De magistratuur onder druk

De lijdende rechter

In een tijd waarin het publiek toch al moeiteloos het vonnis velt over ‘blunderende magistraten’, komen de kwesties rond de rechters Schalken en Kalbfleisch extra ongelegen.

‘DE LAATSTE TIJD lezen we toch echt te veel over rechters die over de schreef gaan. Het lijkt wel of het niet ophoudt’, verzucht oud-rechter Willem van Bennekom. Als voorbeelden noemt hij de Amsterdamse rechter die heeft gejokt over zijn aanwezigheid bij een huiszoeking of de 'lekkende rechter’ uit Zwolle die op non-actief is gesteld vanwege het doorspelen van privé-informatie aan vrienden. En de Haagse strafrechter die rommelde in een zittingsverbaal om de voorlopige hechtenis van een verdachte te kunnen laten voortduren of de 'dichtende rechter’. Na het lezen van een dossier over vastgoedfraude citeerde deze tijdens de zitting enkele dichtregels van Hiëronymus van Alphen en werd hij vanwege 'de schijn van vooringenomenheid’ gewraakt.

'Het wordt allemaal breed uitgemeten in de media’, zegt Van Bennekom. 'Op zich prima, maar het werkt ook vertekenend en is zéér schadend voor het imago van de rechtspraak. Uit een peiling van vorige week blijkt dat het vertrouwen in de rechterlijke macht is gedaald van zo'n zestig, zeventig procent naar slechts 51 procent. Dat is ernstig.’

Ligt de rechterlijke macht al langer onder vuur, vorige week stond naar aanleiding van de kwesties Schalken en Kalbfleisch de integriteit van de rechter zelf ter discussie. Had Tom Schalken zich tijdens het inmiddels beroemde etentje daags voor het verhoor van de getuigendeskundige Hans Jansen in de strafzaak tegen Geert Wilders schuldig gemaakt aan oneigenlijke beïnvloeding van de arabist? Schalken bekende vorige week tijdens het verhoor schoorvoetend dat zijn geheugen hem zo nu en dan in de steek liet. Op zich is dat natuurlijk niet zo gek, een jaar na dato terwijl de gasten van eetclub Vertigo (Latijn voor duizeligheid, hoogtevrees) die avond de nodige flessen rode wijn soldaat hadden gemaakt. Maar in het bankje zat ondertussen wél een rechter die als beklaagde werd behandeld.

Veel ernstiger is de kwestie van de van meineed verdachte oud-rechter Pieter Kalbfleisch. Een etterende wond barstte open toen een griffier van de Haagse rechtbank onder ede verklaarde dat Kalbfleisch had gelogen over zijn rol in de Chipshol-affaire. Alles in deze voortslepende zaak over het bezit van een zeshonderd hectare groot stuk grond rond Schiphol stinkt en het biedt ingrediënten waar een scenarioschrijver zijn vingers bij aflikt. De klokkenluider, en tevens ex-minnares van Kalbfleisch, stelt dat haar oud-geliefde zich in de jaren negentig als rechter samen met zijn collega Hans Westenberg (inmiddels met pensioen gestuurd) schuldig heeft gemaakt aan belangenverstrengeling. Kalbfleisch is vorige week, hangende het onderzoek van de rijksrecherche, als bestuursvoorzitter van de Nederlandse Mededingingsautoriteit (sinds 2003) met verlof gestuurd.

BEIDE GEVALLEN, hoe verschillend ook, roepen een bredere vraag op over de positie van de rechter. Zijn dit incidenten of heerst er een bedrijfscultuur waarin het mogelijk is dat Vrouwe Justitia vooringenomen - vanuit politieke voorkeur, dan wel andere belangen - opereert? Hoe zit het met vriendschappen binnen en buiten de rechtbank, nevenactiviteiten en commissariaten?
Want dat blijkt een van de angels te zijn bij de Chipshol-zaak. Kalbfleisch heeft zich in 1996 (het jaar waarin rechters verplicht werden bijbanen en commissariaten te melden) in deze rechtszaak tussen enerzijds vader en zoon Poot en anderzijds de gebroeders Van Andel op zich keurig verschoond. Dat deed hij vanwege zijn nauwe banden met de Van Andels én vanwege een commissariaat bij Vomar - een bedrijf met commerciële belangen in de betreffende grond bij Schiphol. Maar toen Westenberg deze zaak in 1996 zó opmerkelijk pro-Van Andel vonniste kreeg de tegenpartij argwaan: was hier sprake van bevooroordeling? In 2000 vernietigde het gerechtshof in Den Haag het vonnis van Westenberg. Over de rol van Kalbfleisch rezen twijfels toen er in 2007 een anonieme brief opdook waarin stond dat hij zich, ondanks zijn verschoning, toch actief had bemoeid met de rechtsgang. De afzender van de brief bleek de griffier te zijn.

Hoewel Kalbfleisch onschuldig is totdat het tegendeel is bewezen en een onder ede afgelegde verklaring van een ex-minnares niet klakkeloos voor waar kan worden aangenomen, is de schijn van vriendjespolitiek al schadelijk genoeg. Dit appelleert aan een klassieke angst dat de togabrigade deel uitmaakt van een old boys network en het goed regelt voor 'het establishment’ - iets wat voor de Haagse rechtbank zou gelden omdat zij 'dicht op de macht zit’, zoals onder juristen te beluisteren valt.

Beide kwesties wil Van Bennekom absoluut niet op één hoop gooien. 'Het gedrag van Schalken is achteraf gezien onverstandig, en dat zegt hij zelf ook. Maar hij krijgt daarvoor géén gerechtelijk vooronderzoek aan zijn broek.’

NET ALS Van Bennekom houdt ook Ybo Buruma, hoogleraar strafrecht en benoemd als lid van de Hoge Raad, een slag om de arm bij de zaak-Kalbfleisch. 'Want ho, wacht even, hij is nog niet veroordeeld. Maar de strop hangt in de media al om zijn nek. Dat neemt niet weg dat deze kwestie niet vergeleken kan worden met het citeren van dichtregels over pruimen in de boom, of met het dineetje van Schalken. Iedereen voelt op zijn klompen aan dat daarmee niet het vertrouwen in de rechter wezenlijk wordt aangetast. Kalbfleisch, in combinatie met de omstreden Westenberg, roept daarentegen onmiddellijk een rotgevoel op van te veel petten.’

Waar liggen dan de grenzen? Buruma: 'Het is een glibberig, grijs gebied, zeker in een klein land als Nederland. Maar toch: sommige normen moet je leren, maar hier gaat het om normen die welhaast aangeboren zijn. Het is evident dat een rechter een extra verantwoordelijkheid heeft - zelfs iedere schijn van een belang mag je niet hebben.’

Van Bennekom: 'Vroeger werd integriteit gewoon verondersteld - die kreeg je van huis uit mee. De randvoorwaarden worden tijdens de RAIO, de zesjarige opleiding tot rechter, ook in spelsituaties uitgebreid geoefend. De vrije ruimte van de rechter is belangrijk. Hij gaat bij complexe zaken bijvoorbeeld ook te biecht of te rade bij een collega. Dat gebeurt binnen het systeem steeds vaker - om bijvoorbeeld een tunnelvisie te voorkomen - en daar moeten we niet spastisch over doen.’

Maar het is lastig. Enerzijds krijgen rechters het verwijt te veel in een ivoren toren te zitten en niks te snappen van de werkelijkheid. En staan ze wél midden in de samenleving, dan wordt hen verweten dat ze vooringenomen en gekleurd zijn. Tussen blind en bevlogen zijn zit een wankel evenwicht. Van Bennekom en Buruma schetsen hoe tussen die uitersten de positie van de rechter zich in de afgelopen decennia heeft ontwikkeld. In de jaren zestig, zeventig stonden rechters met hun beide benen in de maatschappij. Die generatie had volgens Buruma vaak dubbele petten op. Daar ging de bijl in, waarop de magistratuur zich in haar bastion terugtrok en er alles aan deed om zo neutraal mogelijk in de rechtszaal te acteren. Maar op die koele, afstandelijke attitude richt zich de laatste jaren de kritiek, zoals ook blijkt uit de stroom boeken over de rechterlijke macht.

Al die kritiek op de rechterlijke macht heeft volgens Buruma in de afgelopen jaren geleid tot een fors zelfonderzoek. De centrale vraag is hoe ver je moet en mag gaan. 'De ironie is’, aldus Buruma, 'dat er al langer intern van alles in beweging is om de integriteit nog meer te waarborgen, terwijl het met het vertrouwen in de integriteit van de rechters volgens opinieonderzoek tot voor kort helemaal niet zo slecht was gesteld.’

Van Bennekom spreekt over een sociologisch generatieverschil: 'Het type Westenberg en Kalbfleisch behoort tot de oude garde die er een rijk sociaal leven op nahield. Daarmee wil ik weer niet beweren dat er speciaal bij die generatie sprake is van vervaagd of vervagend normbesef. Ik ken in mijn eigen rechtersomgeving vrijwel niemand voor wie ik niet de hand in het vuur zou steken. Wel constateer ik dat de jongere generatie, veelal vrouwen, op een andere manier leeft en werkt dan de doorsnee-rechter dat vroeger deed. Rechters van nu hebben weinig tijd voor al die sociale netwerken en nevenactiviteiten. Van degenen die ik heb opgeleid ben ik onder de indruk geraakt over hoe zij omgaan met hun positie. Zij weten met een zuiver besef precies wat wel en niet kan.’

HET VERSCHIL tussen de ene en de andere rechter blijkt duidelijk uit een openbaar antecedentenregister van de rechterlijke macht. Wie naar de nevenactiviteiten en commissariaten van de tweeduizend geregistreerde rechters kijkt, ziet bij sommige namen, zoals die van Kalbfleisch en Westenberg, een waslijst aan bezigheden waarbij soms grote vraagtekens geplaatst kunnen worden.

Om slechts enkele nevenfuncties van Westenberg, ten tijde van zijn functie als rechter, te noemen: hij was commissaris bij Joanne Beheer en Exploitatie mij., een in 2006 opgeheven bv in onroerend goed; commissaris bij Property Investments Management Corporation (Pimco), die in 2000 werd opgeheven; lid van de raad van advies bij Sirus Procesfinanciering, een onderneming die proceskosten financiert op no cure no pay-basis; verder was hij indirect betrokken bij Antacc Management BV/Antacc Communicatie, gespecialiseerd in personeelsmanagement, juridische adviezen, public relations en onroerend goed, dat staat ingeschreven op naam van zijn echtgenote en waarvan Westenberg zelf is gevolmachtigd.

Bij de meeste rechters - en zeker bij vrouwen - staan doorgaans echter deugdelijke maatschappelijke functies vermeld, zoals het bestuur van een school of een rechtswetenschappelijk docentschap. De spelregels hierover zijn bovendien door de Raad voor de Rechtspraak glashelder vastgelegd en 'bijklussen’ moet gemeld worden. Daarover lijkt geen misverstand mogelijk.
Zijn veel kwesties dan een storm in een glas water, veroorzaakt door het feit dat iedere foute beweging van de rechter leidt tot een 'zie je wel’-reactie? Rechters moeten immers op eieren lopen, terwijl sommige media goochelen met de feiten en het publiek moeiteloos het vonnis over 'blunderende rechters’ velt.
Van Bennekom: 'Hoewel iedere rechter die over de schreef gaat er één te veel is, pleit ik ervoor om imago en werkelijkheid scherp uit elkaar te halen. Maar deze affaires laten wél de noodzaak zien om de grenzen nog duidelijker te trekken. Bij de toebedeling van een zaak wordt bijvoorbeeld soms nog onvoldoende beseft hoe voorzichtig en kritisch je moet zijn.’

HET TOEBEDELEN van een zaak, ook na een verschoning van een collega, is meestal praktisch bepaald, aldus Buruma. Het heeft volgens hem te maken met schaarste in tijd en specialisme, en vaak komt maar een beperkt aantal mensen in aanmerking om een zaak over te nemen: 'Ik vind dus niet dat je die vrijheid met allerlei nieuwe regels moet proberen te gaan regelen. Maar bij complexe strafzaken of politiek gevoelige zaken moet je wél onderkennen dat de signatuur of de achtergrond van een rechter een rol kan spelen. Draai het eens om, stel dat een RaRa-activist zou worden berecht door rechters van wie je weet dat zij VVD'ers zijn. Ik zie meteen hetzelfde probleem als zich heeft voorgedaan bij de zaak-Wilders. De advocaat kan dan proberen vermeende politieke vooringenomenheid in zijn voordeel aan te wenden. Daar zullen rechters niet in meegaan, want zij menen ten diepste dat hun ambachtelijke werk in beginsel niks te maken heeft met wat ze in hun vrije tijd doen. Dat is volgens de wrakingsrechtspraak alleen anders als zich “uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren” dat er iets mis is. Maar dat strenge criterium ontslaat rechters niet van de plicht om goed te beseffen dat het publieke vertrouwen in een rechter wegens de schijn van zowel zakelijke áls politieke vriendjespolitiek averij kan oplopen.’