De liroroofbank

HET IS MAAR één van die paar duizend kaarten in het archief. Er staat maar één artikel op, een heerenvulpenhouder. Hij kwam terecht bij het hoofdkantoor van de roofbank, de vestiging aan de Amsterdamse Muiderschans (de Sarphatistraat, die in de oorlog deze naam kreeg - Sarphati was immers een joodse naam). De pen is ingeleverd op 3 oktober 1942 en al op 4 november 1943 doorverkocht aan Lorjé, tot vier jaar geleden een bekende kantoorboekhandel in Amsterdam. Ze bracht een gulden op - het standaardbedrag voor vulpennen, want Lorjé kocht er tientallen.

Voor mij is de Naam van den Cliënt van bijzondere betekenis, want het zou een oudoom van mij kunnen zijn geweest. Als adres van de cliënt staat op de kaart vermeld: Kamp Westerbork. Blijkbaar wisten ze al in november 1943 dat die oudoom nooit meer terug zou komen. Zijn bezit en dat van al die andere gedeporteerde joden kon toen al worden verkwanseld.
Als ik Loe de Jong erop na lees, waren die al te minutieus ingevulde kaarten het enige wat zorgvuldig was aan de opzet van de Liro-roofbank. Of het moet de sluwheid zijn geweest waarmee de Duitsers de naam van een internationaal goed aangeschreven joodse bankinstelling namen en daarvan een filiaal met dezelfde naam tot roofbank voor al het joodse bezit bombardeerden.
Lippmann, Rosenthal & Co. was een kleine bank, gevestigd in de Nieuwe Spiegelstraat te Amsterdam. Ze had goede connecties in Zwitserland, Engeland en de Verenigde Staten. Er waren twee joodse firmanten, Edgar Fuld en Robert May, die in 1941 een Duitse Verwalter kregen, Alfred Flesche. Flesche bleek geen onfatsoenlijk man. Hij behoedde in elk geval de twee firmanten en de moeder van een van hen voor deportatie en zorgde ervoor dat hun vermogens intact bleven.
Al kort na zijn benoeming kreeg Flesche opdracht een apart bedrijf op te richten. Dat zou in naam onderdeel uitmaken van zijn bank, maar overigens zelfstandig zijn. Dit nieuwe bedrijf kreeg als werkruimte het souterrain en de parterreverdieping van een bijkantoor van de Amsterdamse Bank aan de Sarphatistraat 55. De Duitse bankier dr. Walter von Karger werd tot directeur benoemd. De nieuwe bankinstelling heette Lippmann-Rosenthal-Sarphatistraat en bleef ook zo heten toen de Sarphatistraat tot Muiderschans was omgedoopt. Flesche weigerde zich met die ‘zwijnestal’ te bemoeien. Het werd een volkomen andere instelling waarvoor de naam Lippmann-Rosenthal werd misbruikt. Het is dus beter om deze instelling niet met Lippmann-Rosenthal aan te duiden, maar van Liro te spreken - zoals tijdens de oorlog ook gebeurde. Het nieuwe bedrijf kreeg zijn richtlijnen van dr. H. Fischböck van het Generalkommissariat für Finanz und Wirtschaft.
De vader van Harry Mulisch heeft er tot het einde van de bezetting gewerkt. In Mijn getijdenboek schrijft Mulisch daarover. Karger kwam vaak eten bij de familie Mulisch, hij was een zeer ontwikkelde heer. De jonge Harry was twee keer in het rovershol: 'Overal liep onguur volk met NSB-speldjes; dat is eigenlijk het enige, dat ik mij ervan herinner.’
DEZE LIRO-bank speelde een essentiële rol bij het isoleren en verpauperen van de Nederlandse joden. Op 8 augustus 1941 verscheen een Duitse verordening dat Volljuden al hun contante geld en cheques, voor zover tezamen meer waard dan duizend gulden, op een rekening van die bank moesten storten; hun effecten moesten zij er in depot geven en al hun tegoeden en deposito’s bij andere banken moesten naar de Liro-bank worden overgeschreven. Eerst golden deze bepalingen alleen voor joden die een vermogen hadden van meer dan tienduizend gulden en die in 1940 meer dan drieduizend gulden hadden verdiend. Vanaf maart 1942 gold die beperking niet meer. Het duurde overigens nogal lang voor alles was overgeschreven. De banken maakten er geen haast mee, hoewel er ook niet principieel werd geprotesteerd tegen deze eerste stap in een onteigeningsproces.
Al in januari 1942 begint de Liro-bank effecten uit joods bezit te verkopen, eerst nog met een verklaring erbij dat de joodse eigenaar er 'vrijwillig’ afstand van deed. Toen bleek dat de beurs ze gretig afnam, bleven die verklaringen voortaan weg.
Op 21 mei 1942 verscheen een verordening dat Volljuden vóór 30 juni al hun collecties, kunst, voorwerpen van goud, platina of zilver, alsmede alle edelstenen en parels moesten inleveren bij de Liro-bank, en verder al hun contanten, cheques, effecten en deposito’s voor zover die samen meer dan tweehonderdvijftig gulden waard waren. Ook alle vorderingen op derden moesten worden aangemeld. Geen jood zou dus na 30 juni over meer dan tweehonderdvijftig gulden kunnen beschikken en ditzelfde bedrag mocht hij elke maand van zijn Liro-rekening opnemen, zolang daar voldoende op stond. Ook verzekeringsmaatschappijen werden verplicht kapitaalverzekeringen aan joden te melden. Volgens De Jong hebben lang niet alle joden zich aan deze bepalingen gehouden. Van de goederen die bij de bank terechtkwamen, was de helft in beslag genomen door ophaalploegen en dus niet al eerder ingeleverd.
De goederen moesten zo gauw mogelijk verkocht worden en de opbrengst ging naar de VVRA (de Vermögensverwaltungs- und Renteanstalt), waar de opbrengst van geliquideerde joodse bedrijven ook al was terechtgekomen. Uiteindelijk moest dit het Duitse rijk ten goede komen, maar volgens De Jong kwam daar niet zoveel van terecht. Er werd zo veel ingeleverd dat de bank het allemaal niet behoorlijk kon administreren. De meeste personeelsleden hadden daar ook weinig behoefte toe. Het was tenslotte een roofbank en daar wilden de personeelsleden, directeur Von Karger voorop, graag een graantje van meepikken. Hij en andere hoge personeelsleden zaten tot hun nek in de zwarte handel.
ALGEMEEN GING men ervan uit dat de gedeporteerde joden niet meer zouden terugkeren. 'Middels het contact hetwelk wij voortdurend met de betreffende autoriteiten onderhouden, is ons bekend’, schreef de directie in januari 1943, 'dat eenmaal van Overheidswege afgevoerde joden geheel uit het maatschappelijk bestel zijn weggenomen en in de toekomst nimmer meer iets van hen zal kunnen worden vernomen. Hierdoor zijn zij, als vanzelf, ook ten opzichte van uw administratie volkomen genihileerd.’
De VVRA maakte zich verder verdienstelijk door een miljoen ter beschikking te stellen voor uitbreiding van het kamp Westerbork en tien miljoen gulden voor de exploitatie ervan. Voor bouw en exploitatie van het concentratiekamp Vught werd 26 miljoen gulden ter beschikking gesteld. Er bleef nog een bedrag van 315 miljoen over.
IN ZIJN HELAAS vergeten Boek zonder titel heeft de journalist en uitgever Eugène van Herpen (voor de oorlog onder meer adjunct-directeur van De Groene) uitgebreid beschreven hoe de Liro-employees de joden tot in het doorgangskamp Westerbork hun laatste bezittingen afpersten.
Van Herpen beschrijft zijn omzwervingen tijdens de oorlog, zijn gevangenneming en zijn aankomst in Westerbork (waaruit hij wist te vluchten). Zijn trein kwam in de nacht aan. In een grote barak werden de nieuwkomers door joods personeel ondervraagd. Toen kwamen ze in een barak met arisch personeel. Dat is Lippmann-Rosenthal. Er loopt een enorme Hercules rond. Een vrouw die al 45 gulden heeft ingeleverd, moet van hem ook nog eens haar tasje omkeren. Een oude man wordt toegebruld: 'Smeerlap! Je staat te liegen! Geld wil ik zien!’ De Hercules rukt een mouw los van zijn winterjas. Uit de schouder komen zeven biljetten van honderd gulden te voorschijn. Iedereen is doodsbenauwd. Een oude vrouw trekt de zool van haar schoen en neemt er drie biljetten van tien gulden uit. Andere vrouwen halen kostbaarheden uit hun bh. Vervolgens moet een meisje het ontgelden. De Hercules trekt haar alle kleren van het lijf. Er komt niets te voorschijn. De volgende dag worden ze allemaal gestraft. Eugène van Herpen zelf heeft niets meer om in te leveren, behalve zijn vulpen. Ook die wordt in beslag genomen. Net als bij mijn vermeende oudoom van de kaart uit het archief.