In memoriam het mondkapje. Heden gedenken wij de maximale groepsgrootte. Een laatste groet aan de lockdown. Hoe kortstondig het bestaan van de maatregelen ook was, de periode voelde als een langdurige en de nalatenschap is gigantisch. De noodzaak, de effectiviteit, de proportionaliteit, de legitimiteit: over dat alles en veel meer zal terecht nog eindeloos gediscussieerd worden.

De mortuis nil nisi bene. Die uitvaartetiquette zal in dit geval wel geen stand houden. Toch wil ik – nu we hier ineens weer in zulke groten getale samen mogen zijn – toch stilstaan bij iets goeds wat de overledene ons meegaf.

De veel gebruikte, tot op de draad versleten metafoor voor de periode die we nu ten grave dragen is die van ‘sturen in de mist’. Daarmee doen we de lockdown en zijn nalatenschap onrecht. De mistbeeldspraak impliceert dat alle wegen en bewegwijzering er gewoon nog zijn, begaanbaar en wel, en alleen tijdelijk waren versluierd.

De werkelijkheid was anders. De weg was niet onzichtbaar, maar weg. Geconfronteerd met een aanvankelijk grotendeels onbekende dreiging moesten we de weg ter plekke opnieuw uitvinden. Op overheids- en wetenschapsniveau vond men de lockdown uit, aanvankelijk alleen in de ‘intelligente’ variant. Scholen vonden het afstandsonderwijs uit, werkgevers ontdekten het thuiswerken, de horeca ontdekte het thuisbezorgen, de cultuur het thuistheater.

Naast al het evidente leed, alle evidente schade op alle denkbare fronten is er één gift geweest: de herontdekking van ons improvisatie-vermogen. Improvisatie kennen we, ironisch genoeg, vooral uit de wereld die mogelijk het langdurigst en ingrijpendst heeft geleden onder de lockdown-hamer: de podiumkunsten. In het theater gaat het om acteurs die vanuit slechts een paar vaste gegevens ongepland beginnen te spelen. Ze stappen het podium op met minimale kennis over hun personage en de situatie en reageren ter plekke op elkaars impulsen. In de muziek is er veelal een vast akkoordenschema waar de verschillende instrumenten ter plekke melodieën op maken.

Of het nu dans, comedy of poetry slam is: allemaal kennen ze improvisatievormen. Allemaal hebben ze een minimale basis die vastligt, en daarnaast, bovenop, omheen, is er maximale speelruimte voor individuele invallen.

Het is de sensatie van avontuur en vindingrijkheid. Wie zelf weleens aan zoiets heeft deelgenomen, weet dat het tegelijkertijd griezelig en bevrijdend kan zijn. Onvoorbereid sta je voor een publiek. Je weet niet wat je kunt doen, maar je moet wel íets doen. Met stilstaan en zwijgen ben je sowieso ‘af’. Dus zeg je maar iets, je begint ergens, willekeurig. Je stamelt een invalletje. Natuurlijk, dat gaat mis, maar als je geconcentreerd en welwillend genoeg bent om jezelf bij te sturen, kan er iets ontstaan dat ineens wél werkt of aanslaat. ‘Failing forward’ noemde de Amerikaanse auteur en predikant John C. Maxwell het. Laat je dit proces toe, dan kunnen er talenten bovenkomen, onvermoede krachten. Ervaren improvisatiekunstenaars leren volkomen op dit proces vertrouwen. In Nederland was het vooral Johan Huizinga die met Homo ludens (1938) de mens definieerde als een spelend wezen, dat via spel de cultuur vormgeeft.

De grote improvisatie liet zien dat alles anders kán

De lockdown leerde ons dat die aftastende staat niet is voorbehouden aan strikte spel- en podiumsituaties. Misschien waanden we in ons deel van de globe de geschiedenis voltooid, de maatschappelijke structuren vast en de wereld definitief ingericht. Bedreigingen en overlevingsstrategieën waren iets van vroeger. Ons improvisatievermogen kon, samen met het jachtinstinct, in de veilige enclaves worden gestopt van sport en spel.

Improviseren is afscheid nemen van zekerheden. Dat kan ruimte geven, vitaal maken, nieuwe energie vrijmaken. Wat decennialang voor onmogelijk werd gehouden – files of luchtvervuiling reduceren, het massatoerisme stuiten, een vaccin ontwikkelen en distribueren – bleek ineens overnight gerealiseerd te kunnen zijn. Veel daarvan is tijdelijk, natuurlijk, en nu de sluizen weer opengaan, keert het oude normaal terug in de wereld, alsof die gemaakt is van memory foam. En toch, de grote improvisatie heeft laten zien dat alles anders kán, dat structuren niet rotsvast en dwingend zijn.

Eén aspect van het improviseren vergeet ik haast: doorgaans is het geen solo-activiteit. Jazz en improvisatietoneel beginnen pas echt te tintelen als meerdere deelnemers op elkaars impulsen reageren. Ze herhalen de vondst van een ander, en voegen er nieuwe variaties aan toe, gaan tegen elkaar in, en verkennen zodoende nieuwe creatieve ruimtes, combinaties. Bij sterke jazzsessies of afleveringen van het tv-programma De vloer op voel je het plezier, de energie die het improvisatieproces losmaakt.

In winkels en supermarkten nemen we afscheid van het mondkapje, en toch zal ik niet het verschijnsel van de smize vergeten: smiling with your eyes. Lachende ogen van een restauranteigenaar die je, onder plexiglas door, een haute cuisine-thuispakket geeft, met QR-code naar de YouTube-instructies erbij. Zo’n smize was de improv-vibe in de grote jamsessie die het bestaan was geworden.

Wonderlijk, dat juist het ontnemen van onze vrijheid ons kon terugbrengen bij deze inventieve speelsheid, waarvan vrijheid juist een van de voorwaarden is. In de improvisatiekunst brengt die creatieve vrijheid je bij steeds rijkere lagen.

Statisticus en ingenieur Tomas Pueyo zag de lockdown als een ‘hamer’, waarna de fase van de ‘dans’ moest komen, waarin de samenleving leert leven met het virus, door soms wat pasjes terug te zetten en dan weer vooruit. De hamer was wellicht iets te bot, iets te langdurig. Moge die strijdbijl rusten in vrede, terwijl wij herinneren en hopelijk blijven doen wat hij ons noodgedwongen leerde: improviseren.

Eindelijk zijn we toe aan de dans.