Loes Wouterson: De tweede geschiedenis

De loodgieter van de geest

De psychiater niet alleen als God, maar ook als deus ex machina om een roman op te krikken. Freud heeft ons voorgelogen. Hij heeft ons eerder ziek gemaakt dan geholpen. De psychiater verging het als de dokter. Hij werd kitsch en kwam in romannetjes terecht. Zoals in de De tweede geschiedenis van Loes Wouterson. Schijnkunst over schijnkwalen. Een wandeling doet meer.

De doktersroman beschouwen wij als kitsch, oftewel literatuur van een mindere kwaliteit. De auteur van de doktersroman maakt te veel gebruik van clichés, bekommert zich niet om een mooie zin of een mooie passage en niet zelden, dus altijd, neemt hij de liefde die uiteindelijk alles overwint tot onderwerp.

Ik kocht er laatst een bij Albert Heijn: «Al weer vijf jaar geleden kwam de man van Karin om bij een auto-ongeluk en stond zij er met haar zoontje Willem alleen voor. Willem is een jongen van acht die houdt van lekker voetballen en ravotten maar duidelijk een vader mist. Op een dag ligt Willem verlamd in zijn bedje. Karin ziet onmiddellijk dat er iets mis is…»

Het vervolg laat zich raden. In het ziekenhuis bevindt zich een knappe jonge arts die alles en iedereen geneest, maar Karin extra hartkloppingen bezorgt.

De dokter is handig voor schrijvers van minder allooi. Hij is God die regeert over leven en dood, maar ook mens. Een mythische figuur kortom. Meestal rijk, intelligent (anders kun je geen dokter worden) en beroepshalve zorgzaam, gezond en betrouwbaar.

Wat wil een vrouw nog meer!

In de «kunst» zie je dat dokters meteen het tegendeel zijn. Als Anton Koolhaas een dokter opvoert, is het een morfinist; dat doet John Irving trouwens ook. Als Hermans een dokter opvoert, is de dood nabij want bij hem is de dokter iemand die juist niet kan genezen. (Lees Het sadistisch universum 1.)

In toneelstukken is dit nog duidelijker. Als Tsjechov, zelf arts, in Oom Wanja, De drie zusters of in Ivanov een dokter laat verschijnen, dan is het altijd een bijfiguur, een gewoon mens, niet minder — eerder meer — schlemielig dan de anderen. Het tegendeel van God. Dat verschijnsel zie je bij onze bekende Nederlandse arts — Vestdijk — ook. Een arts bij Vestdijk had ook een onderwijzer, een ober of een schrijver kunnen zijn. Een arts in een literair boek komt binnen, onderzoekt de pa tiënt, stelt de dood vast of geeft medicijnen of feliciteert de jonge vader en vertrekt weer. «Dag, dokter.»

Een mooi internationaal voorbeeld van literatuur waar een arts in voorkomt is natuurlijk Reis naar het einde van de nacht van Louis Ferdinand Céline. De arts is een cynicus, oorlogszuchtig en sensibel. Céline — uiteraard ook zelf dokter — schreef autobiografisch; hij was een ongehoord antisemiet.

Dokters kom je in de moderne Nederlandse literatuur zelden tegen. Hij lijkt definitief tot het domein van de fast food in de kunst te behoren, te koop in de supermarkt. Hij moet Willem redden van zijn verlamming en daarna Karin trouwen.

Tweehonderd jaar allopathie heeft het niet gered in de kunst, zoals de radio het heeft moeten afleggen tegen de televisie.

Op 6 mei 1856 werd in Freiberg, Moravië, een jongetje geboren dat de literatuur in het bijzonder en de kunst in het algemeen een gigantische verandering zou laten ondergaan. Een verandering die tot op de dag van vandaag in de Nederlandse literatuur doorklinkt. Dat jongetje doorliep in Wenen het Sperlgymna sium, wilde vervolgens dokter worden, werd assistent-fysioloog bij professor Theodor Meynert, trouwde met Martha Bernays, maakte zes kinderen bij haar, publiceerde op het gebied van de neurofysiologie en kwam in 1896 voor het eerst met de term «psychoanalyse». Zijn naam was Sigmund Freud.

Zou het Mittwochgesellschaft — een groep psychoanalytici die in 1902 regelmatig bijeenkwam in het huis van Freud — hebben beseft welke culturele invloed het op de wereld zou hebben? De groep wist dat ze «revolutionaire ideeën» bezat, zoals Freud zelf in zijn Geschichte der psychoanalytischen Bewegung schrijft. Op een congres in 1910 van Duitse neurologen en psychiaters onderbrak professor Wilhelm Weygandt een discussie over Freuds theorieën door op de tafel te slaan en hard te roepen: «Dit is geen onderwerp van discussie op een wetenschappelijk congres, dit is een zaak voor de politie!» Weygandt had op dat moment misschien meer gelijk dan we kunnen vermoeden.

Feit is dat Freud besefte wat de psycho analyse in de kunst zou kunnen betekenen. Hij gaf immers zelf het eerste aanzetje door te schrijven over misschien wel het begin van alle cultuur: Der Witz und seine Beziehung zum Unbewussten, gevolgd door tal van essays over de toepassing van de psychoanalytische methode bij de interpretatie van kunst en kunstenaars als Leonardo da Vinci.

Tjonge, wat zagen de artiesten een mogelijkheden, geholpen door Freud die beweerde dat de kunstenaar «door zijn extreme gevoeligheid zelf mechanismen van het geestesleven» kon weergeven. De kunstenaar kon figuren scheppen «van een diepte en complexiteit, die des te indrukwekkender zijn omdat de wetenschappelijke analyse bewijst dat hun gedrag een even geldige en consistente relatie heeft tot de psychoanalytische theorie als de psychopathologische structuur van werkelijke mensen».

Zo. Die zat. En dan is het aardig te vertellen dat Multatuli’s Minnebrieven ook op het lijstje van Freud stond om te worden«behandeld».

Onmiddellijk na de ontdekking van de psychoanalyse veranderde de literaire kritiek. Je kunt je, achteraf, heel goed voorstellen waarom een werkelijke grootheid als Vladimir Nabokov hier absoluut geen boodschap aan had en over de grote «Weense kwakzalver» sprak. Nabokov had snel door dat die psychoanalyse zelf verre van wetenschappelijk was en eerder gebaseerd was op «literaire trucs» dan op «mechanismen van de geest», zoals we straks zullen zien. Daarbij keek Nabokov neer op recensenten die inderdaad van die psychoanalyse gebruikmaakten. Humbard Humbard in Lolita aan psychoanalyse onderwerpen?

Niet alleen de kritiek veranderde in die tijd door de psychoanalyse, maar ook de kunst. Het vrije associëren raakte in de mode; het symbolisme, het dadaïsme, het surrealisme, het existentialisme ontstonden — alle grote stromingen van de vorige eeuw hebben op een of andere manier te maken met die psychoanalyse. Met Freud.

Wat een ruimte gaf Freud: seksualiteit, in cest, onbe wust, dood, onderbewust. Allemaal even spannend. Alles werd inzichtelijker: racis me, oorlog, slechte verhoudingen, hysterische vrouwen, homoseksualiteit — met vrij associëren en droominterpretatie kwam je eruit. Op eens hadden schrijvers weer v ele onderwerpen.

«Dokter, ik heb mijn been gebroken.»

«Vertelt u eens, kwam er een vis voor in uw dromen?»

Je kon tot een jaar of tien geleden nog aan een willekeurige intellectueel vragen: wat is «het geval van Dora» of «het geval van Hansje» of «het geval van de rattenman» of «Anna O.»? Dat wist men dan, en men had er opvattingen over. Bluff your way into Freud.

Het ergerde iemand als W. F. Hermans. In 1966 zei hij in een interview met Joop van Tijn: «Er zijn weinig schrijvers die ik zo compleet bezit als Freud. En dan denk je: Freud is erkend. Iedere criticus kent hem. Maar als je dan goed oplet, merk je dat de meesten zijn ideeën niet kunnen hanteren. Ze denken zo gauw dat iets vieux jeu is en hebben het niet in de gaten als een auteur er gebruik van maakt.»

Hij, Hermans, maakte wel degelijk gebruik van Freud. Maar twee jaar later al meldde hij in een interview met Fons Elders dat de theorie van Freud begon te kraken. Hij kende hier zelf de gevolgen niet van.

Intussen werd in die jaren «de spychiater», de «shrink», de plaatsvervanger van God. Immers: de psychiater was iemand die én dokter was én in je geest kon kijken. Hij wist dingen die je zelf niet wist, die voor jou «onbewust» waren.

Alles en iedereen kwam in de kunst op de bank van de psychiater terecht. Grote carrières ontstonden door de psychiater. Wat zou Woody Allen zijn zonder psychiater? Wat zou het stuk Duet for One van Tom Kempinski zijn zonder psych? De psychiater werd een stripfiguur in Sigmund. Je kon bijna geen kunst meer maken zonder psychiater. Als dit stuk verschijnt, gaat One Flew over the Cuckoo’s Nest weer in première. Een stuk over «gekken» in een inrichting. Had zonder Freud niet geschreven kunnen worden.

In hoeveel boeken komt er niet een psychiater voor? De psychiater die luistert, vraagt en emoties naar boven haalt — en juist die willen we lezen, zien, horen en voelen. De psycho analyse, onbewuste drijfveren, seksualiteit… brr… Hitchcock maakte er met Psycho een thriller van. Aan het einde van de film komt een man met een pijp nog even alles verklaren in de trant van «De man had een moederbinding». De lens is vettig van de walm uit de pijp.

Frustratie (een woord dat je overigens niet tegenkomt in Freuds werk), minderwaardigheidscomplex, superego, trauma, syndroom, id, verdringing, libido — begrippen die niet meer zijn weg te denken uit onze taal. «De minister reageert gefrustreerd», schijnt Jan Marijnissen laatst in de Tweede Kamer te hebben gezegd; het wordt als keurig taalgebruik gezien.

Nog nooit was de psychiater zo populair als nu. Oliver Sacks, zelf psychiater en iemand die schrijft over bijzondere ziektegeschiedenissen — stond niet lang geleden nog op de nominatie voor de Nobelprijs voor literatuur. Van enkele van zijn boeken zijn spannende films gemaakt (onder andere Awakenings). Zijn verhalen zijn deze maand weer eens gebundeld.

Met de psychiater ging het net als met de dokter: hij werd kitsch. Alles kun je tegenwoordig oplossen met de psychiater. Liefdesgeschiedenissen, dood, rouw, oorlog. Op elke hoek woont er wel een. De loodgieter van de geest. Maar lost hij de problemen ook echt op?

«Een psychiater, beste Holman», zei de schrijver, cabaretier en journalist Ischa Meijer eens tegen mij, «is gewoon een betaalde vriend. Hoe meer je naar hem toe gaat, hoe meer je hem betaalt, hoe beter hij als vriend wordt.»

In De tweede geschiedenis, een damesroman van Loes Wouterson, is sprake van een actrice («wie ben ik eigenlijk zelf?») die een geschiedenis heeft (de titel zegt het al) die ze heeft «verdrongen» (ha), maar die nu «opeens komt bovendrijven». En dan spreken we over «een explosieve verhouding met haar vader en broertje» (hoi, incest) en natuurlijk «het leed van haar joodse familie tijdens de Tweede Wereldoor log» (er kan nog meer bij) en uiteraard «haar onmacht om vat te krijgen op zichzelf en de wereld om haar heen». Aldus de flaptekst. Daar moet natuurlijk de psychiater bijkomen. Die heet Broekhuizen, en wat er in zijn broek huist wordt snel duidelijk, want hij — ja, er kan meer bij — kan zijn handen niet thuishouden en verleidt de patiënt. Dit verhaal heet «een psy chologische studie». Kunst? Literaire kunst?

De psychiater niet alleen als God maar ook als deus ex machina om het verhaal op te krikken. Arme Freud. Wat heb je met ons gedaan? Heb je ons genezen? Het is simpel: Freud heeft ons voorgelogen. Hij heeft ons eerder ziek gemaakt dan geholpen. Al weer een paar jaar geleden verscheen De Weense kwakzalver van Han Israëls. Een boek dat ging over Freud en de freudianen. Een genot om te lezen. Het geval Anna O. De patiënte — eigenlijk behandeld door Breuer die voor het eerst de psychoanalyse van Freud toepaste — kwam keer op keer in een inrichting terecht. Freud heeft dat altijd geheim willen houden. Freud, de man die altijd zo evenwichtig was maar zelf domweg ernstig verslaafd bleek, zo weten we nu, aan cocaïne! Freud «verzon» gevallen of nam zichzelf als zogenaamd geval. Freud interpreteerde verkeerd. De «psychoanalyse» op Leonardo da Vinci was gebaseerd op één regel tekst. Nota bene verkeerd vertaald! Freud — daar is nu onderhand iedereen wel van overtuigd — was een oplichter, een kwakzalver, een fraudeur.

Wie The Guru-papers: Masks of Authorian Power van Joel Kramer en Diana Alstad erop naslaat, schrikt van het feit dat Freud bijna aan alle criteria voldeed om een goeroe te worden. Hij werd het dan ook. Net als veel psychiaters. Net als veel psychiaters die hun handen niet thuis kunnen houden. Zoals Broekhuizen, de psychiater in het boek van Loes Wouterson.

De psychiatrie. In Amerika kun je het nauwelijks meer studeren. Het valt onder classical neurology — een bijvak van een jaar.

De psychiater-roman is eigenlijk de nieuwe doktersroman. Goed voor schijnkunst over schijnkwalen die je beter met een pilletje, een stevige wandeling of een emmer koud water kunt oplossen.

Eén ding weten we nu zeker. Een psychiater in een boek betekent altijd: pas op, dit is de slechterik. Over enkele jaren zullen er geen psychiaters meer zijn — dan krijg je een veel effectiever pilletje.

Wat een zegen voor de literatuur!

Loes Wouterson,

De tweede geschiedenis.

Uitg. De Bezige Bij, ƒ39,90