Herover de gewoonheid

De lokroep van de kantine

Zo doen we dat hier: van links tot rechts in de politiek is het populair. Gewoon doen. Zelfs Willem-Alexander is inmiddels ‘koning van de gewone Nederlander’. Maar waar hebben we het precies over? Hoe gevaarlijk is die focus op het gewone?

Jesse Klaver tijdens zijn kantine-toer, Hoofddorp, 7 februari 2018 © Marco Okhuizen / HH

De ‘gewone’ man, ‘gewoon doen’ en ‘gewoonheid’ krijgen de laatste jaren veel aandacht. Er was maar weinig voor nodig voor de hele Haagse politiek om de ‘gele hesjes’ te omarmen. Mark Rutte presenteerde zijn derde kabinet nadrukkelijk als een kabinet voor de gewone Nederlander. Dat was de afronding van een verkiezingscampagne waarbij rechts én links zich hadden opgeworpen als vertegenwoordigers van de gewone man. Die wordt in de naoorlogse politiek al regelmatig door links én rechts tegelijk omarmd. Joop den Uyl moest in de jaren zeventig al handenwringend toezien hoe Hans Wiegel namens de vvd een stratenmaker als informatiebron begon op te voeren (‘de mensen in het land’). Voor de pvda van Lodewijk Asscher is het dus al een routinenederlaag wanneer zijn belangenbehartiging voor de gewone man grijnslachend wordt beantwoord door vvd’ers achter het stuur van de streekbus.

Maar inmiddels is de gewoonheid zelfs al in beeld van kantine-toerend GroenLinks, dat zo af wil van zijn elitaire imago. Belangrijk is misschien ook wel dat de nos in maart van dit jaar gretig analyseerde dat het jaarverslag over de werkzaamheden van koning Willem-Alexander in 2017 dusdanig was opgezet dat hij ‘de koning van de gewone Nederlander’ leek, een titel waar men ooit hooguit volkszanger André Hazes achter had vermoed maar die nu blijkbaar niemand meer verbaasde. Het jaarverslag besteedde overigens inderdaad veel aandacht aan koninklijke werkbezoeken aan postbezorgers, woonwagenkampen, kappers en webdesigners en gaf niet meer dan een summiere opsomming van de formele plechtigheden, zoals staatsbezoeken en beëdigingen. Op de foto bij het nieuwsbericht van de nos zien we de koning pannenkoeken bakken. Ook daarop volgde hooguit wat ironisch commentaar.

Hoe dit verschijnsel te begrijpen? Is dit verlangen naar gewoonheid oude wijn in nieuwe zakken? Is ‘gewoonheid’ de zoveelste code voor gemeenschap, community, Gemeinschaft? Gewoonheid kan inderdaad doen wat gemeenschap ook doet, een comfortzone voor de spreker en zijn publiek scheppen: gewóón doen, daar is immers niemand tégen? Met hun pleidooien voor gewoonheid drukken Mark Rutte en Sybrand Buma wanneer het nodig is de geschiedenis als een harmonica in elkaar, zodat de ongewoonheden uit het zicht verdwijnen. Dan zijn holocaust en slavernij geen onderdelen van de ‘joods-christelijke cultuur’. Vergeten is dan de tamelijk late bekering van christen-democratie en liberalisme tot het homohuwelijk.

Wat ooit ongewoon was verdwijnt in pleidooien voor gewoonheid uit beeld: ‘we’ zijn en waren het altijd al eens over wat gewone Nederlanders delen, wat hen bindt. De conclusie zou dan kunnen zijn dat gewoonheid de volgende truc is uit de sociale-cohesie-scrabbledoos. Handig om immigranten en vooral moslims tot de orde te roepen zonder al te expliciet over cultuur te praten.

Maar is dat het hele verhaal? Nee, het gaat niet alleen om de nieuwe inhoud van het gewone maar ook om de opvallende populariteit van gewoonheid: gewoon zijn is ook in de mode omdat ongewoon zijn zeer gedateerd is. In de jaren zeventig van de twintigste eeuw koesterden we diversiteit in de meest brede zin van het woord, denk aan de vele varianten van zelfontplooiing die in het onderwijs en de zorg nagestreefd werden. Met als scherpe illustratie natuurlijk de beroemde spiegelposter: ‘Ooit een normaal mens gezien?’ van Pandora, een belangenvereniging van mensen met psychiatrische problemen.

En geen misverstand, diversiteit was geen thema van links, het was een Nederlands thema. ‘Lekker jezelf zijn’, heette het in de jaren tachtig bij de vvd van Ed Nijpels. En nu Jochem Fluitsma’s en Eric van Tijns liedje over ‘vijftien miljoen mensen op dat ene stukje aarde, die je niet de wet voorschrijft’ weer door de ‘gele hesjes’ van stal wordt gehaald is het allang geen lofzang op de schurende en toch gezellige kanten van individualisering meer, maar een doodgewone uitdrukking van ‘vroeger was het beter’. Waar het hier om gaat is dat de kwestie van de gewoonheid dieper steekt dan enkel onzekerheid over de gevolgen van immigratie. De ‘gewone Nederlander’ wordt niet alleen uitgevonden in tegenstelling tot De Moslim, er speelt ook onverwerkt individualistisch verleden mee bij de populariteit van de gewoonheid. Alsof de gemeenschap ons uit het graf weer bij de keel grijpt.

De gewone man hoeft niks uit te leggen, wie bijzonder is kan altijd bevraagd worden
***

Er is ook nog een derde mogelijke verklaring, namelijk dat de gewoonheid onderdeel is van het populisme, deel van de opstand tegen de elite. Populisme bestaat volgens de wetenschap uit antipluralisme en een superieure morele claim van ‘alledaagsheid’, waar kritiek op de politieke klasse uit volgt. Het populisme richt zich dus op de staat en op de elite die zich de staat heeft eigen gemaakt, met corruptie tot gevolg. De oorzaak van de opkomst van dat populisme wordt vaak gezocht in de crisis van politieke partijen, die weer het gevolg is van verdwenen of verkalkte zuilen en van achterhaalde ideologische tegenstellingen. Partijen hebben geen vaste achterbannen meer: ‘men rotzooit in Den Haag dus maar wat aan’, laat de oren beurtelings hangen naar Brussel, grootkapitaal en opiniepeilingen, en populisme is dus een logisch antwoord.

Ook in die sfeer speelt gewoonheid een bijzondere rol, maar hoe precies? De kritiek die via gewoonheid wordt verwoord slaat niet direct op de politieke elite of op vreemdelingen, maar eerder op het belang van ‘gewone mensen’ en de waarde van het alledaagse leven. Neem, al was het maar om de suggestie weg te nemen dat we het hier over een strikt Nederlands verschijnsel hebben, hoe de uitgesproken conservatieve Britse filosoof Roger Scruton kritiek levert op het idee dat de Brexit een kwestie van economisch calculeren is. Nee, betoogt Scruton, wat op het spel staat is de common law en daarom is men in verzet gekomen. De Europese traditie is die van een voorhoede die weet waar het volk heen moet: koningen, revolutionairen of politici die de weg banen voor grote idealen, en een volk dat daar achteraan loopt. Het Europees Hof, de Europese Centrale Bank en de Europese Commissie zijn er hedendaagse voorbeelden van. De Britse praktijk is uitdrukkelijk van gewone mensen, al eeuwenlang. Niet een of ander groots doel maar de individuele vrijheid staat voorop in common law. Het Britse instinct is diep democratisch en de afkeer van Europa dus gewoon.

Dit suggereert een onderscheid tussen populisme en gewoonheid dat zich niet, anders dan Scruton beweert, tot Groot-Brittannië beperkt. Als populisme vooral gaat over een representatiecrisis en vals spel door politici gaat gewoonheid om verdediging van bestaande maatschappelijke verhoudingen, van wat nu eenmaal altijd al zo was, wat vertrouwd is en daarom het verdedigen waard. Als antwoord op het populisme liggen procedurele oplossingen voor de hand. Denk aan alle pogingen tot betere vertegenwoordiging door beter naar ‘de mensen’ te luisteren, door meer lager opgeleiden aan het woord te laten, al dan niet in het parlement, tot het woud van nieuwe inspraakmethoden dat ministers en wethouders telkens verzinnen. Het populisme heeft een ideaalbeeld van hoe politiek eigenlijk zou moeten zijn en het roept dus ook weer andere ideaalvormen van politieke kritiek op. Maar procedures, partijen en praatjes, daar gaat de gewoonheid niet over. Gewoon is wat Scruton zegt: van onderop, natuurlijk, en dus voor hem ook nationaal. En daarom is het democratisch. Gewone mensen hebben een beter gevoel voor het land én voor democratie, omdat zij er afhankelijk van zijn. Ze hebben een belang bij het land: het is van hen omdat het voor hen is. Afgezet tegen het meestal nogal politiek georiënteerde populisme is gewoonheid eerder verbeelding van de maatschappij, het biedt concrete ijkpunten over het goede leven, over werk, gezin, fatsoen. Gewoonheid gaat om het beschermen van het alledaagse leven tegen de politiek.

Deze manier van denken heet soms verfrissend te zijn, omdat de politieke partijen van het midden arrogant zijn geworden, denken dat ze alles maar kunnen regelen zonder het ‘de mensen’ te vragen. Zonder een leuke populist aan tafel is je talkshow niet af en dat dit soms wat racisme of discriminatie oplevert, ach. Democratie is niet voor bange mensen, heet het dan.

Maar het kan geen kwaad het ‘gewone beest’ ook even in de bek te kijken. Zo had de Hongaarse premier Viktor Orbán begin 2018 een duidelijke boodschap voor zijn achterban, bij een toespraak ter feestelijke nagedachtenis van de Hongaarse revolutie van 1848. Door herhaaldelijk naar zijn grote criticus Georg Soros te verwijzen en een paar klassieke metaforen uit de antisemitische traditie te tappen, was het niet nodig het woord joden te gebruiken of andere categorieën onmensen te identificeren. We staan tegenover de wereldburgers, zei Orbán, tegenover hen die niet nationaal zijn maar internationaal, die niet werken maar speculeren, die niet zichtbaar zijn maar onzichtbaar. Er zijn, zo beschreef Orbán, gewone Hongaren die om het land geven en ongewone mensen die het land verachten – joden, en zigeuners en homo’s en lesbiennes natuurlijk. Maar dat hoefde hij niet met zoveel woorden te zeggen, de gewone mensen snapten het zo ook wel.

***
Sybrand Buma. Uden, 11 maart 2017 © Piroschka van de Wouw / ANP
Gewoonheid is geen blok kaas dat ergens na de Tachtigjarige Oorlog uit de lucht viel

Al met al lijkt het ons verdedigbaar om gewoon of gewoonheid op eigen benen te zetten, niet te reduceren tot een synoniem voor ‘gemeenschapszin’ of populisme. Het is dan wel nodig om een paar stappen achteruit te zetten. De Dikke van Dale maakt eigenlijk al duidelijk dat er problemen op de loer liggen. De betekenissen van ‘gewoon’ zijn: ‘gewend aan, waaraan men gewend is’ (1), ‘algemeen aangenomen’ (2) ‘van de meest voorkomende, meest bekende soort’ (3), ‘in overeenstemming met de regelmatige orde’ (4), ‘niet uitstekend, alledaags’ (5). De suggestie van de meerderheid van de betekenissen is dat wanneer iemand stelt dat iets gewoon is je de waarheid ervan eigenlijk niet moet willen bevragen, omdat hij of zij een beroep doet op wat in overeenstemming met ‘de regelmatige orde’ is en daarmee dus op de een of andere manier goed. Gewoon als ‘gemiddeld, doorsnee’ overlapt met gewoon als ‘gezond, zonder ziekte of afwijking’ en met gewoon ‘als gebruikelijk, zoals het hoort’ en stelt alles bij elkaar behoorlijk gerust.

Maar er zijn twee problemen. Het eerste is dat wat gewoon is snel wordt verward met wat we gewoon moeten vinden. De tweede kwestie is dat je het begrip gewoon eventueel als betekenisvol voor een groep kunt inzetten, maar dat vergelijkingen tussen groepen op die basis moeilijk te maken zijn. Want waar hebben we het over wanneer we iets gewoon vinden? Het lijkt erop dat we het vaak hebben over de modus – de meest voorkomende groep – van de maatschappij, wanneer we gedrag gewoon vinden.

Denk bijvoorbeeld aan dat er een mainstream is die het gezag opeist in discussies over nationale identiteit en cultuur. Die niet per se de meerderheid is, maar wel de groep die van oudsher nu eenmaal de dienst uitmaakt. ‘Zo doen we dat dus’ is de eis van dat deel van de bevolking dat met het meeste zelfvertrouwen spreekt over wat voor kleren je draagt of hoe je je op straat gedraagt. Gewoon gaat vermoedelijk eerder daarover dan over het gemiddelde, want in het gemiddelde wegen immers de zeer merkwaardige (arme, rijke, curieuze) mensen mee en die moeten in dit soort gevallen juist liever buiten beeld blijven. En gewoon is al zeker niet de mediaan, die precies in het midden (van de inkomensverdeling of leeftijdsverdeling of opleidingsverdeling) zit, en per definitie dus erg veel mensen uitsluit.

Zowel het verwarren van wat we gewoon vinden met wat gewoon is als de terugkerende vraag of we het over modus of gemiddelde hebben, maakt dat telkens opnieuw vastgesteld moet worden wat het is: gewoon. Laten we beginnen met vast te stellen dat gewoonheid om méér dan disciplinering draait. Het is verleidelijk direct in het geweer te komen tegen de pogingen bijzondere mensen in een gareel van gewoonheid te duwen, zoals sinds de jaren zestig vaak gebeurde. De Amerikaanse socioloog Erving Goffman (1922-1982) laat echter fraai zien hoe mensen op straat of op kantoor of elders ‘gewoon’ met elkaar omgaan, hoe ze vaststellen wat wel en niet gebruikelijk is, en hoe ze alledaagse manieren vinden om met het ongebruikelijke om te gaan. Het gaat hem om wederzijds verwachtingsmanagement in fysieke nabijheid. Denk aan werksituaties, waarin je kunde en vertrouwen moet overdragen en weet dat hoe je je voordoet, bepaalt hoe anderen je zien. Of aan ontmoetingen op straat tussen vreemden.

***

Goffman laat er geen misverstand over bestaan dat hij vindt dat het beter zou zijn wanneer er geen of minder machtsverschillen tussen mensen bestonden. Maar hij probeert ondertussen te kijken naar de stilzwijgende en uitgesproken rituelen waarmee we het gewone leven voortzetten. Hij schrijft: ‘De samenleving is gebaseerd op het principe dat ieder individu dat zekere sociale kenmerken heeft, een moreel recht heeft te verwachten dat anderen hem op een passende manier waarderen en behandelen. Verbonden met dit principe is een tweede, namelijk dat een individu dat impliciet of expliciet aangeeft dat hij bepaalde sociale kenmerken heeft, eigenlijk ook moet zijn wat hij zegt te zijn.’ Oftewel, het gaat hier om voorspelbaarheid.

Goffman is niet geïnteresseerd in het gewoner maken van mensen; hij kijkt wat op basis van ‘gewoonheid’ mogelijk is tussen mensen. Op die manier kun je je bevrijden van het determinisme dat anders snel uit nadenken over het gewone spreekt, zoals ook de sociologe Barbara Misztal schreef. Goffman onderzoekt de regels die er zijn om het woord te krijgen in een groepsgesprek en het weer kwijt te raken; de etiquette die bepaalt hoe gezinnen op straat moeten lopen, dicht bij elkaar of juist eerder in ganzenmars; hoe mensen zich in liften gedragen; de pogingen die we doen om onze waardigheid te bewaren, om ons niet te hoeven schamen. Waarbij de wetenschap nooit ver weg is dat contact ook te veel kan zijn. In de woorden van een Amerikaan van de vooroorlogse generatie: ‘Stedelijk leven zou ondraaglijk plakkerig worden als elk contact tussen twee individuen het delen van persoonlijke problemen, zorgen en geheimen betekende. Dus als een man rustig zijn eten opgediend wil krijgen, kan het zijn dat hij eerder de diensten van een serveerster dan van een echtgenote opzoekt.’

Er dreigt een ­vergissing: dat wat ‘de mensen in de kantine’ denken opeens geldt als ­scherpzinnige maatschappij- kritiek

In het essay Normal Appearances beschrijft Goffman dat mensen net als dieren twee standen hebben, die van easy control (eten, rondhangen) en die van self preserving action (aanvallen of vluchten). Als de wereld direct rond het individu geen tekenen van verrassingen geeft, als iemand zijn routines kan afdraaien omdat alles om hem heen geruststellende patronen volgt, dan kun je zeggen dat de toestand normaal is. Voor het individu betekenen normale presentaties dat het veilig is om door te gaan met wat hij of zij aan het doen was, met niet meer dan een half oog voor de stabiliteit van de omgeving. Je werk doen of op een bankje in het park zitten, wat het ook moge zijn. De kans dat iemand begint te schreeuwen of misschien zelfs slaan, houdt ons dan niet bezig. Juist het niet hebben van dat soort verwachtingen zorgt voor de normaliteit, voor easy control, voor thuisgevoel.

Je zou kunnen zeggen dat zo’n manier van kijken dienstbaar is aan oppervlakkigheid. Het gaat Goffman immers uitdrukkelijk niet om lange lijnen in de geschiedenis of de strijd tussen arbeid en kapitaal, maar om observaties van het alledaagse of in zijn eigen woorden: the neglected situation, de dingen waar de meeste denkers hun neus voor ophalen omdat ze druk zijn met Grote Systemen. Met als moraal: wanneer je je afvraagt waarom iemand praat zoals-ie praat, moet je niet alleen kijken naar zijn kenmerken noch naar die van zijn gesprekspartner, maar naar de situatie waarin het gesprek zich voltrekt – in een bar? bij de koffieautomaat? – en naar de mogelijkheden en onmogelijkheden daarvan. Die situaties kunnen gewoon zijn, maar dat geldt zeker niet altijd voor wat mensen daar ervaren of denken: ze moeten de gewoonheid ter plekke maken.

De Goffman-vorm van gewoonheid ontstaat doordat mensen begrip of interpretatie van een bepaalde situatie delen, doordat ze ongeveer hetzelfde denken over de betekenis van een ontmoeting. Gewoonheid is dan afhankelijk van de rituelen waar mensen zich aan overgeven. Die produceren voorspelbaarheid van situaties en voorkomen zo willekeur en toeval. Maar geen misverstand, je moet dit leren, ook op plekken waar je je niet direct veilig voelt. Je moet een zelfbewustzijn uitdragen, trots, eer, waardigheid leren bewaken, tact leren – anders ben je niet van nut en zul je nooit ‘gewoon’ zijn.

***

Het is achteloos om lacherig over gewoonheid te doen en het is belangrijk om te zien dat achter het gewone meer schuilt dan plat populisme of disciplinerend communitarisme. De huidige, dominante opvatting over ‘gewoon’ is niettemin problematisch. Die luidt dat gewoonheid niet à la Goffman de basis is van goede omgangsvormen, een middel, maar een doel of een ideaal, sterker nog, een onderdeel van de cultuur. ‘Dat wat je veel ziet’ of ‘dat wat je veel denkt te zien’ wordt ingezet om ‘dat wat passend is’ te benadrukken. Het is de lijn die van links tot rechts populair is in de politiek: bepalend zijn de ervaringen die vanuit het verleden te verklaren zijn, zó doen we dat hier. Dit is populair in de dubbele betekenis van het woord: aansprekend en plat. Het is in dit perspectief immers logisch dat je via inburgering leert wat gewoon is. Of dat de gewone man niks hoeft uit te leggen, maar dat wie bijzonder is eigenlijk altijd wel bevraagd kan worden. Of dat nieuwkomers tot in de derde generatie geen echte Nederlanders zijn.

Maar er ligt een categorische vergissing op de loer wanneer gewoonheid op deze manier aan cultuur gekoppeld wordt, want wie vallen er dan buiten de boot? Wanneer de gewone Nederlander de sociaal-economische doorsnede is, is iemand met twee keer modaal dan ongewoon? Als de gewone Nederlander onderdeel van een gezin is, dan zijn alleenstaanden of woongroepen het niet? Als de gewone Nederlander zich gedraagt als hetero, hoe zit het dan met transseksuelen? Als de gewone Nederlander werkt, zijn mensen met uitkeringen dan ongewoon? Als de gewone Nederlander Nederland groot maakte, wat zijn Willem van Oranje en Anne Frank dan? Als de gewone Nederlander ‘de mensen thuis’ is, dan zijn demonstranten en kroegtijgers het niet? Als de gewone Nederlander gezond verstand heeft – wie heeft dat dan niet? Gewoonheid is geen blok kaas dat ergens na de Tachtigjarige Oorlog uit de lucht viel.

Om analytisch of politiek meer te kunnen met gewoonheid is het zinvoller via Erving Goffman de dominante veronderstelling om te draaien: gewoonheid dient interactie, het is geen doel op zichzelf. Gewoon zijn de ontmoetingen en ervaringen die geen van de betrokkenen stress opleveren. Zoiets als ‘gewone deugden’ bestaan, constateerde Michael Ignatieff niet lang geleden in zijn gelijknamige boek. Grote idealen als vrijheid, gelijkheid en broederschap zijn immers redelijk abstract en het is al heel wat wanneer mensen het met elkaar uithouden zonder moord en doodslag.

Het is een inzicht dat op veel manieren uit sociologisch onderzoek te halen is: veel van de politiek voelt ‘ver van huis’ en is abstract, iets voor anderen. Veel mensen voelen zich vervreemd van instituties of bureaucratie waarin geen gevoel leeft voor herkenbare, begrijpelijke dialoog. Waardering van gewoonheid kan dan helpen om de menselijke maat in de gaten te houden. Zonder gewoonheid geen burgerparticipatie. In actief burgerschap is herkenbaarheid of gewoonheid cruciaal voor mensen: om te willen delen met anderen of om zich in te zetten voor anderen zijn interactie en basaal vertrouwen essentieel. Als alle betrokkenen een beetje normaal doen, is er altijd een oplossing te vinden. Maar ook hier dreigt een categorische vergissing: namelijk dat wat ‘de mensen in de kantine’ denken opeens geldt als scherpzinnige maatschappijkritiek, of dat onwil of onverdraagzaamheid van gewone mensen gelegitimeerd wordt door hun gewoonheid. Mensen die gewoon heten, worden op het fanatieke af door politici bevraagd en gemonitord. Tussen die gewone ‘mensen’ vermoedt men dan het wezen van de samenleving. Natuurlijk niet in boeken en al helemaal niet in beleid, maar op straat, achter de voordeur of in de fabriek!

Dat is niet per se onzin. Natuurlijk hoeven inwoners van een sloppenwijk niet te juichen om de mensenrechten, zoals Ignatieff constateerde. En natuurlijk zullen fabrieksmedewerkers bepaald niet altijd klappen voor de Europese Commissie. Maar wanneer je optekent dat de gewone man afkerig is van mondiale dromen of abstracte idealen, dan is niet de gewoonheid beschreven of de essentie van de politiek op de staart getrapt, maar dan zijn de opvattingen van een bepaalde groep mensen op een bepaalde tijd naar aanleiding van een bepaalde vraag gevonden. Wat precies van die opvattingen te vinden, is een kwestie die makkelijk ondersneeuwt wanneer gewoonheid heilig wordt verklaard. Wat gewoon gevonden wordt, is nog niet per se waar.

Het is van belang te zien dat gewoonheid gebouwd wordt uit ontmoetingen tussen mensen met gewone én ongewone invallen. Rebellie tegen wat gewoon is, kan behulpzaam zijn om een goed burger te worden – het is zelf-beschermende actie, in de woorden van Goffman. Zoals het ook tamelijk gewoon is een deel van je eigen identiteit tegen groepsdruk in te willen behouden. En soms zou je willen dat mensen minder snel iets gewoon vinden: denk aan het gedrag van ing en zijn topbestuurders (‘gewoon is wat niet bestraft wordt’). Of hun eigen gewoonheid niet claimen als de norm voor iedereen. Neem Zwarte Piet. Het is niet voor iedereen gewoon om bij wijze van spel je gezicht zwart te verven en met een takkenbos achter kinderen aan te draven en het is helaas niet voor iedereen gewoon te erkennen of herkennen dat sommige mensen zich daardoor in het nauw gedreven voelen. En op een ander niveau: het is niet gewoon dat om een kinderfeest zo’n maatschappelijke drukte ontstaat, en het is niet gewoon dat de politiek er eerder achteraan deint dan stuurt op vreedzame oplossingen. Onderzoek naar gewoonheid levert heel wat ongewoons op.

Jan Willem Duyvendak is hoogleraar sociologie aan de Universiteit van Amsterdam en directeur van The Netherlands Institute for Advanced Study in the Humanities and Social Sciences (NIAS-KNAW). Menno Hurenkamp is politicoloog aan de Universiteit van Amsterdam en de Universiteit voor Humanistiek