De lof der h.s

De lezers in spe wisten allemaal dat het boek andermaal veel, zij het virtuoos, geouwehoer zou bevatten. Niettemin ken ik in mijn omgeving geen mens bij wie Het Boek van Violet en Dood inmiddels niet op de rooktafel ligt.

Het bewijst dat er in Nederland weinig boeken worden geschreven waar je om kunt lachen.
Het is, als al het latere werk van Gerard van het Reve, een herhalingsoefening van zijn twee bundels zendbrieven Op Weg naar het Einde en Nader tot U (1964-1966).
Nee, des schrijvers nieuwste boek heeft de bijbel noch het telefoonboek overbodig gemaakt. Ik heb aan deze tot kunst verheven kletsmajorij niettemin een genoeglijke avond beleefd. Die uitval naar Aad Nuis! Die scene met Kees Fens! Maar die kent u natuurlijk, want de twaalf aardige grappen zijn inmiddels allemaal in de recensies gesignaleerd.
Hij is en blijft een goede, originele schrijver - en er is nu eenmaal niets aan te doen dat hij vroeger beter was.
Wij, hij en ik, zijn nog even provinciegenoten geweest, toen hij in het Friese Greonterp woonde en ik op veertig kilometer afstand te Leeuwarden in de grondbeginselen van de verslaggeverij werd onderwezen. Ik was zo onder de indruk van zijn zendbrieven dat ik beide boeken aan mijn Friese schoonmoeder ten geschenke gaf, al wist ik maar al te goed dat zij zowel tegen homo’s als Amsterdammers was. Toen ik dertig jaar later, na haar overlijden, de boekenkast inspecteerde vond ik ze terug, ongelezen, met kaarsrechte ruggetjes.
Uiteindelijk zag Van het Reve niet zoveel in de Friezen. ‘De Friezen zijn brave mensen’, liet hij weten, 'maar vergeleken bij de Nederlander in het algemeen, zo mogelijk nog cultuurlozer, nog fantasielozer en nog kunstvijandiger.’ Dus verhuisde hij op een gegeven ogenblik van Greonterp naar Veenendaal, zoals bekend een gemeente met een rijk cultuurbedrijf en een spetterend nachtleven.
De Friezen zagen op hun beurt niet veel in Van het Reve. Senator Hendrik Algra, hoofdredacteur van het Friesch Dagblad, had zijn werk in de Eerste Kamer blasfemisch genoemd. Het Tweede Kamerlid Fedde Schurer, hoofdredacteur van de Friese Koerier, heeft bij mijn weten de enige negatieve recensie van Op Weg naar het Einde geschreven. Schurer hekelde de wijze waarop de schrijver 'de lof van de H.S.’ bezong, een stroming waar hij 'als eenvoudig heterofiel’ weinig brood in zag. Het was, meende Schurer, allemaal even kinderlijk als kinderachtig, zowel dat gedoe met de diverse 'droomprinsen’ als 'het dwaselijk gebruiken van taalelementen uit bijbel en kerkelijke liturgie’. Al met al deed het Schurer voornamelijk denken aan die dorpsjongen uit zijn kinderjaren die men voor een cent liet vloeken, in zijn broek wateren, vuile liedjes zingen of de dominee imiteren.
Vergis u niet, zo'n Fedde Schurer was niet de eerste de beste, hij was een der leiders van het doorbraaksocialisme, een man van formaat, een man die altijd het juiste standpunt had, zowel voor, in als na de oorlog. Maar een moraalridder, als vele sociaal-democraten.
Zijn recensie verscheen trouwens niet in zijn eigen, vooruitstrevende Friese Koerier, maar in het nog vooruitstrevender weekblad De Groene Amsterdammer.