseerd in hun motief, zijnde de asociale financieel-economische eenwording van Europa onder het mom van de euro. Want daar zijn we allemaal blij mee, of minstens onverschillig onder. Afwijkende geluiden worden afgestraft en op zijn best geridiculiseerd of bejegend met meewarigheid en superioriteit. Ik noem de Britse voetbalcoach Glenn Hoddle, met zijn onbekookte exegese van reïncarnatie, de filosoof Rietdijk met zijn pleidooi voor eugenetica, prinses Irene en haar verstandhouding met bomen, Ronald Jan Heijn en zijn nieuwe mensbeschouwing. Tot een serieuze gedachtenwisseling over hun denkbeelden, een Auseinandersetzung, komt het zelden. Er is een allesoverheersende drang naar normaliteit te bespeuren, aangevoerd door Youp van ’t Hek - doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg. Maar het kan haast niet anders dan dat het broeit onder de warme deken van het poldermodel. De slinger die van debat en provocatie naar algemene overeenstemming gaat en dan weer naar nieuw verzet daartegen, staat nooit stil. De zelfverrijking van de optieridders, het ontstaan van een subproletariaat in grote steden, de voortgaande uitbuiting van het zuiden van de wereld: het kunnen allemaal haarden van protest en verzet worden. En dan is het zaak dat daarop niet met onverbiddelijke Sprachlosigkeit gereageerd wordt maar met een Auseinandersetzung. ER IS IN DE redactiekantoren weinig geduld meer met actiegroepen, we hebben het allemaal al eens gezien. In de jaren zestig en zeventig was het zo dat het actiewezen door de pers werd uitvergroot, zelfs zo dat Roel van Duijn de media kon wijsmaken dat er een Oranje Vrijstaat bestond met een netwerk van 'volksdepartementen’. Nu is het eerder zo dat protest wordt genegeerd of gekleineerd. Dan is uitvergroten beter, omdat de pers ook tot taak heeft te signaleren wat er broeit aan verzet, waarin vaak de kiem schuilt voor maatschappelijke verandering. Maar nu de vraag: moet dit ook gelden voor verzet van rechts? De eerste grote buitenparlementaire actie van de jaren zestig vond niet in Amsterdam plaats, maar in Drenthe, in 1963 in Hollandscheveld. Daar verzetten 'vrije boeren’ zich met man en macht tegen de verkoop van een hoeve aan het Landbouwschap waar ze - eigen meester, niemands knecht - niet bij aangesloten wilden zijn. En in de avond ging die hoeve - ze zouden hem niet krijgen - in vlammen op. Daaruit kwam de Boerenpartij van boer Koekoek voort, zonder twijfel een rechtse partij. Maar daaruit kwam ook een andere regeling voor ruilverkavelingen voort waarbij het niet langer meer zo was dat iedereen die niet stemde geacht werd vóór gestemd te hebben, omdat zo'n ruilverkaveling nu eenmaal voor ieders bestwil was. De scherpe kanten zijn eraf geslepen, zo gaat het in Nederland. Het is feitelijk merkwaardig dat degenen die eisen dat de overheid rekening houdt met het gepassioneerd verzet van links, tevens Bolkestein verwijten dat hij het gepassioneerde verzet van rechts tegen migranten in zijn politieke repertoire opnam. Want dat is precies wat je verlangt als je vraagt dat protest zal leiden tot een Auseinandersetzung die ook consequenties heeft. Democratie is er ook voor degenen die vrijheid, gelijkheid en broederschap anders opvatten dan in de linkse canon gebruikelijk is en die daar vaak krachtige argumenten voor hebben. Wordt er niet naar geluisterd en geen rekening mee gehouden, dan slaat hun protest om in verbittering en scheurt de samenleving. Democratie dient ervoor om dat te voorkomen, al zijn de consequenties niet altijd even fraai. Drie hoeraatjes voor de democratie is te veel, zei E.M. Forster al, twee is genoeg.