De lijst van Mengelberg

Walter van der Kooi ziet veel meer dan hij in zijn Kroniek kan bespreken. Deze week: De lijst van Mengelberg.

‘Hooggeachte professor en lieve meneer Mengelberg, Zoo graag wil ik U zeggen hoe dankbaar ik U ben. Maar woorden zijn zulke domme dingen. Het echt wezenlijke dat iemand voelt is tóch niet in woorden uit te drukken – dat kan alleen in muziek. Wees dus niet boos om dit ene korte zinnetje – het enige wat ik bedenken kan: U bent een echte vriend.’

Alleen al dit briefje, en korte filmbeelden van de schrijfster ervan, zouden het kijken naar de documentaire De lijst van Mengelberg de moeite waard maken – maar er is veel meer. Het komt van Henriëtte Bosmans (1895-1952), pianist en componist. (Doordat de muziekwereld, als in een omgekeerd MeToo, recent ontdekte dat naast Hildegard von Bingen, Fanny Mendelssohn en Alma Mahler nog veel meer vrouwen noten op papier hebben gezet, worden op Radio 4 met enige regelmaat Bosmans’ composities ten gehore gebracht. Net als die van veel meer ongehoorde vrouwen, van Renaissance tot nu. Ware juwelen zijn erbij.) We zien, in bewegend beeld, een modieuze vrouw samen met haar moeder, Sara Bosmans-Benedicts, ook pianist, die uit Westerbork werd vrijgelaten op voorspraak van de Maestro. Vandaar het briefje waarin wijselijk de oorzaak voor dankbaarheid verzwegen werd. Door haar niet-joodse vader (overleden toen ze één jaar was) werd Henriëtte zelf niet direct bedreigd.

Voor wie, als ik, Willem Mengelberg alleen kent als de man die in 1945 een levenslang (in ’47 tot zes jaar teruggebracht) dirigeerverbod kreeg van de ‘Centrale Ereraad voor de Kunst’, vanwege vergaande collaboratie, zal dit een verrassing zijn. Ook het Wikipedia-hoofdstuk over Mengelberg bevat noch deze interventie, noch een groot aantal andere, waarbij hij er door brieven aan autoriteiten vaak in slaagde om te voorkomen dat joden naar Westerbork moesten. De casus-Bosmans is extra interessant omdat Mengelberg zich in eerste instantie inzette voor de musici in zijn eigen, door hem beroemd gemaakte Concertgebouworkest. Als er in april 1941 oekaze komt de joodse leden te ontslaan (het bestuur werkte mee) komt hij in een pijnlijk parket. Enerzijds is er zijn sympathie en bewondering voor de herstellers van het vernederde Duitsland en deszelfs superieure cultuur, anderzijds is hij in paniek: ‘Mijn orkest gaat eraan.’ De Ereraad beschouwde zijn initiatieven ten gunste van ‘zijn’ joodse muzikanten daarom als ‘eigenbelang’. Wat het deels was, maar toch ook weer niet louter. Bovendien maakten Sara en Henriëtte geen deel uit van het orkest. Vader Henri Bosmans, aanvoerder van de cellisten, wel, maar die was al in 1896 overleden. Mengelberg, in 1895 opvolger van Willem Kes, had hem dus maar even meegemaakt. Willem moet Sara en Henriëtte uiteraard wel gekend hebben uit het muzikaal circuit.

Mengelbergs eerste ‘pro-joodse’ initiatief was het verzoek aan Seyss-Inquart (groot liefhebber van de klassieken, man van beschaving) om dispensatie voor zijn toporkest inzake de ontslagmaatregel die alle gesubsidieerde orkesten betrof. Dat was, met zestien joodse leden, te veel gevraagd, maar de Rijkscommissaris maakte een genereus gebaar richting zijn topdirigent: hij mocht er drie (!?) houden. Hij koos op onbekende gronden (on-joods uiterlijk, oftewel niet lijkend op de antisemitische karikatuur, is wel gesuggereerd maar hoogst onwaarschijnlijk) in elk geval violist Sam Tromp en cellist Samuel Brill. Kinderen van Sam en Samuel behoren tot de hoofdpersonen in de documentaire: Aart en Greetje Tromp; Paul Brill, oud-Groene- en –Volkskrant-redacteur en degeen die het idee voor deze film had. De redding van de drie musici was van korte duur: een halfjaar later mochten joden openbare gebouwen niet meer in, dus einde dienstverband. Bij een razzia werd Brill opgepakt, waarna een Nederlandse arts hem ‘geschikt voor arbeid’ verklaarde, maar een Duitse arts, na een blik op zijn handen, naar zijn beroep vroeg. ‘Ik speel in het Concertgebouworkest bij Mengelberg.’ ‘Gaat u maar naar huis en meldt u morgen.’ Onmiddellijk ondergedoken, bij een Veluws streng-christelijk gezin, de man een oud-leerling – en ten tweeden male, indirect dit keer, gered door Mengelberg. En door die arts natuurlijk, want diens advies/opdracht lijkt me equivalent van ‘maak dat je wegkomt’.

Zulke verhalen over toeval en wonderbaarlijke mazzel, die ook nog eens tegen je kijkersverwachting in gaan (de Duitser gaf de ontsnappingskans), maken documentaires over de gruwel altijd weer een verwarrende en confronterende ervaring. Want je beseft dat het lot voor anderen precies de andere kant op werkte (door stom toeval gepakt, zij het binnen een systeem dat op vernietiging was gericht – en laten we verraad niet vergeten); en dat bouwvakkershanden je geen schijn van kans hadden gegeven na die razzia. Zoals ook in dit grotere verhaal duidelijk wordt dat een joodse maatschappelijke bovenlaag, financieel en/of cultureel, statistisch iets meer kans op overleven had dan de anderen. Verwarrend en confronterend ook omdat je met zo een constatering lijkt te suggereren dat welvarend en/of hoogopgeleid en/of artistiek begaafd en ten gevolge daarvan overleven iets dubieus’ zou zijn. Alsof niet het Nazi- en NSB-tuig plus trawanten de hoogste treden van walgelijkheid bereikten. Alsof jezelf en je dierbaren redden niet zou deugen. En ja, er zijn wonderbaarlijke staaltjes van altruïsme geweest – kennelijk de strenge norm voor vrijblijvende criticasters, onder wie antisemieten.

Mengelberg wist bij voorbeeld een flink aantal van zijn orkestleden op de voorlopig beschermde lijst-Frederiks te krijgen, de Barneveld-groep. Tot hem in 1943 verboden werd nog meer kandidaten aan te dragen. Een aanvraag voor vioolsoliste Betty Francken–Schwabe was de laatste, en tegelijk de eerste die werd afgewezen: ze werd in juli in Sobibor vermoord.

Dat de familie Tromp overleefde, was trouwens ook door een combinatie van wijsheid en stom ‘geluk’. Meerdere joodse buren in hun straat werden weggehaald. De Tromps hielden zich doodstil. Ze hoorden de jagers het er bij laten door de familienaam (‘das sind keine Juden’). Later werd het toch Barneveld, Westerbork, Theresienstadt. Was Barneveld een ‘bevoorrecht’ oord, ook in Westerbork kreeg die groep een eigen barak die een jaar lang gevrijwaard bleef van de treinen naar het Oosten. Tot het er dus toch van kwam. Maar zelfs toen Theresienstadt werd leeggehaald, mocht de Barneveldgroep blijven.

Nog een casus wordt behandeld in het verhaal van Helly Oestreicher. Haar grootvader, Ernst Laqueur, wetenschapper, ondernemer, medeoprichter van Organon, al in de jaren twintig christen geworden, en muziekvriend van de Mengelbergs, wist met hulp van Willem het gezin van zijn dochter, dat op het Amstelstation al klaar stond voor Westerbork, nog net te behoeden voor die deportatie. Niet afdoend: het gezin werd uiteindelijk toch op transport gesteld, op Helly na, die ziek was en op wier kamerdeur vader een briefje met ‘difterie’ plakte. Ze werd naar ziekenhuis De Joodse Invalide gebracht, waar opa haar door het verzet uit vandaan wist te laten smokkelen. Een liefhebbend echtpaar in Gorssel nam haar op en na de bevrijding werd ze herenigd met haar zusjes. Hun ouders waren dood. Deze en andere verhalen kunnen niet genoeg verteld. Wat dat betreft is het een ‘rijke’ documentaire – zij het rijk aan treurnis die de vreugde over overleven altijd kleurt.

Maar terug naar Mengelberg en zijn ‘lijst’. Gids door de film is zijn biograaf Frits Zwart, onbetwiste autoriteit. Al bij begin laat hij in een archief een stapel kranten zien, de Völkischer Beobachter, dagblad van de NSDAP, afkomstig uit het afgelegen Zwitserse chalet van Mengelberg. En geheel voorzien van onderstrepingen, uitroeptekens, pijlen, bravo’s – eigenlijk net als in zijn partituren, zegt Zwart. Het is alleszeggend en stuitend en laat geen twijfel over ’s mans gezindheid. En het is de ontdekking van deze krantenstapels die de biograaf, die natuurlijk al goed wist met wie hij van doen had, toch slapeloosheid bezorgde – vertelt hij aan Paul Brill als ze samen in de Chasa Mengelberg zijn en in een kelder de onaangename buit bekijken. (Zijn die opnamen gemaakt voor ze naar het archief zijn overgebracht?) Maar… de film gaat over dat wat je van zo iemand niet zou verwachten. En Zwart vindt terecht dat dat ook verteld moet. De vraag dringt zich dan op: is dit oproep tot rehabilitatie? En zo ja, van wie komt die dan? Van de biograaf; de nabestaanden van geredden; de EO, afdeling Joodse Omroep; de regisseur?

Van historicus Pauline Micheels zeker niet. Zij maakt ook bezwaar tegen de term ‘de lijst van Mengelberg’, als zou die bestaan en gewerkt hebben als de lijst van Frederiks en Van Dam (Barneveldgroep). Mengelberg heeft voor 48 personen actie ondernomen (van wie 34 overleefden). Conclusie: dat heeft de Ereraad niet meegewogen, wat juridisch dubieus is. De indruk leeft ook dat Mengelberg, met zijn grote beroemdheid, als voorbeeld moest dienen. Zijn dossier lag bovenop en was in no time afgehandeld. Kort voor het eind horen we de stem van, naar ik aanneem, regisseur Jaap van Eyck als hij Zwart interviewt. Die vindt het ‘heel raar’ dat Mengelbergs inzet niet naar voren is gebracht: ‘Dat had hem vrij kunnen pleiten.’ Die formulering lijkt me hoogst ongelukkig: van collaboratie, van verraad aan joodse componisten, van weerzinwekkende opvattingen? Maar dan hoor ik in radioprogramma Opium Van Eyck zeggen dat hij toch niet voor rehabilitatie is. En hij voert een opvallend argument aan.

In zijn film kijken Aart en Greetje Tromp naar foto’s, waaronder eentje die Aart thuis aan de muur heeft hangen. Een groepsportret waarop hun vader als jonge man staat, samen met elf broers en zusters. (Een arm Gronings gezin, waarvan alleen hun vader door kon studeren – viool.) Van de twaalf zijn er twee teruggekomen. Op twee na waren ze allemaal getrouwd. Aart: ‘Dan kom je op veertig. Daar kom je nooit overheen.’ Dat gaf voor Van Eyck, althans in zijn radio-interview, de doorslag. Juridisch misschien niet sterk, maar begrijpelijk. Paul Brill vindt enige vorm van erkenning op zijn plaats ‘voor zijn inspanningen op menselijk vlak’. Zwart zegt dat Mengelberg louter wordt nagedragen wat hij heeft nagelaten – nooit is verteld dat hij tientallen heeft gered. Maar even helder vertelt hij hoe de grote kunstenaar ook na de oorlog nooit op enige zelfreflectie te betrappen is geweest. Die vond zichzelf louter slachtoffer – geen woord over de ontelbare echte slachtoffers. We zien hoe hij, in animatie, op het balkon van zijn chalet de New York Times voor zich heeft: ‘Nazi’s murdered six million Jews.’ Hij schrijft er iets bij, net als hij placht te doen op de Völkischer Beobachter: ‘Ist das wahr?’ En ik vraag me af of zo een krant echt bij de stapels zat, of dat het een artistieke ingreep is. Ongemakkelijk.


Jaap van Eyck, De lijst van Mengelberg, EO/Joodse Omroep, dinsdag 4 mei, NPO 2, 22.45 uur