De onzichtbare speechschrijvers van bewindslieden

«De lintjes, dat is een verademing»

Ze zijn onzichtbaar, maar o zo belangrijk, de speechschrijvers van bewindslieden. Nu zijn ze zelf aan het woord. «Als Clinton op tv een mooi verhaal houdt, komt de minister naar me toe. ‹Dat wil ik ook›.»

«Ik besta niet», zei de speechschrijver van het ministerie van Justitie aan de telefoon. En ook andere departementale scribenten leken op voorhand met bescheiden existentiële twijfels te kampen. Ze schrijven zichzelf weg, moeten onzichtbaar zijn. Proberen een toespraak te maken zoals de minister dat zou doen. Ze zijn ghostwriter, ze bestaan niet. Dat beeld moet blijven.

Edmée Tuyl, de speechschrijfster van Annemarie Jorritsma, gaat soms mee als haar minister een voordracht houdt. «Dan weet ik heel goed dat die speech door mij is geschreven. Maar als ik haar hoor spreken, dan raak ik helemaal overtuigd. Dan denk ik: ze vertelt écht een mooi verhaal.»

«Dus jij schrijft zo goed dat je er zelf intrapt!» smaalt Richard de Wit, de man van Justitie.

Tuyl: «Ook als ik er maar een kiem van mezelf in bespeur, dan weet ik dat andere mensen toch zullen geloven dat de minister het zelf heeft geschreven.»

Renée Broekmeulen, Binnenlandse Zaken: «Als ik op verjaarsfeestjes vertel dat ik speechschrijver ben, is iedereen verbaasd. Men denkt echt dat de minister dat zelf doet. Een bewindsman houdt die illusie graag in stand. Ik weet nog dat Aad Nuis, nadat ik een jaar voor hem had zitten zweten, bij zijn exitinterview zei dat hij iedere ochtend om vijf uur opstond om zijn eigen speeches te schrijven. Ik dacht: goh, wat deed ík dan al die tijd?»

Tuyl: «Je bent net zo onzichtbaar als een beleidsmedewerker. Ambtenaren zijn onzichtbare toeleveranciers van ideeën en argumenten die in de Kamer pas zichtbaar worden gemaakt. Retorica in de pure vorm, met de zoektocht naar de waarheid — een prachtige combinatie. We proberen de gedachten vanuit het departement waarlijk te verwoorden, op een manier die overkomt.»

Broekmeulen: «Dat is waarom maar weinig bewindslieden willen toegeven dat ze speechschrijvers hebben. Dat iemand welbewust bezig is alles van tevoren onder woorden te brengen en waar mogelijk te verfraaien, daar kleeft nog steeds iets viezigs aan. Iemand als Nuis kon het goed verbergen. Hij kon een verhaal van a tot z voorlezen, en altijd waren er mensen in een zaal die zeiden: ‹Hè, die man komt tenminste spontaan en erudiet over.› Dat is natuurlijk perfect: een bewindspersoon die het brengt alsof hij het ter plekke verzint. Dan ben ik echt gelukkig.»

Den Haag, een donderdagochtend in mei. In de werkkamer van Richard de Wit in het departement aan de Schedeldoekshaven zijn op uitnodiging van De Groene Amsterdammer vier ministeriële speechschrijvers bijeen. Drie van de vier kennen elkaar. In 1998 zijn Edmée Tuyl (1966, filosoof, Economische Zaken), Renée Broekmeulen (1963, jurist, Binnenlandse Zaken) en Richard de Wit (1967, bestuurskundige, Justitie) met een delegatie vakgenoten gezamenlijk naar de Verenigde Staten geweest om van de gelouterde collega’s daar de fijne kneepjes van het in Nederland betrekkelijk nieuwe metier te leren. Joost van der Vleuten (1961, neerlandicus, Verkeer en Waterstaat), was er toen niet bij. Maar op de inmiddels in het leven geroepen «speechschrijversborrel» op het Haagse Plein is hij veel van zijn collega’s al eens tegen het lijf gelopen.

Ministers ontvangen elk jaar duizenden verzoeken om ergens een praatje te houden. Om de enkele honderden geselecteerde optredens in goede banen te leiden, werken ministeries sinds een paar jaar met speciale tekstschrijvers, die van weinig doorgrondelijk beleid een aansprekende toespraak kunnen smeden. Tien jaar geleden nog leverden beleidsmedewerkers een doorgaans droge ambtelijke tekst, waaraan de minister na het voordragen «dames en heren, ik dank u voor uw aandacht» diende toe te voegen. Met de professionalisering van de overheidsvoorlichting heeft inmiddels vrijwel elk departement een of meer tekstschrijvers in dienst gekregen. Vaak fulltime zijn ze bezig met het schrijven van toespraken voor minister en staatssecretaris. Want: voor één minuut tekst staat één uur voorbereidingstijd.

In de onlangs verschenen bundel Overheidscommunicatie: De nieuwe wereld achter Postbus 51 (Boom) schrijft Jan Snoek, net als Edmée Tuyl verbonden aan het ministerie van Economische Zaken, over de opmars van de politieke speechschrijver. Hij noemt de speech «een communicatie-instrument met grote mogelijkheden». Omdat in de nieuwe economie «ideeën en creatieve concepten» belangrijker zijn dan fysieke producten is, aldus Snoek, de kans groot dat de komende jaren een «renaissance van de redenaarskunst» te zien zal zijn. Speeches zijn immers «bij uitstek een middel waarin die ideeën gestalte kunnen krijgen», schrijft hij.

Een van de basisprincipes van de goede speech is in Snoeks optiek geloofwaardigheid. De spreker moet het verhaal vertellen alsof het het zijne is. Nergens mag blijken dat op de achtergrond een speechschrijver dagenlang aan de tekst heeft zitten schaven. Dat nu gaat soms fout. Voormalig minister Dales bijvoorbeeld. Halverwege het voordragen van een toespraak riep zij uit dat ze, tot haar eigen verbazing, met de zoëven voorgedragen passage best tevreden was. Sterker, ze was het er zelfs mee eens, meldde ze het publiek. Jan Snoek noemt een «burgemeester van een grote Nederlandse stad», die zijn toespraken af en toe onderbrak met een sneer naar de auteur van de tekst: «Dat schrijf je in dit verband met dt, afdeling Voorlichting!»

Richard de Wit: «Het idee moet blijven bestaan dat de minister zélf zijn speeches maakt. En in wezen doet hij dat ook, want hij is nog altijd degene die het verhaal draagt en daarmee het belangrijkste deel voor zijn rekening neemt. Wij plaatsen ons naast de beleidsmedewerkers. De inhoud van het verhaal en de argumenten moeten bij hen vandaan komen. Wij gaan het dan verfraaien, aanpassen en stilistisch opleuken. Als een beleidsmedewerker een verhaal goed opschrijft, zijn wij niet nodig. Maar dat komt maar heel zelden voor.»

Van der Vleuten: «Je moet gewoon een aantal mensen hebben die het ambtelijke taalgebruik er elke keer weer van afstrippen. Overigens lukt dat niet altijd. Ik heb laatst mijn speeches eens doorgenomen op de term ‹leefbaarheid› en nog wat van die gruwelijke woorden. Dan staat het schaamrood je echt op de kaken. Eigenlijk kun je maar twee jaar aanblijven als speechschrijver, dan ben je zelf ook besmet.»

Tuyl: «Het aardige is toch dat je in het taalgebruik tegengas kunt geven. Je zit dicht bij het vuur, maar in tegenstelling tot een heleboel beleidsambtenaren mag je er gewoon eigenwijs tegenin gaan. Niet alleen als iets niet loopt, zeg ik het, ook als ik het bijvoorbeeld een slecht idee vind om op een bepaald moment weer over marktwerking te gaan praten.»

Broekmeulen: «Je hebt veel meer contact met de minister. De meeste beleidsambtenaren zien de minister nooit, terwijl wij er zo naar binnen lopen.»

Beleidsambtenaren leveren «bouwstenen» voor de toespraak. Op het ene ministerie vult de beleidsmedewerker hiertoe een standaardformulier in, op het andere ministerie neemt de speechschrijver de beleidsmedewerker een interview af. De onfortuinlijke speechschrijver krijgt een metershoge stapel nota’s op het bureau en moet er naar gelang het te verwachten publiek maar iets van zien te maken. Vervolgens is het zaak je als tekstschrijver zo veel mogelijk in de minister te verplaatsen. Je moet elkaar door en door kennen. «Soms schrijf ik dingen waar ik zelf hard om moet lachen. Dan weet ik dat Korthals daar ook om zou moeten lachen. Ik ken zijn humor», zegt De Wit.

Een speechschrijver kan ook veel van zichzelf kwijt. Van der Vleuten: «Een nichtje van mij kwam twee jaar geleden onder een vrachtauto en sindsdien heb ik overal waar mogelijk in speeches laten opduiken dat de maatschappelijke kosten van verkeersslachtoffers vijf keer zo hoog zijn als die van de files.»

Broekmeulen: «Iedereen heeft natuurlijk zijn eigen stokpaardjes. Als het gaat over grote stedenbeleid, dan kan ik het niet laten om iets te zeggen over de architectuur van zo'n stad. Daar schrijf ik nu eenmaal graag over.»

En dan denkt de toehoorder: de minister is erg geïnteresseerd in architectuur.

Van der Vleuten: «Als het absoluut niet zou sporen, dan zou het ook nooit in een speech terechtkomen.»

Broekmeulen: «Je adviseert, net als alle andere ambtenaren. Je mag nooit iets citeren uit een boek dat een bewindspersoon niet gelezen zou kunnen hebben. Soms zijn er dingen die echt niet passen. Je moet Aad Nuis bijvoorbeeld niet laten citeren uit Bloem of zo. Ik schrijf heel verschillend voor de diverse bewindslieden. Ik heb ook een half jaar voor Dijkstal geschreven en dat was duidelijk iets anders dan schrijven voor Peper of De Vries.»

Tuyl: «Af en toe denk ik als ik begin dat het voor de staatssecretaris bedoeld is. Even later blijkt het toch voor Annemarie te zijn. Dan moet alles weer weg.»

Van der Vleuten: «Je moet de juiste stem erbij kiezen. Jorritsma kreeg toen ze nog op Verkeer en Waterstaat zat een totaal ander soort teksten dan Netelenbos en Monique de Vries nu willen. Er is een aantal besprekingen overheen gegaan voordat het weer klopte.»

Tuyl: «Het is een proces dat je samen doormaakt, de minister en de speechschrijver. Je ziet elkaar vaak, in ieder geval vaker dan andere beleids medewerkers een minister zien, maar toch nog te weinig. Je zou elkaar door en door moeten kennen om iemand aan te voelen en daarop te kunnen schrijven. Ons werk vereist een grote fantasie, veel invoelings vermogen.»

De toespraken die de speechschrijvers afleveren (per persoon soms meer dan honderd per jaar), zijn meestal bedoeld voor de optredens die de minister of staatssecretaris her en der in eigen land verzorgt. Bij een buitenlandse reis krijgt de minister een totaalpakket van rond de twintig toespraken mee. De spontane woorden die bij aanvang van lunch of diner gesproken worden, zijn vaak al weken tevoren door de speechschrijver, die doorgaans niet meereist, op papier gezet. «Dat is echt hel», aldus Joost van der Vleuten. «Het zijn verhalen waar je vaak niks bevlogens in kwijt kunt: verplichte figuren.»

Op Nederlandse bodem zijn er ook weer vele varianten mogelijk: er is bijvoorbeeld feest publiek en vijandig publiek, zegt Renée Broekmeulen. «Als een minister van Onderwijs bij een stel leraren langs moet, noemen wij dat argumenteren bij weerstand.» Soms zit de zaal vol specialisten en soms vol met mensen die het beleid van de rijksoverheid moeten uitvoeren. «Die mensen wil je meenemen in je beleid. Je moet die brandweermannen en politieagenten omarmen en zeggen: we doen het samen. Ook migranten trouwens.»

Bij belangrijke gebeurtenissen of nogal uitdijende dossiers worden ook de teksten voor een kamerdebat door de ghostwriters in elkaar gedraaid. Bij Verkeer en Waterstaat bijvoorbeeld «om bij de begrotingsbehandeling van 234 antwoorden op kamervragen toch nog een beetje een lopend verhaal te maken». Partijpolitieke bijeenkomsten zijn in principe taboe. «Maar de grens is vaag», geeft Broekmeulen toe. «Alleen als Klaas de Vries als minister van Binnenlandse Zaken de PvdA toespreekt, schrijven wij het. In andere gevallen gaat het in overleg met de politiek adviseur.»

De krenten uit de pap zijn echter de voordrachten waarbij elk beleid vergeten kan worden. «De lintjes!» roept Edmée Tuyl. «Dat is een verademing.»

Broekmeulen: «Laatst heb ik de speech geschreven bij het lintje voor Jan Cremer. Dat is echt geweldig. In de zaal zitten dan Tattoo Bob en Sylvia Kristel en zo — een vreemder publiek kun je niet hebben. Je kunt je dan heerlijk uitleven en je hoeft je geen zorgen te maken over de gevoeligheid van bepaalde politieke uitspraken. Je hoeft alleen maar mooie dingen te zeggen.»

Van der Vleuten: «Bij Verkeer en Waterstaat gaat het vooral om lintjes van mensen die veertig jaar in de transportwereld hebben gezeten. Dan moet je de halve familie afbellen op zoek naar leuke gegevens. Uiteindelijk ben je dan tevreden als je hoort dat de betreffende jubilaris de drie loodsen voor zijn vrachtwagens vernoemd heeft naar zijn drie dochters. Tja. Ik kan voor de nieuwjaarsspeech wél altijd uitpakken. Op zo'n dag komt er een inhoudelijke speech die niet direct met beleid of politiek te maken heeft, maar een bespiegelende beschouwing is. Over mens en mobiliteit bijvoorbeeld, of architectuur en de openbare ruimte. Daar beginnen we dan al drie maanden van tevoren aan. Dat is leuk om aan te werken en je zit niet bij elke zin met de afweging of iets beleidsmatig wel kan. Het gaat primair om een mooi verhaal waarbij je dingen die continu spelen van een achtergrond voorziet. Met fijne citaten van Martinus Nijhoff of Bruce Chatwin.»

Tuyl: «Bij zo'n gezellige gelegenheid komt natuurlijk meer de creatieve schrijver in ons aan zijn trekken. Na een mooi intro heb ik in andere gevallen toch vaak iets van: o ja, nu moet ik weer aan dat beleidsstuk gaan beginnen. Hoe zat het toch ook weer met die tweede stap uit het liberaliseringsmodel?»

In bakermat Amerika wordt door een team van speechschrijvers maandenlang aan de jaarlijkse State of the Union gewerkt. Die toespraak kan niet alleen de president maken of breken, ook de speechschrijver zelf is er in bepaalde mate van afhankelijk. Vertrekt de politicus, dan vertrekt de speechschrijver ook. In Nederland blijft een speechschrijver, net als iedere andere ambtenaar, gewoon aan het ministerie verbonden als er een nieuw kabinet komt. Dat maakt nogal wat uit.

Broekmeulen: «Ik schrijf die teksten niet ter meerdere eer en glorie van mezelf. Ik doe het voor hem, voor mij is het gewoon een baan. Als bewindslieden vinden dat ik niet genoeg op mijn tenen loop, dan zeg ik soms: kijk, jij zit hier voor jezelf en ik ziet hier voor jou. Er zijn grenzen, natuurlijk.»

De Wit: «Ik ben ook meer betrokken bij het departement dan bij de bewindsman. Ik heb aardigheid in de materie die hier bij Justitie op tafel komt. Als je slechts in je minister geïnteresseerd bent, dan hou je het hier nog geen vier dagen vol.»

Van der Vleuten: «Je zorgt er in samenspraak met allemaal groeperingen en bedrijven voor dat er beleid gemaakt wordt. Zo'n speech speelt daarin een rol. Je schrijft ze inderdaad niet voor jezelf alsof het sonnetten of haiku’s zijn, maar je zit als een soort vakman te schaven aan de input van anderen.»

Ondanks de andere positie van de speechschrijver worden de ontwikkelingen in het vak in de Verenigde Staten op de voet gevolgd. Niet alleen door de speechschrijvers, ook door de politici. Broekmeulen: «Als Clinton op televisie een heel mooi verhaal houdt, dan komen ze de volgende ochtend naar me toe. ‹Dat wil ik ook›, zeggen ze dan. Dan is het moeilijk duidelijk maken dat het om meer gaat dan een goede tekst. In Amerika worden die toespraken intensief geoefend. Hier wordt daar weinig aandacht aan besteed.»

Van der Vleuten: «In Nederland wordt behoorlijk low profile gedaan over het belang van speeches. Het zijn geen Bergredes. Als je weet dat er veel pers bij een bepaalde toespraak is, probeer je een leuke oneliner te verzinnen waarvan je weet dat-ie opgepikt wordt.»

Broekmeulen: «Toen ik het verhaal van minister De Vries bij de publicatie van het rapport van de commissie-Oosting voorbereidde, wist ik natuurlijk dat de zinsnede: ‹We moeten niet alleen zeggen wat we moeten doen, maar ook doen wat we zeggen› een dag later in de krant zou staan. Dat is leuk.»

Tuyl: «Of ‹economische groei met de handrem erop›, die hebben wij ooit bedacht.»

In Amerika zouden zulke oneliners eerst voorgelegd zijn aan groepen luisteraars voordat ze worden gebruikt.

De Wit: «Maar dat doe ik ook! Dan loop ik gewoon de gang op en lees ik het in de kamer hiertegenover even voor. Na twee of drie man weet je best of iets leuk is en of het een beetje aardig loopt.»

Van der Vleuten: «Bij Verkeer en Waterstaat worden in toenemende mate focusgroepen georganiseerd over de gedachtegang achter bepaald beleid. Daar doen wij wel ons voordeel mee. Maar oneliners testen op het opwekken van onderbuikgevoelens — nee, dat gebeurt hier niet. Bovendien, vaak zijn de kreten die in de krant terechtkomen bij ons écht de vondsten van de bewindslieden.»

Serieus onderzoek naar het effect van speeches achteraf wordt in Nederland vrijwel niet gedaan. «Wij zijn al blij als we al die speeches af krijgen», verzucht Renée Broekmeulen. Alleen Economische Zaken heeft, aldus Jan Snoek in Overheidscommunicatie, weleens kwalitatief onderzoek gedaan naar de toespraken van minister Jorritsma. Een speech moet «nieuwswaarde» hebben, was de weinig opzienbarende conclusie.

Waar normaal gesproken een speech wordt afgestemd op de te verwachten toehoorders bleek op de studiereis naar Washington dat de Amerikaanse vakgenoten het al niet meer ongebruikelijk vinden om dit om te draaien en het publiek aan te passen aan de speech. Presidentskandidaat Dan Quayle liet voor een belangrijk optreden het publiek zorgvuldig selecteren. Hij zorgde ervoor dat die applausmachine voor de verandering niet in de zaal, maar achter het spreekgestoelte plaatsnam. De televisiekijker zag Quayle, met op de achtergrond de aanhangers die hem tijdens de toespraak hartstochtelijk toejuichten.

Maar dat is Amerika.

Nederland kent niet zo'n sprekerscultuur, is de gedachte. Althans niet in de politiek. In Nederland vind je goede sprekers vooral buiten de politiek. Cabaretiers als Freek de Jonge bijvoorbeeld. Of Gerard Reve, toen die zijn pleitrede in het Ezelproces uitsprak. «Die is echt puntgaaf», vindt Van der Vleuten.

Al te felle redenaars in de politiek zouden de gepacificeerde en gedepolitiseerde samenleving maar in verwarring brengen. De kreukelpakken en verwarde haren van Joop den Uyl in de jaren zeventig leken al helemaal niet door retorische lessen ingegeven.

Van der Vleuten: «Dat zou je denken, maar in feite borduurde Den Uyl gewoon voort op de sociaal-democratische retorische school van de jaren twintig en dertig, toen retorica nog niet verdacht was. De traditie van het spreken in het openbaar. Als je let op zijn formuleringen, dan hoor je echt ouderwetse volzinnen. Hij citeerde ook volkomen verstarde dichters als Albert Verweij. Zijn kreukeligheid en bevlogenheid sloten weer wél aan op de tijdgeest van de jaren zeventig. Maar retorica mocht je het toen niet noemen. In de tijd van de havenstakingen verscheen eens een vakbondsman met een lange leren jas aan op een container. ‹Had hij die pooiersjas niet uit kunnen laten?› schreef een journalist. Zo'n jas, ook dat is retoriek.»

De Wit: «Dat kan nu echt niet meer. Het zou buitengewoon verdacht zijn als je nu met zo'n demagogisch verhaal aankomt en met stemverheffingen en gebaren een menigte probeert te overtuigen. Dan denkt iedereen: wat doet die idioot?»

Van der Vleuten: «Zelfs een actiepoliticus als Marijnissen gebruikt dat hele arsenaal aan middelen nog nauwelijks.»

Tuyl: «Net nu dat vak van ons een beetje opkomt, vervlakt alles. Dat is eigenlijk best zuur.»