Het gas wordt te duur betaald

De lont in het gasgebouw

Vrije energiemarkten gaan een einde maken aan de geheime afspraken tussen de Nederlandse staat en Shell en ExxonMobil over de winning en verkoop van aardgas. Maar eerst is het tijdrekken en dwarsliggen geblazen.

Het is gedaan met het roemruchte gas gebouw, maar de laatste bewoners verzetten zich. Waarom slopen? Dit was toch een voordelige constructie voor alle partijen?

Het is maar wat je voordelig noemt. Het is vooral de consumentenprijs van gas die de basis vormt van de profijtelijkheid van dit gasgebouw, dat bestaat uit de combinatie van afspraken, contracten, concessies en andere deals op grond waarvan de afgelopen veertig jaar Nederlands grootste bodemschat is gewonnen. Die prijs werd begin jaren zestig gekoppeld aan die van huisbrandolie en had niets te maken met de kosten van het winnen en transporteren van het gas. Gevolg: meer dan behoorlijke winstmarges voor de betrokken oliemaatschappijen, Shell en Esso (later opgegaan in ExxonMobil), én het begin van een stroom «aardgasbaten» van vele miljarden guldens en euro’s voor de Nederlandse staat.

Daarvan zijn in de loop der jaren heel mooie en heel lelijke dingen betaald, maar voor de Nederlandse bevolking betrof het immer een sigaar uit eigen doos. Nederland heeft zijn aardgasbaten niet te danken aan het feit dat er zo veel gas in de bodem zit, maar aan het feit dat staat en oliemaatschappijen hebben afgesproken de gebruikers van gas (te) veel te laten betalen.

Dit stelsel van afspraken wordt door vrijwel iedereen die iets doet op of vindt van de energiemarkten nog steeds beschouwd als «een constructie die tot beider voordeel strekte». Dat ligt vooral aan de zekerheden en garanties die erin opgenomen waren. De twee oliemaatschappijen Shell en Esso, ver enigd in de Nam, beloofden altijd gas te leveren als er gas gevraagd werd en beloofden ook het kolossale en goedkoop winbare Groningenveld niet in één keer leeg te halen, maar eveneens investeringen te doen in kleinere (duurdere) gasvelden. Doel: de geruststellende gedachte overeind houden dat «we» altijd nog heel veel Groningengas hebben. In ruil daarvoor kregen de oliemaatschappijen de zekerheid dat al het gas dat ze uit de kleinere velden haalden tegen gegarandeerde prijzen werd afgenomen door de Gasunie, de verkoopmaatschappij die gerund wordt door staat en oliemaatschappijen samen (staat 50 procent, oliemaatschappijen elk 25 procent van de aandelen). Met andere woorden: een gegarandeerde omzet en een gegarandeerde winst voor Shell en ExxonMobil.

De details van deze overeenkomsten zijn allemaal geheim. Ze liggen vast in commerciële contracten (niet in wetten) en zijn dus ook nooit onderworpen geweest aan controle door de Tweede Kamer. Datzelfde geldt voor aanpalende beloften, die meestal de vorm van een «herenakkoord» kregen. Chargerende conclusie: wie hoeveel verdient aan de Nederlandse bodemschat is sinds jaar en dag geregeld in een onderonsje tussen de staat en twee zeer grote bedrijven. Zou het om Italië, Brazilië of Angola gaan: schande, protest, moord en brand. In Nederland is het echter «een constructie die tot beider voordeel strekt».

Echt gek is het dus niet dat de Europese Unie, met vrijhandel en marktwerking hoog in het vaandel, het Nederlandse gasgebouw als een gruwel beschouwt. Europa moet groot en sterk worden door meer dynamiek in de economie. In dat opzicht zijn duopolies zoals dat van Shell en ExxonMobil op de (Noordwest-) Europese gasmarkt geen aanrader. Liberaliseren dus, net als de andere energiemarkten, zo werd in principe tien jaar geleden al besloten. In Europees tempo komt dat erop neer dat de Nederlandse overheid voor 2007 geregeld moet hebben dat anderen toegang kunnen krijgen tot de Nederlandse gasmarkt, onder dezelfde voorwaarden als Shell en ExxonMobil.

Maar dat is een groot probleem, want eigenlijk wil de Nederlandse overheid dat niet, zeker niet dat deel van de overheid dat samen met Shell en ExxonMobil al veertig jaar de exploitatie van het gas voor zijn rekening neemt. Het ging toch goed zo, met die garanties?

Het is 2001 als minister Annemarie Jorrits ma van Economische Zaken in reactie op Europese besluiten aangeeft hoe Nederland de gasmarkt zal liberaliseren: de Gasunie wordt gesplitst in een transportpoot, die zal worden uitgebouwd tot systeembeheerder voor de hele markt, en een handels- en verkooppoot. De transportpoot moet eigendom worden van de overheid, de handelspoot gaat naar de markt en wordt gesplitst in een deel Shell en een deel Exxon.

De mitsen en maren van dit scenario zijn talrijk. Zo kan de politiek zich zorgen maken over de leveringszekerheid in een markt die aan de verkoopkant alleen door commerciële partijen wordt bevolkt. De politiek maakt zich ook druk over het Groningenveld dat, zonder het controlerende belang van de overheid in de exploitatie, door de Nam wel eens sneller dan gewenst leeggehaald zou kunnen worden. De oliemaatschappijen op hun beurt vinden het maar niks dat de afnamegaranties wegvallen en voelen niets voor een echte markt voor gas, die het einde zou betekenen voor de veilige langetermijn contracten waar gasexploitatie nu op berust. En dan zijn er nog de andere energiebedrijven uit binnen- en buitenland, die al jaren op het vinkentouw zitten, wachtend op veranderingen die de Nederlandse aardgasmarkt inderdaad opengooien onder voor iedereen gelijke voorwaarden. Zij stellen dat een ordening die van start gaat met twee grote verkoopmaatschappijen, die samen ook nog eens tachtig procent van de Nederlandse gasvelden bezitten, niet echt uitblinkt in mogelijkheden voor eerlijke concurrentie.

Drie jaar later zijn alleen de zorgen van laatstgenoemde partijen minder geworden, en ook nog maar zeer recent. Afgelopen weken werd in de Tweede Kamer de wet be handeld die per 1 juli 2004 de implementatie van een aantal Europese liberaliseringsrichtlijnen regelt. Daarbij liet het parlement zich kennen van zijn meest concurrentiebevorderende kant: op de wet werden 29 amendementen aangenomen. Die wijzigingen dwingen de transportpoot van de Gasunie — met een nieuwe naam, Gasunie Transport Servi ces (GTS), maar nog steeds eigendom van de «oude» drie-eenheid — allerlei extra diensten aan te bieden die het nieuwkomers mogelijk maken op de gasmarkt mee te dingen naar de gunst van de klant (elektriciteitscentrales, bedrijven en consumenten).

Het gaat om mogelijkheden waar de verkooptak van de Gasunie zelf geen gebrek aan heeft, met name het gebruik van de buffer capaciteit van het Groningenveld — aangeduid met het begrip flexibiliteit — en het gebruik van de capaciteit van de conversiestations die H-gas (hoogcalorisch) omzetten in L-gas (laagcalorisch).

Het Groningenveld heeft min of meer een monopolie in L-gas. Op dat gas zijn ook het leidingnet naar en de apparaten van de Nederlandse consument gebouwd. Maar het Groningenveld is nu «bezet» en dus zijn andere handelaren in gas aangewezen op H-gas uit Nederlands kleine velden of uit het buitenland. Wil dat gas aangeboden kunnen worden aan de Nederlandse consument, dan moet het worden omgezet in de genoemde conversiestations. Die zijn er wel, maar allemaal in gebruik door de Gasunie. De amendementen van de Kamer regelen dat ook andere partijen gebruik moeten kunnen maken van de flexibiliteit van «Groningen» en de conversiecapaciteit.

Liberalisering geregeld? Niet bepaald. De Gasunie is anno 2004 nog steeds eigendom van twee oliemaatschappijen en de staat, terwijl een splitsing beoogd was, en de onderhandelingen over de boedelscheiding, begonnen in 2002, zitten muurvast. Geen van beide partijen wil zijn garanties kwijt. Politiek is onbespreekbaar dat de overheid haar zeggenschap verliest over de manier waarop Groningen wordt benut. Maar hoe kan er zeggenschap blijven als de winning en verkoop exclusief eigendom van de oliemaatschappijen worden? Shell en ExxonMobil op hun beurt willen hun langetermijncontracten niet kwijt, hoewel die onhoudbaar zijn op een vrije markt.

En dan zijn er nog wat kleinere punten: wat is de waarde van het transportnetwerk, de Gasunie-poot waar de staat de oliemaatschappijen moet uitkopen? En wat is de waarde van de verkoopcontracten die de verkooppoot van de Gasunie heeft (vooral met het buitenland), waar de oliemaatschappijen de staat moeten uitkopen?

In oktober 2003 liet minister Brinkhorst van Economische Zaken weten dat de onderhandelingen waren afgebroken. Sindsdien is het officieel stil. Op lager niveau wordt wel verder gesproken, zo is bekend, ook al wil bijvoorbeeld ExxonMobil dat «bevestigen noch ontkennen». Wat de woordvoerder van de oliemaatschappij in Nederland wel kwijt wil, is het algemene uitgangspunt dat bij de gesprekken wordt ingenomen. «Voor ons hoeft het niet. De staat wil dit, maar we hebben te maken met reeksen privaatrechtelijke contracten en daar houden wij ons aan.»

Zo monden de eerste sloopwerkzaamheden aan het Nederlandse gasgebouw uit in een rariteit: de beheerder van het transportnetwerk GTS, die moet uitgroeien tot een volwaardig en onpartijdig systeembeheerder voor de hele markt, is voor de helft in handen van de twee grootste marktpartijen, nog verenigd in één almachtige verkoper.

Bij die rariteiten blijft het niet. De liberalisering van de energiemarkten voltrekt zich onder toezicht van de DTE (Dienst Uitvoering en Toezicht Energie). Die maakt onder meer voor de gasmarkt de regels waar de Gasunie zich aan moet houden bij het mogelijk maken van concurrentie door anderen. Directeur G. Zijl van de DTE rapporteert aan de directeur-generaal Marktordening en Energie van het ministerie van Economische Zaken, G.J. Lankhorst. Lankhorst is ook commissaris bij de Gasunie, en moet uit dien hoofde handelen in het belang van de voormalige monopolist. Hoe lastig kan een toezichthouder zijn voor zijn baas?

Een andere rariteit. Nieuwe marktpartijen klagen al jaren dat er geen import- en exportcapaciteit beschikbaar is, dat vrijwel alle pijpleidingen van en naar het buitenland in beslag genomen worden door de Gasunie. Na veel vijven en zessen is onlangs besloten de capaciteit flink uit te breiden, met een nieuwe pijpleiding naar het Verenigd Koninkrijk. Het enige nadeel: de pijp is al vrijwel volgeboekt door de handelstak van de Gasunie, die gas gaat leveren aan het Engelse Centrica.

Nog een laatste rariteit. H. Dijkgraaf is jarenlang directeur geweest van Shell Nederland. Uit dien hoofde was hij commissaris bij de Gasunie. Uit dien hoofde ook voerde hij de afgelopen jaren de onderhandelingen over de splitsing van de Gasunie met het ministerie van Economische Zaken, die oktober vorig jaar vastliepen. Dijkgraaf gaf vorig jaar bij Shell de pijp aan Maarten en trad dus ook af als Gasunie-commissaris. Maar wie werd er op 1 juli op voordracht van de staat benoemd als nieuwe directeur van de Gasunie? H. Dijkgraaf. De man die er eerder namens Shell niet uitkwam met de staat moet nu, als er wél overeenstemming komt, de splitsing gaan leiden.

Of die rariteiten straks allemaal door de Europese beugel van een geliberaliseerde energiemarkt kunnen is niet bekend. Ze wijzen er in ieder geval wel op dat Nederland maar moeilijk een einde kan maken aan de verwevenheid van belangen van oliemaatschappijen en staat. De oliemaatschappijen piekeren er niet over hun machtspositie op de Europese gasmarkt op te geven, alleen omdat de overheid dat wil. De staat wil zijn zeggenschap over de Nederlandse bodemschat niet kwijt, maar vraagt zich af hoe groot het financiële offer kan zijn dat daarvoor gebracht moet worden. Ondertussen verdienen ze elke dag met vereende krachten veel geld in een constructie tot beider voordeel.

Wellicht dat de gasbeurs uitkomst gaat bieden. Minister Brinkhorst moet van de Tweede Kamer voor 1 januari 2005 een beursplaats aanwijzen waar op basis van vraag en aanbod — en dus niet op grond van de prijs van huisbrandolie — gas kan worden verhandeld. Als dan vast komt te staan wat het Nederlandse aardgas echt waard is in Europa, zonder beschermende maatregelen, wordt misschien duidelijk wat Nederland moet betalen voor het einde van het veertig jaar oude gasgebouw.

_______________________

Gasmarkt

Nederland produceert zo’n 70 miljard kubieke meter aardgas per jaar (2003: 69 miljard), goed voor ruwweg 11 miljard euro. De Gasunie voerde in 2003 daarnaast ongeveer 9 miljard kuub gas in en exporteerde 43 miljard kuub. Voornaamste klanten: Duitsland (20 miljard), Italië (8 miljard), Frankrijk (7 miljard) en België (6,7 miljard).

Volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek werd in Nederland in 2003 23,5 miljard kuub gas ingevoerd. Het zou dus gaan om 14,5 miljard kuub buiten de Gasunie om. De Gasunie noch CBS wil of kan zeggen welke hoeveelheden waar vandaan komen, maar duidelijk is dat sinds vorig jaar Rusland de grootste gasleverancier is voor Nederland. De details van deze contracten zijn geheim. Ander gas komt uit het Verenigd Koninkrijk en uit de Noorse velden.

Van een internationale gasmarkt — met kopers en verkopers die elkaar onder gelijke, concurrerende omstandigheden treffen — is mede door het Nederlandse bezit van het Groningenveld geen sprake. Waar een ander land het moeilijk zal hebben met een continue stroom gas zoals die bijvoorbeeld door Rusland en Noorwegen geleverd wordt — niet genoeg in piekuren, te veel in daluren — kan Nederland naar believen de kraan van het Groningenveld gebruiken om bij doorvoer de gasdruk op peil te houden. Met dit monopolie op flexibiliteit wil Nederland zijn positie uitbouwen van grootste gashandelaar voor Europa.

_______________________

De winst van Shell en Exxon

De opbrengsten van het Nederlandse gas worden op basis van een ingewikkeld stelsel verdeeld tussen de staat en de twee oliemaatschappijen. Volgens het openbare deel van de afspraken komt 55 tot 80 procent van de winst bij de staat terecht, en is de rest voor Shell en Exxon. Volgens de financiële jaarverslagen van het rijk ontving de staat de afgelopen jaren telkens zo’n vier miljard euro (2001: 3,9 miljard; 2002: 4,0 en 2003: 4,1 miljard) aan aardgasbaten. Voor de oliemaatschappijen komt dat jaarlijks neer op ruim 2 miljard euro. Dat betekent voor ExxonMobil ruim 10 procent van de nettowinst in slechte tijden (in 2002 was de winst «slechts» 11,5 miljard dollar) en ruim 5 procent van de nettowinst in goede tijden (in 2003 was de winst 21,5 miljard dollar). Voor Shell/Koninklijke Olie is de afhankelijkheid van het Nederlandse gas groter. De «officiële» verdiensten van een miljard euro waren in 2002 goed voor 12,5 procent van de nettowinst en in 2003 voor 9,6 procent.

Naast deze controleerbare cijfers zijn er in de loop der jaren veel hogere percentages genoemd als het gaat om het winstdeel van de oliemaatschappijen.

Vormt de aanstaande liberalisering van de gasmarkt dan geen grote bedreiging voor de winstgevendheid en de beurskoers van de betreffende bedrijven? De financiële wereld ziet dat niet zo. Jason Kenney van ING Financial Markets, rekenend met de bekende cijfers: «Mocht er een echte gasmarkt komen, dan zal hooguit vijftien tot twintig procent van het aanbod vrij verhandelbaar zijn. De rest zit vast in langetermijncontracten. Verder ziet de belegger dat deze oliemaatschappijen scherp blijven opereren, dat ze niet zomaar hun aandeel in die gasmarkt uit handen zullen geven. Er is het vertrouwen dat zij hier de komende jaren financieel niet veel onder zullen lijden.»

_______________________

Waddengas

Onder de Waddenzee ligt veertig miljard kubieke meter gas. Niets vergeleken bij wat er nog onder Groningen ligt (ruim duizend miljard kubieke meter), maar groot voor een «klein veld». Er worden op de Noordzee ook wel eens velden aangeslagen met een schamele twee miljard kuub gas. Het Waddengas is goed voor zes tot acht miljard euro, becijferde minister Brinkhorst van Economische Zaken toen hij eind juni bekendmaakte dat het kabinet het advies van de commissie-Meijer gaat opvolgen om dat gas snel te gaan winnen. In het verleden is het al aan Shell en Exxon gegeven — er werd een eeuwigdurende concessie verleend — maar een vergunning tot winning werd vooral om milieuredenen keer op keer onthouden. Uiteindelijk geven die redenen niet de doorslag, zo blijkt nu, ze worden zelfs min of meer ontkend. Ten eerste: er hoeven geen nieuwe putten geboord te worden. De putten van de proefboringen zijn voldoende, het is nu een kwestie van een kraantje openzetten. Ten tweede: met die bodemdaling valt het eigenlijk wel mee. Bovendien, zegt Meijer, kunnen we beter nu de bodem een beetje laten dalen dan later deze eeuw, als er serieuze stijgingen van de zeespiegel op het programma staan. Ten derde: de dreiging van claims door de oliemaatschappijen — wellicht opgescheept met een concessie zonder uiteindelijke vergunning om te winnen — is nooit weg geweest. Daarnaast merkt de commissie-Meijer op dat winning van dit gas alleen rendabel is als de huidige infrastructuur (de pijpleidingen, de technologie) wordt gebruikt. Die is binnen negen jaar verouderd. Daarna hoeft het dus niet meer: dan wordt het Waddengas te duur om te winnen.