Robert Wright en de speltheorie

De logica van de schepping

In ‘The Logic of Human Destiny’ past Robert Wright de speltheorie — over winst en verlies van menselijke samenwerking — toe op de gehele evolutie. De geschiedenis heeft een doel. Het belang van de Grieken wordt zwaar overschat.


NADAT JAMES WATSON en Francis Crick in 1953 eindelijk een overtuigend DNA-model in elkaar hadden geknutseld, kondigde Crick nogal onbescheiden aan dat ze ‘het geheim van het leven’ hadden ontdekt. Wanneer Robert Wright in de introductie van Nonzero: The Logic of Human Destiny schrijft dat hij een ándere kandidaat voor dat geheim op het oog heeft, noteert de kritische lezer ‘toe maar’ in de kantlijn en leest licht gealarmeerd verder: een Amerikaan, een dik boek en ‘de’ logica van de menselijke bestemming, gepubliceerd in het megalomane jaar 2000? Kan dat goed aflopen?


Wright stort een rijkdom aan suggesties over ons uit en ook wie niet met de conclusies instemt krijgt een mooi overzicht van het cultureel-evolutionaire denken voorgeschoteld. We vernemen niet meer dagelijks dat het aardse leven een richting, misschien zelfs een doel heeft, in ieder geval niet uit de hoek van kerngezonde materialisten als Wright. Hij verzet zich uitdrukkelijk tegen Steven Weinbergs ietwat zwartgallige uitspraak: ‘Naarmate het universum begrijpelijker wordt, lijkt het ook zinlozer te worden.’ Hij zoekt de drijvende kracht achter de ontwikkeling van de menselijke beschaving en de organische evolutie en hij vindt zijn belangrijkste gereedschap in de game theory, waarvoor de basis in de jaren veertig werd gelegd door Von Neumann en Morgenstern. De theorie, zeer populair in de politieke wetenschappen en de sociologie, maakt het mogelijk om te analyseren hoe handelende personen zich gedragen in potentiële samenwerkingssituaties. Bij zero sum games betekent winst van de ene speler automatisch het verlies van de andere (schaken, tennis), maar bij positive sum games trachten de acteurs tot een optimale gezamenlijke strategie te komen, zodat de win-win-situatie ontstaat waar iedereen wel de voordelen van inziet. Het beruchte prisoner’s dilemma, geformuleerd door Axelrod in The Evolution of Cooperation, laat zien hoe belangrijk het is dat belanghebbenden elkaar kunnen vertrouwen en dat ze met elkaar kunnen communiceren.



HET IS GEEN WONDER dat Wright ertoe werd verleid om de speltheorie op het hele aardse leven los te laten. Zij is breed toepasbaar en aangenaam onsentimenteel, of, om precies te zijn, amoreel. De onderzoeker gaat op zoek naar de belangen van organismen en bestudeert hoe die het best worden gediend. Uit Wrights overige werk (Het morele dier) is al gebleken dat hij geen enkel geloof hecht aan zoiets als een hogere moraal in termen van authentieke en oprechte schuld- of schaamtegevoelens; wederzijds altruïsme, uitstel van bevrediging, alles is slechts strategie, uiteindelijk gericht op vermenigvuldiging van de eigen genen. De belangen van individuen en samenlevingen worden volstrekt rücksichtslos nagejaagd, tenzij samenwerking naar verwachting meer voor- dan nadelen begint op te leveren. Mensen zijn volgens Wright strikt genomen geen morele dieren, want ze beschikken niet over een vrije wil en kunnen derhalve geen autonome morele beslissingen nemen.


Wright is een intellectuele omnivoor en hij houdt van de Big Sweep. Hij betoogt dat vormen van samenwerking de ontwikkeling van zowel het organische als het culturele leven hebben voortgestuwd naar een steeds grotere complexiteit. De geschiedenis beweegt zich naar een toestand van vrijwel volledige zero sumness: ‘De onderlinge afhankelijkheid neemt toe en de sociale complexiteit groeit in draagwijdte en diepte.’ De topprestatie van de evolutie was het menselijke brein dat ertoe neigt samen te werken met andere breinen, waardoor er uiteindelijk één groot planetair brein zal ontstaan, herinnerend aan de noösfeer van de verguisde Teilhard de Chardin (zoiets als een spirituele atmosferische laag die de hele aarde omvat). De opmars van internet is het ‘logische’ gevolg van deze ontwikkeling en Wright is ervan overtuigd dat non zero sumness het langzaam maar zeker wint van concurrentie en strijd. De mensheid heeft trouwens weinig keuze, omdat blunders nu globale consequenties kunnen hebben. De noodzaak tot samenwerking bij de bestrijding van rampen, milieuschade en economische problemen neemt onmiskenbaar toe.


Van eenvoudig naar ingewikkeld, dat patroon neemt Wright overal waar. De eerste cellulaire organismen, de prokaryoten, sloten zich aaneen tot eukaryote cellen, die zich vervolgens verenigden tot multicellulaire organismen; ze vonden de seksualiteit uit teneinde het genenmateriaal te verrijken en ze gingen heen en ze vermenigvuldigden zich. Na rijp beraad zagen ze in dat het spelen van non zero sum games als het bevoordelen van verwanten en wederzijds altruïsme de evolutionaire belangen diende. Het duurde miljarden jaren voor de moderne mens ontstond, die onder zijn schedeldak het meest complexe instrument van de kosmos huisvestte, het brein, dat zich ook nog eens bewust was van zichzelf. Het brein maakte op zijn beurt een culturele evolutie mogelijk; vergaarde kennis kon worden opgeslagen en aan latere generaties ter beschikking worden gesteld. Er ontstond een door cultuur én genen aangedreven co-evolutie, die binnen enkele duizenden jaren van het waterrad naar de microprocessor en walmende Kässbohrer Setra-bussen op Tsjechische binnenwegen leidde. De oeroude alleenheerschappij van de genen was opgeheven.



DE HISTORIE van samenlevingen vertoont hetzelfde beeld van toenemende complexiteit. Kleine, door allerhande opperhoofden geleide groepen ontwikkelden zich door samenwerking tot grotere gemeenschappen, tot steden, tot staten; daarna volgden statenbonden en allianties. Wright meent dat, op geologische schaal bekeken, de stap naar een wereldregering niet meer dan logisch is. De socioloog Robert Carneiro slaagde er tijdens de jaren zestig in om culturele complexiteit min of meer kwantificeerbaar te maken door middel van een analyse van parallel optredende karakteristieken van samenlevingen. Het instrument bleek zowel toepasbaar op de jager-verzamelaarculturen als op het Engeland van de vijfde tot de elfde eeuw.


Landbouwen is behoorlijk vermoeiend en je maakt lange dagen, en niet alle jager-verzamelaars hadden daar zin in wanneer ze de zalm gewoon uit de rivier konden halen. Toch gingen culturen op den duur noodzakelijkerwijs tot landbouw over, dat wil zeggen, zodra de voordelen evident werden. Met landbouwproducten kon ruilhandel worden bedreven, er waren noodvoorraden wanneer de zalmen plotseling wegbleven en er konden grotere groepen mensen mee worden gevoed, zodat het mogelijk werd om strijdmachten te formeren waarmee voedselvoorraden en vrouwen van naburige stammen konden worden geroofd. Status seeking blijkt een belangrijk argument te zijn bij het nastreven van overvloed. Er ontstond een vruchtbare wisselwerking tussen complexere technologieën en sociale structuren, omdat non zero sum games steeds lonender werden. Ooit was het lastig om te bewijzen dat je iemand veertien ossen en een orakelbot had geleend — er waren altijd getuigen nodig of anders bloedige strafexpedities — maar zodra het schrift was ontwikkeld, konden afspraken ondubbelzinnig en dwingend worden vastgelegd.


Wright toont aan — voor zover dat überhaupt nog nodig was — dat technologische veranderingen altijd de motor van de culturele ontwikkeling zijn geweest (we hebben bitter weinig te danken gehad aan filosofische verhandelingen en klassieke toneelstukken, maar wel aan een speciaal harnas waarmee de luchtpijpen van paarden niet worden dichtgedrukt, zodat ze plotseling driemaal zwaardere lasten kunnen trekken), waarmee hij overigens terecht trouw blijft aan een van de overtuigendste onderdelen van de marxistische theorie. De zwakke onderbuik van het wederzijdse altruïsme — de term is misleidend — wordt gevormd door bedrog en parasitisme, het gevreesde free riding. Een vriend moet een betrouwbare teruggever zijn en mensen hebben een uitzonderlijk scherpe neus ontwikkeld voor beloningen en de rechtvaardigheid ervan (over declaraties zullen we hier geen grappen meer maken). Wie heeft er te weinig gepresteerd? Ben ik eigenlijk wel voldoende beloond? Wanneer een gevangene hoort dat hij maar drie jaar gevangenisstraf krijgt wanneer zijn collega-bankrover ook zijn mond houdt, moet hij kunnen communiceren met zijn kornuit en hij moet hem vervolgens kunnen vertrouwen. In een volstrekt losgeslagen zero sum world is geen uitwisseling van boodschappen noodzakelijk.


Wright heeft geen overspannen voorstellingen van de menselijke nobelheid. De mens is, behalve coöperatief, ook buitengewoon competitief. We zijn relentlessly bezig sociale statussen in te schatten en elkaar te imponeren. De dorst naar status gaat alle grenzen te buiten; vanuit evolutionair perspectief volstrekt overbodige sieraden werden al in de vroegste tijden op grote afstand van de plek van fabricatie verhandeld. Generositeit is altijd een vernisje, gericht op imponeren en toekomstige voordelen. Mensen zijn, hoewel vaak het tegendeel wordt beweerd, geen schapen die zich graag onderwerpen; ze schikken zich alleen mokkend, tijdelijk, omdat het voordelig kan zijn zich aaneen te sluiten. Coalities zijn complexere vormen van samenwerking, waarvoor een groter brein vereist is, en zo grijpt alles in elkaar: meer communicatie, grotere kans op overleving, uitfiltering van de best samenwerkende coalities, evolutionaire selectiedruk op het niveau van non-zero-gedrag en een verdergaande verfijning van de communicatie.



EN AL DIE OORLOGEN, hoe zit het daarmee? Wordt de blijde non-zero-boodschap niet grondig weerlegd door de raids van de Vikingen, de loopbaan van Basilius de Bulgarendoder en de deportaties van Stalin? Romantici, antropologen en kunstschilders bedachten vredelievende, primitieve volkeren die door de antropologen helaas nergens werden aangetroffen; als er geen oorlog werd gevoerd, was dat meestal bij gebrek aan organisatie. Begin deze eeuw werd een eskimodorp van vijftien families beschreven, waar alle mannelijke volwassenen ten minste één persoon hadden vermoord; de bewoners van de eilandengroep Fiji gaven hun knuppels namen als ‘schadelijk voorbij de hoop’ en ‘de priester is te laat’.


Oorlog is niets bijzonders, stelt Wright noodgedwongen vast; het totale oorlogsproces is een zero sum game of zelfs een loose loose game, maar binnen de groep overwinnaars wordt er wel flink geoefend op de non zero sum games: er wordt intensief samengewerkt, of er nu wordt verdedigd of aangevallen. Hij probeert het kwaad te rechtvaardigen door het spelen van de vertrouwde ‘dialectische’ kaart. Beschaafde volkeren werden altijd belaagd door woeste ‘barbaren’, maar Wright verklaart op meeslepende wijze hoe willekeurig dit onderscheid is. De vroege Grieken stonden, voordat ze over de rug van de Minoïsche beschaving naar de culturele eredivisie promoveerden, zelf bekend als ptoliporthos (stedenplunderaars), en hoe de Romeinen sommige van hun onchristelijke feestdagen doorbrachten herinneren we ons nog wel zo’n beetje. Hun cultuur ging, hoe kan het ook anders, ten onder aan ‘een overmaat aan non-zero-factoren’. Wanneer grote culturen stagneren moeten er probleemschoppers in de buurt zijn. ‘Time and again, history seems to cry out: Bring on the demolition crew.’ Barbaren zijn niet meer dan een speciaal geval van een algemene ‘zero sum dynamic’. Nieuw is dit idee natuurlijk niet — er hangt een krachtig sociaal-darwinistisch geurtje omheen — maar Wright raakt goed op dreef als hij oudere culturen beschrijft.



INMIDDELS WORDT het, voor zover ik weet, niet langer bestreden dat de prestaties van het menselijk brein en de dominantie van homo sapiens met elkaar samenhangen. De mens neemt een unieke positie in, maar had de evolutie ook anders kunnen verlopen?


Het organische verleden hangt aan elkaar van toevalligheden; iedere afzonderlijke diersoort zou zijn verdwenen bij de geringste afwijking in het proces, inclusief de mens, maar deze vaststelling geldt niet voor eigenschappen. Wright ziet de langdurige ontwikkeling die naar het brein en zijn producten leidde als onafwendbaar; het oog is op diverse momenten in de historie opnieuw ontstaan, evenals het vliegen, ledematen, spijsverteringsstelsels en in latere stadia de landbouw en de stoommachine. De evolutie vertoont structurele voorkeursneigingen; herstart de geschiedenis en het wederzijds altruïsme zal steeds opnieuw ontstaan. Bioloog Simon Conway Morris kent toevalsfactoren maar een gering belang toe; veel eigenschappen zijn ‘in the cards’, of, ‘at least, the deck was stacked heavily in their favor’. Het ontstaan van mensen is wel toevallig, maar het opdoemen van een dergelijke intelligente levensvorm niet. Wanneer biologische eigenschappen gunstig zijn, zullen ze uiteindelijk bij elkaar komen in één soort, die zich, terugkijkend, ten onrechte verbaast over al die miraculeuze toevalligheden. ‘De winnaar van een bingospel is zeer gelukkig. Maar er is altijd een winnaar.’


Hetzelfde geldt voor de culturele evolutie die volgde op de overwinning van de mens. De verspreiding van nuttige vindingen vermeerdert de wereldbevolking, waardoor de ‘intellectuele synergie’ toeneemt. Wanneer mensen dicht op elkaar wonen, wordt de kans op wederzijdse culturele bevruchting door de aanwezigheid van veel breinen op een kleine oppervlakte verhoogd; dat is ongetwijfeld de ware betekenis van de uitdrukking ‘stadslucht maakt vrij’. Communicatie en transport worden geïntensiveerd: ‘Deze waarschijnlijkheden nemen toe, totdat ze uiteindelijk de zekerheid benaderen.’


Heeft Wright gelijk? Daar valt veel over te zeggen. Hij is een reductionist die de hele geschiedenis tot één principe wil terugbrengen (vaak geprobeerd), hij geeft Stephens Jay Goulds vooruitgangspessimisme een draai om de oren (zeer verfrissend) en hij slaat technologie en wetenschap hoger aan dan filosofie en schone letteren (daar zit iets in, maar zodra ik mijn nieuwe nier heb ontvangen wil ik de essays van Calvino weer lezen). In het laatste hoofdstuk oppert hij zelfs de ‘vage’ mogelijkheid van een ‘kosmische auteur’. Het zou doodzonde zijn wanneer een heldere geest als Wright religieus zou worden.


Wrights verhandeling leest heerlijk weg, en verder zijn we allang te arrogant om ooit andermans conclusies over te nemen — ook weer een resultaat van die fascinerende culturele evolutie.



HET AARDIGE van Wrights onafwendbaarheidsvisie is dat de aanhanger ervan grotendeels verlost is van bizarre toevalligheden en ‘bakermatten’. Het doet niet langer ter zake hoe lang de neus van Cleopatra was en misschien ook niet dat Hitler sliep op het moment dat er tanks op de Normandische invasie moesten worden afgestuurd. De ontwikkelingen voltrekken zich onstuitbaar en lokale stagnaties kunnen niet verhinderen dat evolutionaire en culturele uitvindingen op een of meerdere plaatsen en tijdstippen worden gedaan. De geschiedenis heeft richting, een doel: optimale complexiteit. De wijze waarop Wright doelmatigheid en richting gelijkstelt met zin en betekenis overtuigt niet, al doet de auteur nog zo zijn academische best; ook het onzinnige en zinloze kunnen buitengewoon doelmatig en met veel gevoel voor richting tot stand komen. Je zou haast zeggen dat het universum als geheel geen hoger doel kan hebben, omdat er zich buiten het omvangrijkste wat er is per definitie niets kan bevinden, of je moet veronderstellen dat het universum zijn eigen doel is, of iets dergelijks. Zou dit thema nog veel mensen van hun nachtrust beroven?


Verlost van hun onmisbaarheid — globale ontwikkelingen zijn immers onafwendbaar — kan Wright het zich permitteren om geen hoge dunk van de oude Grieken te hebben: op het gebied van de technologie hebben ze niet al te veel gepresteerd, de wiskunde had ook zonder hen wel gebloeid (de Mesopotamiërs pasten de stelling van Pythagoras allang toe), van Ptolemaeus’ astronomische constructies deugde niet veel en de moderne democratie is volgens diverse historici eerder het product van interne Europese ontwikkelingen dan een Griekse erfenis; zelfs als er nog meer klassieke toneelstukken verloren waren gegaan — dit alles vrij naar Wright — omdat Thomas Cahills Ierse monniken (How the Irish Saved Civilization) de hele Middeleeuwen door in hun tochtige kloosters hadden zitten niksen, zou de westerse beschaving, die in de eerste plaats het product van technologieën en organisatievormen is, er geen enkele serieuze hinder van hebben ondervonden. Misschien is dit het startpunt voor een aardig schotschrift, bijvoorbeeld getiteld Waartoe de Grieken, waarmee een roekeloze historicus zijn plaats in de geschiedenis kan opeisen.



Robert Wright, Nonzero: The Logic of Human Destiny, Pantheon, 482 blz., ƒ72,90


Meer over dit boek op Wrights eigen promotie-site, http://www.nonzero.org