Jeroen Brouwers op een landweg in België. September, 1995 © Vincent Mentzel / De Beeldunie

Op de middelbare school ontdekte ik begin jaren tachtig samen met mijn klasgenoot en beste vriend Ronald Giphart de literatuur. In een tijdsbestek van enkele jaren lazen we systematisch de oeuvres van Nederlandse schrijvers: honderden verhalen, dichtbundels en romans, briefwisselingen, dagboeken, essays en biografieën. Je kunt ons een willekeurige bladzijde van een boek uit de twintigste eeuw voorleggen en waarschijnlijk zullen we weten welke schrijver aan het woord is. Mijn onvoorwaardelijke en voortdurende liefde voor de vaderlandse letteren stamt uit deze tijd.

Gaandeweg begonnen er voor ons drie hedendaagse romanciers boven de rest uit te steken: Geerten Meijsing, A.F.Th. van der Heijden en Jeroen Brouwers – misschien niet eens omdat ze ‘beter’ waren dan anderen, maar omdat ze van ons waren; we hadden ze hoogstpersoonlijk ontdekt, geen leraar Nederlands had op het bestaan van hun werk gewezen.

Deze schrijvers waren onze Grote Drie, maar de grootste onder hen was Jeroen Brouwers, dit jaar overleden. Wat hem boven de rest deed uit torenen, was zijn met veel aplomb beleden compromisloosheid, het feit dat hij er in De Exelse testamenten (1978) prat op ging ‘geheel verliteratuurd’ te zijn.

We waren kapot van de beginselverklaring die Brouwers in 1982 aflegde in het literaire tijdschrift Bzzlletin en die hij later op diverse plekken zou herhalen en die vele malen geciteerd werd na zijn verscheiden in mei van dit jaar: ‘Ik ben de verhalen die ik vertel.’

Wij interpreteerden deze zeven woorden als een pleidooi voor autobiografie, maar bij nader inzien was het eerder een antibiografische verklaring. Wat wilden wij het graag met hem eens zijn: het leven stelde niets voor, alles was literatuur, of zoals hij in De Exelse testamenten verklaarde: ‘Ik vind er niets aan, aan leven.’ Dit verzaken van het aardse bestaan heeft in zijn veronachtzaming van medemensen – soms tot en met geliefden en kinderen toe – veel weg van religieus fanatisme. De definitie van een fanaticus is volgens Voltaire iemand die zijn God hoger acht dan zijn medemens. Iets dergelijks leek voor onze Grote Misantropische Roerganger te gelden: de echte wereld is ondergeschikt aan de papieren wereld.

Ons leek deze alles-of-niets-mentaliteit een voorwaarde om een goede schrijver te worden, we begrepen niet dat iemand tegelijkertijd ‘geheel verliteratuurd’ kon zijn en desondanks een schrijver van niks. Wij zagen destijds Brouwers’ houding als de enige mogelijke en onze lievelingsschrijver groeide uit tot mythische proporties, alleen al de naam van het huis waar hij woonde – ‘Louwhoek’, aan de Dwarsdijk in het Achterhoekse Exel – had voor ons een magische klank, het was ons persoonlijke Jeruzalem.

Brouwers’ uit gebrek aan erkenning geboren heroïek leverde problemen op voor de would be-schrijvers die Ronald en ik waren: wij wilden niets liever dan ‘geheel verliteratuurde’ schrijvers zijn, maar waar moesten we in Brouwersnaam over schrijven? Nu zou ik het wel weten, maar destijds zagen we het kleine leven van twee brave, doorgaans dolgelukkige buitenbeentjes op een middelbare school niet als stof die interessant was, zeker niet vergeleken bij de Werdegang van Brouwers met zijn Indië, oorlog, kampverleden, doodsdrift, echtscheiding, mislukte vaderschap, vijanden, opgezegde vriendschappen, complexen, zelfhaat, zelfmoordobsessie, ruzies en al dan niet gedroomde geliefden.

Wij wilden niet schrijven, wij wilden schrijver zijn, meer precies: wij wilden als Jeroen Brouwers zijn.

In de tweede helft van de jaren zeventig en in de jaren tachtig voegde Brouwers in ieder geval de daad bij het woord en schreef hij naast genoemde titels een fenomenale reeks romans die geen gelijke kent in onze literatuur: Zonsopgangen boven zee (1977), Het verzonkene (1979), Bezonken rood (1981), Winterlicht (1984) en De zondvloed (1988). Zijn gehele productie in die elf jaar is ongekend, want in 1983 verscheen zijn grote zelfmoordboek De laatste deur en daarnaast publiceerde hij diverse uitgebreide essays, pamfletten, verhalen, herinneringen, het omvangrijke brievenboek Kroniek van een karakter (1987) en een reeks venijnige en spraakmakende polemieken, waaronder De nieuwe Revisor (1979).

Toen Brouwers de erkenning begon te krijgen die hij verdiende en waar hij naar had gehunkerd, keerde hij zich er weer vanaf, onder het motto ‘noli me tangere’ (raak me niet aan, de woorden die Jezus spreekt als hij na zijn dood aan Maria Magdalena verschijnt). Van de weeromstuit ging hij romans schrijven die geheel aan zijn verbeelding leken te zijn ontsproten. Voor de harde kern van Brouwers-hooligans (Louwhoekzijde) werden zijn boeken vanaf Zomervlucht (1990) minder aantrekkelijk, wij wilden dat de verbeten, verbitterde, larmoyante, opstandige, vloekende, scheldende, om zich heen slaande en schoppende, melodramatische, sentimentele, zielige, jenevertranen jankende egomaan aan het woord bleef. We zaten niet te wachten op het ambachtelijke proza over verzonnen figuren dat Brouwers sindsdien vaker en vaker bakte.

Het loslaten van Brouwers werd versneld toen Ronald en ik een avond en een nacht met hem doorbrachten. Ronald zou de hooggeachte in zijn tweede roman Giph (1993) van het door ons eigenhandig op het Baarnsch Lyceum gemetselde voetstuk laten lazeren – hij kon het niet verteren dat de onaanraakbare held van onze puberteit niet de ultra-schrijver was die hij in zijn volzinnen van zichzelf had geboetseerd, maar gewoon een man op lederen pantoffels die verdacht veel op zijn vader leek.

Tijdens die nacht met Brouwers zag ik iets gebeuren waar Frans Kellendonk voor waarschuwt in zijn essay ‘Idolen’, dat in 1986 verscheen in de bundel De veren van de zwaan. Hij betoogt dat de werkelijkheid beschermd dient te worden tegen het beeld. Literatuur zou in zijn ogen blijk moeten geven van zijn onechtheid. Schrijver en lezer moeten zich bewust zijn van het feit dat ze maar doen alsof ze geloven wat er geschreven staat. ‘Oprecht veinzen’, muntte hij dit mechanisme van de fictie.

Brouwers’ alles-of-niets-mentaliteit leek Giphart en mij een voorwaarde om een goede schrijver te worden

Kellendonks idee gaat terug op het Tweede Gebod, dat zegt: gij zult geen godenbeeld maken. Hij legt dat oudtestamentische voorschrift als volgt uit: God moet worden beschermd tegen beelden die van hem worden gevormd, omdat het beeld de plaats kan innemen van God zelf. En zo kan het ook met de werkelijkheid gebeuren, die Kellendonk als ondoorgrondelijk en heilig beschouwt: het beeld komt in de plaats van de werkelijkheid.

De opvattingen van Brouwers en Kellendonk vormden mij als lezer en hun werk spoorde me aan te gaan schrijven en tegelijkertijd zat hun poëtica me in de weg. Het kostte mij jaren om een eigen stem en een modus scribendi te vinden. Als je eenmaal serieus werk maakt van het schrijven van een roman, opent zich een kloof tussen wat je bewondert en dat waartoe je zelf in staat bent. Aan de overkant staan je voorbeelden.

Ronald debuteerde in 1992 op zijn 26ste met Ik ook van jou en ik vijftien jaar later, op mijn veertigste (‘Net als Multatuli’, gebiedt de bescheidenheid me daarbij te vermelden) met Begeerte heeft ons aangeraakt. Dus ‘geheel verliteratuurd’ kan ik mezelf moeilijk noemen. Daarna schreef ik nog vier romans die, evenals mijn debuut, beschouwd kunnen worden als pure fictie. Ik sloeg dus ook Kellendonks raad in de wind en deed mijn best om mijn tekst ‘zo echt’ mogelijk te maken.

Het overkwam me dan ook meerdere malen – en dit herkent elke schrijver – dat het beeld de werkelijkheid had verdrongen. In 2014 had ik mijn eerste, angstaanjagende, rijlessen en pas naderhand realiseerde ik me dat mijn roman Remington, over een vader en een zoon die een heel boek naast elkaar in een auto zitten, via een omweg de weerslag was van mijn traumatische ervaringen achter het stuur. Verder is het verhaal geheel aan de verbeelding ontsproten: de vader komt op groteske wijze om het leven, maar toen ik op de presentatie een redacteur van een radioprogramma die het boek al had gelezen mijn vader voorstelde, liet zij zich teleurgesteld ontvallen: ‘O, leeft hij nog?’

Mijn eigen leven hield ik buiten mijn romans, maar meteen na het verschijnen van mijn debuut wist ik dat ik ooit over onze in 2004 geboren jongste dochter Lidewij zou schrijven. Zij heeft een meervoudige beperking. Als ik over haar ging schrijven, zou ik als vanzelf ook over onze oudere dochter Rozemond en mijn vrouw Hester schrijven. En over mijzelf.

Schrijven over mijn eigen leven en over hen die mij dierbaar zijn vond ik problematisch. Kan ik zomaar literatuur maken van Lidewij? Ik dacht aan de leidsmannen die ik bij mijn debuut had moeten achterlaten aan gene zijde van de kloof: moest ik indachtig de vroege Brouwers wat ik zou maken als belangrijker beschouwen dan mijn bloedeigen, hulpeloze dochter? Me niet bekommeren over de gevolgen van publicatie van een boek waarin zij te herkennen was, maar me alleen bezighouden met de Literatuur? Ze zou zelf vanwege haar verstandelijke beperking nooit in staat zijn een oordeel te vellen over wat ik had geschreven.

Afgaande op Kellendonk zou ik een roman moeten schrijven die eigenlijk niet over Lidewij ging, een opzettelijk kunstmatige tekst waarvan de lezer weet: dit is niet echt, maar met wie ik zou afspreken dat we ‘oprecht’ zouden ‘veinzen’? Hoe kon ik Lidewij op die manier in godsnaam recht doen?

Pas toen iemand me wees op de gedichten van Ed Leeflang (1929-2008) over zijn gehandicapte dochter, begon ik te begrijpen wat me te doen stond. De cyclus ‘Een groene linnenkast’ uit de bundel Bewoond als ik ben (1981) begint met:

Lang heb ik niet over haar durven schrijven uit angst voor één kunstzinnig woord. Omdat ik van haar houd mag zij gedichten in

De dochter is heilig voor de dichter, denk ik, op de manier waarop Kellendonk het bedoelt: hij moet over haar schrijven, maar hij wil niet iets moois maken, want zij mag koste wat het kost niet achter zijn gedichten verdwijnen: de werkelijkheid moet intact blijven en toch moet Leeflang over zijn in die werkelijkheid bestaande dochter schrijven. Zij is kwetsbaarder dan wie ook: als hij dingen over haar verzint, als hij over haar liegt, als hij dingen mooier voorstelt dan ze zijn, of juist minder mooi, zal zij er niet tegen protesteren en zullen die dingen zolang zijn gedichten bestaan bij haar blijven horen. Dan rest van haar een onwaarachtig beeld. Ze is even weerloos tegen kwaadsprekerij van onbekenden als tegen mooischrijverij van wie haar liefheeft.

Het werk van Leeflang spoorde me aan een weg te vinden om over Lidewij te schrijven zonder haar op te offeren aan de literatuur of fictie van haar te maken en daarmee nam ik definitief afscheid van de leidsmannen van weleer: Brouwers en Kellendonk.

Nee, ik ben niet ‘geheel verliteratuurd’ geworden en ja, ik heb met Leven met Lidewij een hoogmoedige poging gedaan de heilige werkelijkheid in woorden neer te schrijven, ik heb niet oprecht geveinsd, maar alleen ‘omdat ik van haar houd’.

Bert Natter is auteur van romans als Begeerte heeft ons aangeraakt en Goldberg en meest recentelijk van Leven met Lidewij: Een reis door de wereld van mijn dochter