De lonen omhoog!

EEN VAKBONDSECONOOM, nog maar net van de universiteit, moest namens de Industriebond FNV naar Rotterdam naar een zaal vol kritische kaderleden. Hij moest er een pleidooi houden voor de nu al vele jaren door de Nederlandse vakbeweging volgehouden loonmatiging. Plotseling rees achter in de zaal een kleerkast omhoog. ‘Zeg jochie’, riep hij, ‘je zou eens wat meer naar die professor Kleingeld moeten luisteren.’

Professor Alfred Kleinknecht, sinds 1 oktober hoogleraar te Delft, laat zich wel vaker weinig gelegen liggen aan wat in polderland Nederland in het algemeen voor economisch goed wordt gehouden. Deze week brengt hij, in opdracht van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, rapport uit over de omvang, de oorzaak en de gevolgen van de flexibilisering. Hij en zijn collega’s Oostendorp en Pradhan laten niet veel heel van een aantal mythen rond dit fenomeen.
Kleinknecht: ‘Tot nog toe wordt over flexibilisering een heel ongenuanceerde, ongeïnformeerde discussie gevoerd, waarbij vaak niet eens goed is gedefinieerd wat men onder flexibilisering verstaat. Het probleem is dat nooit goed onderzocht is wie er überhaupt flexibel zijn in Nederland, hoe hard het met die flexibilisering gaat, wat de drijvende krachten en wat de economische gevolgen zijn voor personen en bedrijven. Het leuke is dat wij dat precies hebben kunnen uitzoeken met behulp van twee heel uitgebreide databases en met gebruikmaking van goede econometrie.
Een eerste interessant punt is dat veel wordt geroepen dat we allemaal flexibel moeten worden vanwege de technologische ontwikkeling. “De moderne technologische ontwikkeling laat ons geen andere keuze”, hoor je vaak. Daar blijkt niets van te kloppen. Als het zo zou zijn dat moderne technologie meer flexibele arbeidsverhoudingen afdwingt, dan hadden wij moeten vinden dat de bedrijven die hun arbeidsverhoudingen het meest geflexibiliseerd hebben, technologisch de meest geavanceerde bedrijven zijn. In de representatieve steekproef vinden we daar geen enkele aanwijzing voor. Hoe je het ook draait of keert, er bestaat geen systematisch verband tussen enerzijds de technologische geavanceerdheid en anderzijds diverse soorten flexibilisering. Het was voor mijzelf ook een eye-opener. Je kunt absoluut niet zeggen dat de technologie flexibilisering afdwingt.’
EEN ANDERE STELLING die in het rapport sneuvelt, is dat we allemaal zelf kiezen voor flexibilisering. Kleinknecht: 'Sommige mensen willen natuurlijk graag in deeltijd werken. Er zijn ook mensen die kiezen voor interne flexibilisering en die vrijwillig naar een andere afdeling gaan. Maar als we naar externe flexibiliteit kijken, dus naar afroepcontracten en echte tijdelijke contracten, dan zien we dat mensen die niet vrijwillig aangaan. Iedereen die van een flexbaan naar een vaste aanstelling overgaat, blijkt significant meer tevreden met zijn of haar werk. Men is gewoon blij met een vaste baan.
Mensen kiezen dus niet vrijwillig voor externe flexibiliteit. Een van de redenen daarvoor is vermoedelijk dat een flexwerker al gauw twintig procent minder verdient dan een soortgelijk iemand met een vaste baan. Met dezelfde leeftijd en hetzelfde opleidingsniveau en in dezelfde branche of hetzelfde soort bedrijf verdien je als flexwerker een vijfde minder dan een vast aangesteld iemand.’
Op de voor de hand liggende vraag hoe het dan toch mogelijk is dat alles in Nederland en Europa steeds maar flexibeler moet, heeft Kleinknecht een duidelijk antwoord: 'Dat komt doordat de enorme werkloosheid zowel de onderhandelingspositie van de individuele werknemer als die van de vakbond verzwakt heeft. De ondernemers zijn op dit moment in het offensief en dat heeft niks te maken met technologie of de zogenaamde globalisering, maar alles met de krachtsverhoudingen tussen kapitaal en arbeid. Je ziet het ook aan het plan dat Philips onlangs liet uitlekken om op termijn een eind te maken aan de vaste arbeidsovereenkomsten. Ik weet niet of ze het kunnen doorzetten, maar ze proberen het. En dat ze openlijk zo'n proefballonnetje durven oplaten, heeft te maken met het feit dat ze een jaar geleden gezien hebben dat de vakbonden bij Philips ontzettend zwak staan. De bonden vroegen toen om arbeidstijdverkorting, maar dropen met de staart tussen de benen af toen Philips daar niet over wilde praten.’
MET ZIJN PLEIDOOI tegen loonmatiging is Kleinknecht in Nederland een roepende in de woestijn. Internationaal wordt er heel anders over gedacht. Kleinknecht: 'Toen ik in 1994 een Schotse collega vertelde dat ik in mijn oratie tegen loonmatiging gepleit had, vermoedde hij dat ik daarmee een prijs van de vakbeweging had gewonnen. Ik had grote moeite hem uit te leggen dat het tegendeel het geval is en dat de vakbondsleiders me juist verguizen.’
Omdat het met de winsten maar niet op lijkt te kunnen en directies van ondernemingen zichzelf rijkelijk belonen met goudgerande optieregelingen, wil een deel van de vakbondsbasis ook wel weer eens een reële loonsverhoging. Daardoor is de kritiek op het matigingsbeleid de afgelopen tijd toegenomen. Terecht, vindt Kleinknecht. 'Het hoofdprobleem van loonmatiging is dat het de technologische dynamiek onderuithaalt. Het gaat om drie argumenten. Het eerste argument dat ik breed in mijn oratie heb uitgemeten, is dat er te weinig creatieve vernietiging plaatsvindt. Bedrijven die goed geleid worden, maken genoeg winst en hebben geen loonmatiging nodig. Loonmatiging beschermt de zwakke bedrijven aan de onderkant van de markt die eigenlijk weggeconcurreerd zouden moeten worden. Die worden door de gematigde loonpolitiek kunstmatig overeind gehouden. Dat leidt op de lange termijn tot een verslechtering van de kwaliteit van het ondernemerschap.
Mijn tweede argument tegen loonmatiging komt erop neer dat ondernemers bij een gematigde loonontwikkeling te lang vasthouden aan verouderde investeringsgoederen. Mijn derde en laatste argument is het resultaat van recent wetenschappelijk onderzoek. Je kunt statistisch aantonen dat innovatie vraagafhankelijk is en dat een bedrijf met meer afzetgroei ook meer innoveert. In Nederland wordt die innovatie nu dus al vele jaren geremd als gevolg van de loonmatiging, die tot minder vraag voor de bedrijven leidt. Dat voel je vooral in het midden- en kleinbedrijf, waar men het sterk van de binnenlandse afzet moet hebben. De discussie over deze nadelen van het matigingsbeleid verloopt in dit land altijd erg moeizaam doordat zoveel mensen zich openlijk gecommitteerd hebben aan loonmatiging; in het buitenland gaat het makkelijker.’
SAMEN MET 69 andere Nederlandse economen publiceerde Kleinknecht in februari een verklaring waarin gewaarschuwd wordt voor de gevolgen van de euro. In de aanloop naar de Europese top van Amsterdam ging daaroverheen nog eens een open brief aan de EU-regeringsleiders van ruim driehonderd economen uit veertien lidstaten, maar het lijkt er steeds meer op dat de euro-trein niet meer te stoppen is.
Kleinknecht: 'Ik blijf hopen dat het hele project niet doorgaat, want ik voorzie grote problemen. Landen die economisch moeilijk zitten, kunnen nu hun munt nog devalueren om wat op adem te komen. Dat kan straks niet meer en daardoor zul je meer spanningen tussen landen krijgen.
Als je dan ziet dat de Nederlandse regering nu al roept dat er te veel geld naar de Europese Unie gaat, dan houd ik mijn hart vast. In de Verenigde Staten en Duitsland heb je muntunies waarbinnen de rijkere staten de minder florerende met belastingoverdrachten steunen. Binnen de EU bestaat dat nauwelijks en als je de EU straks met die ene munt wilt laten functioneren, zul je juist veel meer in plaats van minder belastinggeld uit landen als Nederland naar de EU moeten overmaken. Als die bereidheid er niet is kun je zo'n muntunie niet bij elkaar houden, want landen hebben daarin geen instrumenten meer om economische schokken op te vangen.’
JE ZIET IN DE EU op dit moment twee benaderingen tegenover elkaar staan als het gaat om de vraag hoe de enorme werkloosheid kan worden teruggedrongen. De regering van Frankrijk heeft aangekondigd de 35-urige werkweek met behoud van loon te gaan invoeren. De Duitse vakbonden en SPD-voorzitter Lafontaine ijveren voor loonsverhogingen om de economie door een uitbreiding van de effectieve vraag aan te jagen. De Europese Commissie en verschillende andere lidstaten zien daarentegen meer in een soort Nederlandse aanpak, waarin loonmatiging en flexibilisering sleutelwoorden zijn.
Volgens Kleinknecht is de eerste optie realistischer: 'De bedrijfswinsten bevinden zich op een naoorlogs record en zijn zodanig hersteld dat de bedrijven wel iets kunnen hebben. Aan winstherstel hoef je niet meer te doen en ik denk dat er goede argumenten zijn voor koopkrachtbehoud of liever nog koopkrachtgroei. De koopkracht moet omhoog en dat moet van loonsverhogingen bij de bedrijven komen. De overheden kunnen daar weinig aan doen vanwege de budgettaire eisen die voor deelname aan de euro gesteld zijn.
Ik voel zelf veel voor arbeidstijdverkorting en zie wel iets in een compromisformule waarbij een deel van de loonruimte wordt gebruikt voor collectieve werktijdverkorting met behoud van loon en een ander deel wordt gebruikt voor reële loonsverhogingen.’
Bij de Nederlandse regering bestaat voor dit soort voorstellen geen steun en het poldermodel is inmiddels een belangrijk Nederlands exportproduct. Kleinknecht is niet onder de indruk: 'Laatst heb ik tijdens een lezing in Düsseldorf gezegd dat mensen die het zogenaamde poldermodel nog willen bewonderen, moeten opschieten, omdat het binnen enkele jaren afgelopen zal zijn met het succesverhaal. Vorige week werd ik gebeld door de economische faculteit van Bologna, of ik daar eens wil komen uitleggen wat er mis is met het poldermodel. De Italiaanse premier Romano Prodi is daar nog steeds hoogleraar. Hij komt ook elke maandagochtend op de faculteit langs. Een aantal van zijn collega’s vreest dat hij een te positief beeld heeft van hoe de zaken in Nederland ervoor staan en wil daar wat tegengas tegen geven. Ik hoop dat Prodi aanwezig is als ik mijn lezing houd.’