De liro-schok

Vorige week meldde De Groene Amsterdammer dat er aan het eind van de jaren zestig op het Agentschap van Financiën te Amsterdam een onderhandse verkoop heeft plaatsgevonden van in de oorlog aan de joden ontroofde kleinoden. Het bericht sloeg golven van emotie en afschuw los. Het leek soms of pas nu tot het bewustzijn doordrong wat niet-joodse Nederlanders met hun joodse medeburgers in én na de oorlog hadden laten gebeuren.

Het bericht was dermate onthutsend dat hier en daar twijfel werd uitgesproken aan de juistheid ervan. Medewerkers die indertijd aan het Agentschap waren verbonden, verklaarden dat ze zich niets herinnerden. Anderen meenden dat een dergelijke daad van gevoelloosheid gewoonweg niet had kúnnen gebeuren.
Voorzover er voor die twijfel plaats was, moeten we die - helaas - in deze Groene wegnemen. Deze week is in de kelders van het ministerie van Financiën een schriftelijk bewijsstuk van de onderhandse veiling gevonden. Het betreft een afrekening van een onbekend aantal bij die gelegenheid ter verkoop aangeboden spullen. Vlak voordat het ministerie een informatiestop afkondigde, bevestigde de woordvoerder van minister Zalm tegenover De Groene Amsterdammer de vondst van dit bewijsstuk.
Medewerkers van Financiën werken zich dezer dagen door enige kilometers archief heen. Onduidelijk is nog welk bedrag er in totaal met de veiling gemoeid was. Ook is het niet duidelijk voor hoeveel er aan externe opkopers van de hand is gedaan en of er buiten de veiling om goederen voor niets of voor bijna niets aan medewerkers van het Agentschap mee naar huis zijn gegeven. De gevonden afrekening vermeldt een opbrengst van circa vijftienhonderd gulden.
Maar ook als er méér afrekeningen worden gevonden - zij het van externe verkopingen, zij het van de onderhandse veiling, zij het van losse verkoop -, dan nog zal het alles bij elkaar niet om een erg omvangrijke som gelds gaan. Al het aan de joden ontstolen goed dat geldelijk van waarde was, werd lang voordien al door de roofbank Lippmann-Rosenthal naar Duitsland versleept of in Nederland verpatst. En van het weinige dat na de oorlog werd teruggevonden is een deel uiteindelijk weer bij de eigenaars of hun nabestaanden terechtgekomen.
Maar zelfs dan.
Zelfs als het bij elkaar ‘slechts’ om enkele duizenden guldens van toen, enkele tienduizenden van nu zou gaan. Zelfs dan is het ongehoord dat het laatste beetje tastbaar resterend eigendom onder de marktwaarde en onderhands aan het beherend personeel en aan opkopers van buitenaf werd verkocht. Daar doet ook het feit niets aan af dat de opbrengst van de veiling naar alle waarschijnlijkheid direct of indirect ten goede is gekomen aan het Joods Maatschappelijk Werk.
En ondertussen rijgen de hardvochtigheden zich aaneen tot een steeds langere ketting. Na het gestolen joodse goud kwamen de 'afgekochte’ joodse verzekeringen. Na de verzekeringen kwam het bezit. En nu weer - zie hiernaast - de niet uitbetaalde inschrijvingen in het Grootboek van de Staat der Nederlanden.
Alle kralen hebben met elkaar gemeen dat het om geld lijkt te gaan. Om enkele duizenden of om vele miljoenen. Dat is zo, en tegelijk is het schijn: het is alsof goud, geld, goederen en waardepapieren de taal bieden waarin wél gesproken kan worden over het anders nauwelijks benoembare.
Voor zover het om geld gaat zal de commissie-Kordes, vorige week door minister Zalm ingesteld, hopelijk tot bevindingen komen die aan alle onduidelijkheid een einde maken. Maar voor dat andere, dat zoveel moeilijkere en emotionelere dat achter de cijfers van de slotbalans schuil gaat - ook daarvoor is het nu de tijd om woorden te vinden en die uit te spreken. De vloedgolf van ellende en verdriet, door de vondsten en onthullingen van de laatste weken opgestuwd, heeft voorgoed een einde gemaakt aan het overzichtelijke Nederland van de goeden en de fouten en van het onschuldig volk daartussenin. Hoe onschuldig zijn zij die hebben gegeten aan de tafel van hun weggevoerde joodse buurman of die de oorbellen hebben gedragen van hun vermoorde joodse buurvrouw? En die tegen de uit Auschwitz teruggekeerden hebben gezegd dat ze wel moesten begrijpen dat het in Nederland onder Hitler ook geen pretje was?
Er wordt de laatste dagen gesproken van een mogelijke parlementaire enquête. Dat is een uitzichtloze weg. Het gaat niet om het vaststellen van politieke verantwoordelijkheden. Het gaat om het onder woorden brengen van een meer of minder collectieve schuld. Om een pijnlijke inkleuring van het grote grijze gebied tussen verzet en collaboratie dat bewoond wordt door de wegkijkers en de kleine profiteurtjes: door allen die zich tot nu toe aan een moreel oordeel hebben kunnen onttrekken. Het is geen tijd om vast te stellen dat minister Zalm zou moeten aftreden of dat, ik noem maar, ex-minister Witteveen had moeten aftreden. Het is tijd voor een publiek gewetensonderzoek, voor een tv-serie à la Loe de Jongs Bezetting, maar dan over het gedrag van Nederlanders na de oorlog. De Jongs serie bracht indertijd een zuiverend schokeffect teweeg waar het de jaren('40-'45 betrof. Ook nu is er behoefte aan een Nationaal Geweten dat publiekelijk de vinger op de wonde plek legt. Alleen dan kan dit land in het reine te komen met het wangedrag dat is vertoond van 1945 tot de dag van vandaag.