De pandemie in historisch perspectief

De lockdown als onderduik

Historici zijn beter in het maken van problemen dan in het formuleren van oplossingen. Dat maakt ze tamelijk ongeschikt als beleidsadviseur. Kunnen ze desondanks van nut zijn bij actuele vraagstukken als de coronacrisis?

Het Walter Reed Hospital in Washington tijdens de Spaanse griep rond 1918 © Harris & Ewing / Underwood Archives / Getty Images

In een poging greep te krijgen op de verwarring die de Covid-19-pandemie veroorzaakt, wordt vaak een beroep gedaan op de historische ervaring. Is dit onze pest of de Spaanse griep? Maken we een nieuwe beurskrach mee, of is dit ons ’40-’45?

Vier historici grepen deze roep om historische duiding aan en meldden zich onlangs als lid voor het Outbreak Management Team. Zij eisten hun plaats op aan de tafel, omdat zij bij uitstek in staat zouden zijn betekenis te geven aan ons roerige bestaan; ze zouden op grond van hun kennis van ‘failure paths’ kunnen bijdragen aan de selectie van kansrijke oplossingsrichtingen. Tenslotte konden historici als geen ander ‘lessen trekken door het bestuderen van continuïteiten en veranderingen, van succes en falen in al hun complexiteit’, aldus Beatrice de Graaf, Lotte Jensen, Rina Knoeff en Catrien Santing in Aan de slag! Een manifest voor ‘applied history’.

De oproep in het manifest was in de eerste plaats aan medehistorici gericht, die tot nu toe niet – of weinig – constructief reageerden. Volgens Daniela Hooghiemstra was het manifest ‘onzin’ van ‘handige jongens en meisjes die de taal van Den Haag spreken’, een voorbeeld van de manier waarop je ‘in een luchtledig universum je eigen culturele project naar voren schuift’, schreef ze in de Volkskrant. Bastiaan Bommeljé verbaasde zich er in NRC Handelsblad over dat het manifest niet had ‘geleid tot protest of ten minste lachstuipen onder academische vakgenoten’, omdat het ‘in strijd [was] met alles wat moderne geschiedwetenschap beoogt en nastreeft’. ‘Een serieus historicus dient niet gericht te zijn op eigentijds crisismanagement, maar op de studie van het verleden, en heeft het daarmee al moeilijk genoeg.’

Deze reacties zijn nogal gemakzuchtig op de vrouw gespeeld en gaan voorbij aan het breed gedeelde idee dat we iets van de geschiedenis zouden moeten leren. Dat is niet alleen een probleem voor historici, maar ook een diep ingesleten verwachtingspatroon bij andere burgers. De sceptici die het nut van de geschiedschrijving voor de huidige en toekomstige samenleving ontkennen, staan in deze discussie eigenlijk al met 1-0 achter, omdat zij voor de verdediging van hun eigen standpunt min of meer historische argumenten naar voren brengen.

Want ja, Bommeljé heeft gelijk dat de ‘moderne geschiedwetenschap’ moeite heeft met de inzet van historische kennis voor actuele zorgen over de toekomst. Maar het is wellicht precies een probleem voor ‘ons modernen’ dat we zo’n moeite hebben – maar ook moeite doen – om de geschiedenis toe te passen op ons eigen leven. Anders gezegd: om er achter te komen waarom we dat doen, en wat de problematische kanten zijn van het manifest van de vier historici, moeten we de roep om een toegepaste geschiedwetenschap historiseren.

—————

Moeilijk is dat niet, want de poging om lessen te trekken uit het verleden is al veel vaker ondernomen. Onherroepelijk duikt in stukken over dit onderwerp dan de uitdrukking ‘historia magistra vitae’ op, als je geluk hebt met de verwijzing dat de gedachte dat de geschiedenis een leidraad biedt voor het bestaan is ontleend aan Cicero’s DeOratore II.36. Als je de voorgaande paragraaf en het vervolg van Cicero’s betoog erbij neemt, zie je dat het hem niet zozeer te doen was om het gezag van de geschiedenis, maar om de autoriteit van de redenaar die die geschiedenis vertolkt. Ook toen al, zou je kunnen zeggen, was de lofzang op het nut van geschiedenis een vorm van schaamteloze zelfpromotie van degene ‘wiens stem de geschiedenis kan vereeuwigen’. En ook toen al was deze jij-bak ontoereikend. Want de poging om het bestaan een historische verankering en duiding te geven is, ongeacht wie daaraan bijdroeg, een historische praktijk met een lange traditie. Steden en staten, dynastieën en imperia – zij allen hebben de grondslag van hun bestaan en rechtvaardiging van hun gezag ontleend aan de geschiedenis. In die zin was geschiedschrijving altijd al een legitimatiewetenschap, ingezet ter meerdere eer en glorie van instituties en hun leiders.

Inderdaad, wij modernen hebben daar moeite mee. Volgens de Duitse historicus Reinhart Koselleck sloeg de twijfel over het ‘historia magistra vitae’ toe in de ‘Sattelzeit’, de overgangsperiode van 1750 tot 1850, toen de ‘ervaringsruimte’ waarin mensen leefden en de ‘verwachtingshorizon’ die hun toekomstbeeld begrensde steeds minder samenvielen. Kort gezegd leefden mensen eerst een leven op kleine schaal, in een samenleving waarin hun leefomgeving, de natuur en de seizoenen en daarmee de historische ervaring steeds hetzelfde was – en men van de toekomst dus weinig nieuws had te verwachten.

Maar op het moment dat mobiliteit, groei van kennis en welvaart, bevrijding uit de kluisters van het bestaande, kortom op het moment dat de vooruitgang de gang van de geschiedenis ging bepalen, raakte de band tussen verleden, heden en toekomst verbroken. Niet alleen bood het verleden geen zekerheid voor de toekomst, maar de verankering van het heden in een historische context werd steeds meer ervaren als oorzaak van onrecht en belemmering voor verbetering. De geschiedenis was nu één ding, heden en toekomst waren iets anders, iets wat niet langer vanzelfsprekend voortvloeide uit het verleden, maar ideologisch uitgetekend en planmatig vormgegeven moest worden. Om de band tussen heden, verleden en toekomst te herstellen moeten we derhalve werk verrichten, toepassingsarbeid, in de vorm van argumentaties waarmee we het herstelde verband met het verleden onderbouwen. Daarvoor zijn sinds het einde van de achttiende eeuw uiteenlopende instrumenten ontwikkeld, elk met een eigen handleiding, werking en eigen risico’s. De vraag of toegepaste geschiedwetenschap wel of niet zinvol is, wordt daarmee een vraag naar bruikbaarheid, nut en nadeel van het voorgestelde toepassingsinstrumentarium.

Is Covid-19 niet net zoals destijds de pest? ‘Net zoals’ is slechts gelijk vanuit een bepaald gezichtspunt
—————

In de negentiende eeuw was het belangrijkste instrument om de band tussen verleden, heden en toekomst te herstellen de geschiedfilosofie. Het gaat dan bijvoorbeeld om theorieën over de stadia van menselijke beschaving, op grond waarvan episodes uit het verleden als voorstadia van een later en meestal ons eigen niveau van beschaving geïdentificeerd kunnen worden. Veel van die theorieën beschreven een geleidelijke opeenvolging van fasen. Dat gold voor Adam Fergusons Essay on the History of Civil Society (1767) en voor Condorcets Esquisse d’un tableau historique des progres de l’esprit humain (1795), maar ook voor de sociologie van Auguste Comte en Herbert Spencer. Deze opvatting lag ook ten grondslag aan het pamflet Applied History (1912), waarin de term ‘toegepaste geschiedwetenschap’ werd geïntroduceerd. De auteur, Benjamin F. Shambaugh, hoogleraar aan de universiteit van Iowa, betoogde dat ‘de geschiedenis een richtingwijzer is ten behoeve van verbetering, in plaats van een barrière op de weg naar vooruitgang’. Deze opvatting was gebaseerd op ‘de wetenschappelijke wet van continuïteit in de geschiedenis (…): elke menselijke institutie, elk algemeen geaccepteerd idee, elke belangrijke uitvinding is de uitkomst van een lang proces van vooruitgang’.

Maar er waren ook radicale varianten. In nationalistische theorieën werd op basis van een oorspronkelijke, primitieve manifestatie van nationaal bewustzijn de komst aangekondigd van een volledig gerealiseerde natie in een zelfstandige staat. Daarnaast bood het marxisme met het historisch materialisme een geschiedfilosofische rechtvaardiging van een te verwachten revolutie op grond van opeenvolgende fasen in de geschiedenis van de klassenstrijd. Kenmerkend voor dit soort theorieën is dat ze naast een vooruitgangsgeloof ook een emancipatiestreven schragen. In die vorm keren ze ook terug in feministische, etnische en religieuze bevrijdingstheorieën.

Verder zijn er nog negatieve geschiedtheorieën, niet van toenemende beschaving, maar van onvermijdelijke ondergang, van Rousseau tot en met Spengler, Ortega y Gasset en Toynbee. Op het eerste gezicht lijken dergelijke doemscenario’s weinig toekomstperspectief te bieden. Maar vaak gaat het hier om cyclische geschiedopvattingen, waarin de onvermijdelijke decadentie gevolgd wordt door een grote schoonmaak – en zo nodig wat etnische zuivering –, waarna uit de as van de verloren beschaving een nieuwe cultuur, een nieuw volk of ras zal oprijzen.

Of het nu gaat om gematigde of radicale vooruitgangsfilosofieën of cultuurpessimistisch doemdenken, geen van deze grote verhalen heeft de twintigste eeuw overleefd. Het marxisme en daaraan verwante emancipatietheorieën moesten het in de postmoderne kritiek van Jean-François Lyotard en anderen ontgelden als draaiboek van het totalitarisme. Maar ook de gematigder versies van het vooruitgangsoptimisme, in de vorm van de moderniseringstheorie, hebben afgedaan. Zo werd de meest uitgesproken vertolker ervan, Walt Whitman Rostow in The Stages of Economic Growth: A Non-Communist Manifesto (1960) in de jaren zestig ontmaskerd als souffleur van het neokolonialisme.

Restanten ervan zijn nog te vinden in de neo-institutionele theorie, waarin historische continuïteit vertaald is in ‘padafhankelijkheid’. Zo schetsen Daron Acemoglu en James Robinson in The Narrow Corridor (2019) de weg naar de vrijheid tussen statelijke tirannie en maatschappelijke anarchie. De ideologische lading van hun betoog blijkt niet alleen uit herformulering van padafhankelijkheid in de bijbelse notie van het smalle pad, maar vooral uit het feit dat zij aan het eind van dat pad het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten ontwaren – zeker in de huidige crisis niet direct de meest geslaagde voorbeelden van een vrije samenleving.

Wellicht nog het meest bestendig waren de cultuurpessimistische doemscenario’s, die gerealiseerd leken te worden in de ‘beschavingsbreuk’ (de term is van de Duitse cultuurhistoricus Dan Diner) van de holocaust – zij het dat de culturele en racistische regeneratietheorieën die eerder aan dergelijk ondergangsdenken waren verbonden nu vervangen werden door een illusieloos ‘Nie wieder’.

—————

In plaats van deze ambitieuze geschiedtheorieën zijn nu bescheidener instrumenten gekomen om de band met het verleden te herstellen. Het failliet van deze geschiedfilosofische theorieën betekende bovenal een afscheid van de ‘wet van historische continuïteit’. Bij ontstentenis daarvan krijgt de band tussen heden en verleden slechts vorm in een analogie, waarin een aspect van het verleden van toepassing wordt verklaard op het heden: we leven nu niet meer in de tijd van de pest, maar Covid-19 is net zoals de pest (gauw de Decamerone herlezen!), als de Spaanse griep (het Wuhan van 1918 lag niet in Spanje, maar in Kansas!), als ons ’40-’45 – was de onderduik niet een soort van lockdown?

Maar wellicht ook: we leven niet meer in de achttiende eeuw, maar beleven we eigenlijk niet weer een soort Sattelzeit, een revolutionaire omslag in de samenleving? Hadden we sinds 1945, na de jaren van welvaart en vooruitgang, in 1989 niet onze eigen postideologische revolutie; met de Duitse hereniging en de Europese integratie in 1992 onze Thermidor; en dan na 9/11 onze Achttiende Brumaire, de wending naar een autoritair kapitalisme; de crisis van 2008 het einde van de neoliberale veldtocht, onze tocht naar Moskou van 1812, onze Volkerenslag van 1813; en de crisis van 2020 ons Waterloo? Als dit onze Sattelzeit is, dan moeten we nog even moed houden. Eerst nog even de Restauratie, dat wordt vast weer niks, maar we hebben nog 33 jaar te gaan voor ons 1848 en een nieuwe moderniteit aanbreekt.

De kracht van het historische argument schuilt niet in de eenvoud maar in de rijkdom van de argumentatie

Deze voorbeelden geven al aan dat zulke analogieën weinig overtuigend zijn als ze niet gepaard gaan met ondersteunende argumenten: ‘net zoals’ is nooit ‘precies hetzelfde’, maar slechts gelijk vanuit een bepaald gezichtspunt. Het manifest voor applied history maakt duidelijk met welke hulpstukken de huidige generatie historici aan de slag moet om verleden, heden en toekomst aan elkaar te smeden.

Een eerste belangrijk instrument is dat van de collectieve psychologie. De geschiedschrijving wordt dan gepresenteerd als identiteitschragende discipline: ‘Ik worstel en kom boven’, we hebben het eerder al geklaard, we kunnen het nu weer. Dergelijke identiteitsgeschiedenis is wijdverbreid, in de eerste plaats als afgezwakte vorm van de geschiedenis als emancipatiediscours. Hoewel de bevrijding van de mensheid te hoog gegrepen was, blijft de erkenning van onrecht dat specifieke groepen in het verleden trof een belangrijke bron van saamhorigheid. (Jammer genoeg geldt dat ook voor reactionaire, xenofobe en racistische vormen van identiteitsgeschiedenis: in plaats van de slavernijgeschiedenis van de wic, stellen nationalisten de daadkracht van de voc, niet omdat de geschiedenis het heden kan belichten, maar om met historische middelen een hedendaags gelijk te bepleiten. Zo wordt publiek dienstbare geschiedschrijving al snel historische propaganda.)

Een tweede belangrijk gereedschap voor de historische klusjesman bieden de politieke en sociale wetenschappen. Ook dit is niet nieuw: al in het pamflet Applied History stelde Shambaugh dat een ‘nieuwe geschiedschrijving, verrijkt door de producten van de politieke en sociale wetenschappen, een belangrijke rol belooft te spelen in het intellectuele leven en de vooruitgang van de mensheid’. Shambaugh was zelf als medeoprichter van de American Political Science Association (1900) en redacteur van de American Political Science Review (1906) dan ook minder de geschiedenis toegedaan dan de politicologie. Die band met de sociale wetenschappen bleef belangrijk, met name in het vanaf de jaren zeventig aan Harvard ontwikkelde programma rond ‘The Uses of History’, dat draaide om het formuleren van beleidsadviezen in de strategische discussies van de Koude Oorlog.

Dezelfde oriëntatie op beleidsadviezen had het ‘Applied History’-programma van de Carnegie-Mellon-universiteit in Pittsburgh; veelzeggend was dat dit programma in de jaren tachtig van naam veranderde, van ‘Applied History’ in ‘History and Policy’. Onder die titel zijn de afgelopen jaren op veel plekken in de VS en het VK programma’s gestart. Op deze fundamenten wordt in recente pleidooien voor toegepaste geschiedenis voortgebouwd, als historici in de taal van de bestuurskunde de belofte doen dat zij in staat zijn tot mislukken gedoemd beleid te identificeren, en hedendaagse beleidsalternatieven in een langetermijnperspectief te interpreteren.

Een eerste probleem met deze boodschap is dat maatschappelijke relevantie dreigt te worden verengd tot beleidsrelevantie, en de waarde van het historische advies komt te liggen in de rechtvaardiging van elders genomen besluiten. De herkomst van de hedendaagse applied history uit de ‘war games’ en beleidsdilemma’s van het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken zou te denken moeten geven. Een veeg teken in dat verband is het enthousiasme in Aan de slag over het Duitse voorbeeld van de groep van experts die in Duitsland door de Nationale Akademie der Wissenschaften bijeen zijn gebracht om te adviseren over de aanpak van de coronacrisis. De lijst met vooraanstaande geleerden, onder wie inderdaad een paar historici, contrasteert nogal met de weinig verrassende Ad-hoc-Stellungnahmen zur Coronavirus-Pandemie, die niet afwijken van wat elders aan beleidssuggesties heeft gecirculeerd. Wat de rol van historici hierin is geweest, anders dan te paraderen op een lijst van prominente wetenschappers, is niet duidelijk.

Nu hoeft toegepaste geschiedwetenschap natuurlijk niet per definitie legitimatiewetenschap te zijn. Sociaal-wetenschappelijk geïnformeerde historici beschikken wellicht over inzichten die ook zouden kunnen leiden tot een kritische beoordeling van beleid, in het licht van eerdere historische ervaringen. Dat is denkelijk de claim van de auteurs van Aan de slag: ‘Menselijk gedrag verloopt langs bepaalde patronen, maar de omstandigheden verschillen wezenlijk.’ Het tweede deel van dit inzicht is de dooddoener van de historische wetenschap, maar de gedachte dat historici patronen, terugkerende mechanismen, statistische regelmaat, wellicht zelfs wetmatigheden kunnen identificeren is wellicht de basis voor een kritische, maatschappelijk relevante geschiedwetenschap.

Zo’n sociaal-wetenschappelijk opgepimpte geschiedschrijving brengt de historicus evenwel in een onmogelijke spagaat. Kort gezegd: sociaal-wetenschappelijke verklaringen zijn gericht op reductie van complexiteit. Zij proberen met een zo spaarzaam mogelijk model het kleinst mogelijke aantal relevante variabelen te identificeren. Sociaal-wetenschappelijk onderzoek beoogt heldere, eenduidige antwoorden te formuleren: handig voor beleidsmakers, zelfs als de antwoorden fout zijn. Historici beogen daarentegen de complexiteit van maatschappelijke fenomenen in beeld te brengen. De kracht van het historische argument schuilt niet in de eenvoud maar in de rijkdom van de argumentatie. Zij gaan ervan uit dat er nooit één verklarende factor is, maar altijd een ingewikkelde samenloop van omstandigheden.

Hoe je die beschrijft is standpuntgebonden, want die beschrijving vindt zelf plaats onder historische omstandigheden. Historiseren is derhalve altijd problematiseren, van bestaande inzichten, van veronderstelde verbanden, van gekoesterde verwachtingen. Vanuit dat oogpunt zijn historici uitstekend in staat vanzelfsprekendheden kritisch te bevragen, te wijzen op veronachtzaamde aspecten, onvermoede verbanden bloot te leggen. Historici zijn beter in het maken van problemen dan in het formuleren van oplossingen. Dat maakt ze tamelijk ongeschikt als beleidsadviseur. Maar het vermogen te problematiseren door te historiseren is onmiskenbaar van grote maatschappelijk waarde.


Ido de Haan is hoogleraar in de geschiedenis na de Middeleeuwen aan de Universiteit Utrecht