Essay over de ziekelijke aansteller

De lijdensweg van de hypochonder

Zuurstofgebrek, coma, hersendood. De hypochonder vreest altijd het ergste. Toch is hij geen aansteller. Zijn pijn is echt.

Bij de huisarts mag ik altijd graag shoppen in het kastje met folders over ziektes. Sommige spreken tot de verbeelding en oefenen een bijzondere aantrekkingskracht uit door hun mysterieuze, als exotische bloemen klinkende namen: narcolepsie bijvoorbeeld, of diabetes mellitus. Kanker interesseert mij matig, want die komt vanzelf, het heeft weinig zin om je daar druk over te maken. Komt tijd, komt kanker. De folder over angst stoornissen hoef ik ook niet te lezen: die ken ik maar al te goed.
Ideeën doe ik ook op via medische tv-programma’s en talkshows met mensen die zeldzame kwalen hebben of terminaal zijn. Ernaar kijken is tegelijk afschuwelijk en op een moeilijk uit te leggen manier bevredigend. Het doet pijn maar het is toch lekker. Je zou kunnen zeggen dat ik van ziektes houd: ze fascineren mij, ik wil er alles over weten. Boeiend zijn vooral ziektes die tegelijk lichaam en geest treffen, zoals het syndroom van Münchhausen. Mensen die eraan lijden, doen zichzelf vreselijke dingen aan of simuleren allerlei symptomen om in het ziekenhuis te worden opgenomen en een operatie te ondergaan.
Ik heb daar een zeker begrip voor. Ik ben dol op ziekenhuizen, het zijn de enige plekken waar ik mij veilig en dus gezond voel. Maar je moet wel maat weten te houden. Met mensen die hun armen of benen als vreemde aanhangsels beschouwen en deze willen laten amputeren, heb ik niet veel. Razend interessant, daar niet van, maar een tikkeltje te wild.
Vroeger noemden ze dit hypochondrie. Volgens Van Dale gaat het om een «ziekelijke aandacht voor de eigen gezondheid, veelal gepaard gaande met zwaarmoedigheid». Het is een oude ziekte, die gewoonlijk door mensen die er niet aan lijden volslagen ridicuul wordt gevonden. Hypochonders komen voor in de literatuur, en altijd zijn het lachwekkende personages. De bekendste is Molières Malade imaginaire, een pathetische figuur rond wiens bed hooghartige artsen met vreemde puntsnuiten ruzie maken over wie de juiste diagnose heeft gesteld.
Er wordt van hypochonders beweerd dat zij simuleren om aandacht te krijgen en dat het ziekelijke egoïsten zijn, jengelende lafaards die andermans leven volledig kunnen ruïneren. Voor de meeste mensen gaat het om pure aanstellerij, want aan hypochondrie zou nog nooit iemand zijn doodgegaan. Zij begrijpen niet dat de hypochonder zich niet verbeeldt dat hij pijn heeft, maar die pijn werkelijk voelt.


Het internet is voor hypochonders een zegen en een vloek. Je kunt er ongelimiteerd nieuwe ziektes en symptomen bij elkaar sprokkelen. Verschillende kranten hebben al gewaarschuwd voor het speciale gevaar dat er voor hypochonders op de loer ligt, nog afgezien van allerlei charlataneske thera pieën die veel beloven maar niet helpen. Er bestaan ook medicijnen tegen hypochondrie, zoals Seroxat. Eén blik op de bijsluiter en de hypochonder krijgt al een paniekaanval van de mogelijke bijwerkingen: acuut glaucoom, opzwellen van het gelaat, vasthouden van urine, te hoge productie van moedermelk, verhoging van de leverenzymen, het optreden van bloedingen, huidaandoeningen, het serotinesyndroom, algehele stijfheid, onwillekeurige bewegingen en een verhoogde lichaamstemperatuur om er slechts een paar te noemen.
Hypochonders zijn nauwelijks te genezen, want je kunt ze er nooit voor honderd procent van overtuigen dat ze niet lijden aan de ziekte waarvoor zij bang zijn, en als dat zou lukken, verschuiven de symptomen naar een ander ziektebeeld. Daarbij is het de vraag of zij dat willen, want je raakt gehecht aan die eigenaardige obsessie.
Wat de hypochonder in feite nodig heeft is een ordelijke basis, een methode om zijn angsten in te dammen tot een beperkt aantal mogelijke verklaringen, merkt de Amerikaanse journalist en Pulitzer-prijswinnaar Gene Weingarten op in Handboek voor hypochonders. Voelt hij pijn in de borststreek, dan wil hij er redelijk zeker van kunnen zijn dat het angina pectoris of pericarditis is. Hij heeft niet graag dat er een heel scala aan mogelijkheden ontstaat. Om die reden zijn darmkwalen bij hypochonders geliefd: deze doen zich voornamelijk voor als verstopping of diarree, wat de zaken aanzienlijk vereenvoudigt. Weingarten wijdt daar een hoofdstuk aan en blijft even staan bij de mogelijke oorzaken van witte, kastanjebruine en zwarte uitwerpselen, potloodpoep en drijfdrollen.
Op de hypochondrische toptien scoren naast stoornissen aan hart, maag en darmen ook neurologische aandoeningen hoog. Volgens Weingarten, zelf hypochonder en lijder aan hepatitis C, zijn tumoren en beroerten het doorzeurende refrein van de hypochonder. De afgelopen jaren hebben zij gezelschap gekregen van de ziekte van Creutzfeldt-Jakob. Het gevolg daarvan is dat het hersenweefsel zacht, sponzig en soppig wordt, een gevoel dat stevige drinkers niet geheel onbekend zal zijn. Hoewel in de Verenigde Staten nog nooit één gekke koe is gesignaleerd, is de onrust over Creutzfeldt-Jakob bij Amerikaanse hypochonders de afgelopen jaren sterk gegroeid. Toch is het voor Weingarten niet zo dat hypochonders ziek willen zijn, maar dat sommige ziektes, veroorzaakt door de spanningen van het moderne leven en de verwoestingen van de oude dag, nu eenmaal voor hen onweerstaanbaar zijn.


Tegenwoordig wordt niet meer gesproken van hypochondrie maar van dwanggedachten of factitious disorders. Het gaat zo. Het begint met een pijntje, stekend, zeurend of dof, ergens in het binnenste van lichaam of hoofd. Meestal ’s avonds of ’s nachts. Die pijn houdt aan en vraagt om aandacht. Geleidelijk verschijnt de angst. Het is zo’n raadselachtige wanboel binnen, met die verwarrende massa organen in een ruimte die eigenlijk te klein is om ze allemaal te bevatten. Opgerolde darmen als rauwe saucijsjes, de wanstaltig grote lever, nieren als overjarige kidneybeans, sponzige piepende longen, het vermoeide hart dat waarschijnlijk op het punt staat het te begeven, uiteenspattende aderen, hersenen die opeens geen bloed meer krijgen en waaruit het leven als een kaars wordt uitgeblazen. Zuurstofdeficiet, coma, hersendood, vegetatief bestaan. In het lichaam gebeuren dingen waar je totaal geen controle over hebt: virussen nemen de macht over na een ongelijke oorlog tegen verzwakte T-cellen, ongemerkt groeien kwaadaardige gezwellen die langzaam over het lichaam uitzaaien, er woedt een titanenstrijd tussen vraatzuchtige vrije radicalen en dappere anti-oxydanten.
De pijn valt eigenlijk wel mee: hij onderwerpt zich aan de angst, fysiek lijden is lang niet zo erg als de geestelijke pijn die je volledig verlamt. Wat kan ik toch hebben? Je onderzoekt en voelt en je kijkt naar jezelf in de spiegel: staat het op mijn gezicht geschreven, ga ik nu op dit moment het loodje leggen? Je nadert het moment van paniek, je kunt nauwelijks meer denken. En dan, opeens, licht een woord op en zet zich in je vast. Je hebt er een tijdje daarvoor over gelezen, iemand die je kent bleek eraan te lijden. Pancreatitis. Dat moet het zijn. Je grootvader stierf aan alvleesklierkanker, dus zou het kunnen. Je hebt de ziekte niet uitgezocht, de ziekte heeft jou gekozen. Pancreatitis. Opzoeken in de medische encyclopedie. De beschreven symptomen komen heel in de verte overeen met wat je denkt te voelen. Moet onmiddellijk behandeld worden, anders is de afloop fataal. Het is weekend en de huisarts is onbereikbaar. Je bent bang, je durft bijna niet te bewegen. Er zit een soort zwart spul in je hersenen dat je verhindert na te denken en in te zien dat je ontspoort. De fantoomziekte heeft je te pakken. Pancreatitis. De alvleesklier rot weg, aangetast door gore bacteriën. Op de bank opgerold lig je te wachten op de dood of op het moment dat het eindelijk weer maandag is. Tegen die tijd zijn de klachten meestal verdwenen.
Krijg je hoofdpijn, dan herinner je je weer iemand die opmerkte dat hij hoofdpijn had, vervolgens wegzakte in een diepe coma en aan een hersenbloeding stierf. De angst neemt bezit van je, een soort onzichtbaar koud zweet, alsof je opeens tegenover je moordenaar staat. Waarschijnlijk heb je een tumor in je hoofd zo groot als een tennisbal. Als vanzelf ontvouwen zich de meest lugubere scenario’s. Niet operabel, zucht de neuroloog. Of je kaalgeschoren en opengespleten hoofd op de operatietafel, het vetgele vel opgerold, het bot gekraakt, de grijze massa open en bloot. Nu de tumor een feit is geworden, durf je de deur niet meer uit en kun je niet meer slapen, want je vreest dat je niet wakker zult worden en dat ze je pas drie maanden later vinden, nadat de buren herhaaldelijk over stankoverlast hebben geklaagd.


Het is bekend dat hypochonders vaak kinderen zijn van overbeschermende moeders die bij elk pijntje of hoestje in paniek raken. Zij hebben vroeg geleerd dat klagen aandacht schept, zij vragen van de huisarts dezelfde moederlijke geruststelling, het «kusje waar het pijn doet». Vaak ook zijn latere hypochonders in de omgeving van echte zieken grootgebracht, in gezinnen waar het leven om de kwaal van een van de grootouders, ouders, broers of zusters draaide. Zij zien artsen komen en gaan, zij komen al vroeg in ziekenhuizen en horen mooie raadselachtige namen als narcolepsie, diabetes mellitus en pancreatitis. Die fascinerende namen gaan een rol spelen in hun fantasieën en spelletjes. Zij weten dat ziek-zijn iemand belangrijk en interessant maakt, maar hun spelletjes zijn ook bedoeld als magische rituelen om de ziekte te weren en de ander te beschermen door de kwaal desnoods zelf over te nemen.
Als zij volwassen zijn spelen ze die spel letjes nog altijd, alleen zijn het dan regressieve en masochistische minidrama’s geworden. Zij simuleren niet maar wijzen zichzelf aan als slachtoffer — en dus ook held — in magische rituelen die de angst voor ziekte en dood moeten afweren.
Hypochondrie is niet verwant aan hysterie zoals vaak wordt beweerd. Bij de hystericus verwijzen de symptomen naar traumatische gebeurtenissen die niet in woorden kunnen worden omgezet, en zich proberen te uiten via lichamelijke klachten. Bij de hypochonder zijn de symptomen geen symbolisering van een trauma of een verdrongen fantasie, maar op zichzelf staande betekenaars. Losgekoppeld van haar symbolische betekenis fungeert de ziekte nog slechts als teken van angst en psychische onrust.
Hypochonders zijn te vroeg met de feilbaarheid van het lichaam geconfronteerd, zij zien dit lichaam dan ook als hun ergste vijand omdat zij het niet kunnen controleren. Het zijn dwangneurotici die steeds weer dezelfde bezwerende rituelen herhalen, het zijn ook mensen die overgevoelig zijn voor de werking en het ritme van het lichaam en bezeten raken door waarnemingen waarvan andere mensen zich niet bewust zijn. Zij weten dat het lichaam zelf weet wat het mankeert maar dat niet rechtstreeks kan vertellen, zij proberen te luisteren naar de signalen die het afgeeft. Aangezien bij hen kennis over lichamelijke processen ontbreekt, fantaseren ze er vervolgens weer op los.


Hypochondrie is verbonden met de steeds verdergaande medicalisering van westerse samenlevingen en de dwingende eis om gezond te zijn. Ziekte stigmatiseert en maakt mensen angstig, en om die reden zal de stoornis ook steeds vaker voorkomen. Hypochondrie treft allerlei mensen en is erfelijk en besmettelijk. Moeders geven het door aan hun kinderen, echtgenoten en geliefden infecteren elkaar. Opeens denkt zij een nier-calculus te hebben, hij is ervan overtuigd dat er een acuut myocardisch infarct onderweg is of raakt panisch voor het op wc’s oplopen van syfilis met korsten en druipende zweren.
Zelfs dit verhaal kan gevaarlijk zijn, want misschien had u altijd al aanleg en bent u op de gedachte gebracht. Heeft u ergens pijn, voelt u zich misschien niet helemaal tof? Heeft u last van aanhoudende hik? Dat kan wijzen op een nierdefect, maar ook op het begin van een dodelijke attaque, een niet opereerbare tumor in het verlengde merg, een opkomende hartaanval of een aneurisma van de aorta. U weet zelf niet half wat u allemaal onder de leden kunt hebben.