Kijken

De losse hand

Wij kijkers naar Rembrandts ets kunnen niet anders dan gaan dwalen in het landschap dat we zien. Dat was ook Rembrandts bedoeling. En soms verzon hij er gewoon dingen bij.

Rembrandt, Landschap met schaapherder en hond, ca. 1653 © Collectie Rijksmuseum, legaat van de heer en mevrouw De Bruijn-van der Leeuw, Muri, Zwitserland

Het is een ets die uit de losse hand gemaakt is – dat was al mijn indruk toen ik, lang geleden, het schitterende blad voor het eerst onder ogen kreeg. Eerst noemden ze het een herdertje. De twee dieren naast de wandelaar werden, echt waar, voor schapen aangezien. Misschien zagen ze in de stille rust van het landschap de atmosfeer van een pastorale. Daar hoort een herder in thuis. Later ging het jagertje heten. Zo noem ik het ook, met nog een toevoeging: een jagertje op pad. Eigenlijk maakt het niet heel veel uit. Nog vrij kort geleden is bedacht dat het kerkdorp, rustiek tussen de bomen en aan een bocht van water, Diemen zou zijn, toen buiten Amsterdam, richting Weesp. Het is mooi om te weten dat Rembrandt daar wel wandelde en dat hij kennelijk ook een schetsboekje bij zich had. Hij liep daar om te tekenen wat hij zag als hij er wat mee kon: dat gehucht van lage huizen en boerderijen en schuren, met groepen bomen, de kerk, aan het water van de vaart.

Toen hij later, thuis, aan de ets ging werken begon hij misschien met die mooi dansende zoom van boomkruinen en daartussen geblokte bouwsels daar neer te zetten, dwars, en net onder het midden van het blad. Dan had je breed daarvoor een ruimte van licht glooiende akkers en velden. Links aan die horizon ligt de akker (een korenveld misschien). Daar achter verdwijnt het vlakke water van de vaart. Eerst verscheen dat in een bocht naar rechts voor de kerk langs. Hoe de bochtige zandweg (waarover de jager op ons toe komt) erbij lag toen Rembrandt die zag, weten we niet. Het kan ook zijn dat hij dat slingerende pad gewoon verzonnen heeft. Het kwam te voorschijn van achter het hoger stukje korenveld. Daar verdween het water.

Het pad ligt aan deze kant van het water. Iets naar rechts zien we een stuk houten hek waar het pad aan voorbij draait. Het hek staat aan de waterkant, een plek misschien voor een bootje naar de overkant. Dat Rembrandt het bochtige pad verzonnen heeft is niet onwaarschijnlijk. Het is een bocht met ongeveer eenzelfde buiging als in de waterloop van de vaart. Misschien zag hij dát, de onnavolgbare kunstenaar, toen hij op de etsplaat bezig was – en zag hij hoe een statige slingerbeweging zich bewoog van het begin van het pad tot aan waar het water bij de kerk verder weg wegbuigt.

Het jagertje beweegt zich op een kantig stuk donkerte

Die bochtige weg is een bijzonder energiek motief. De plek en de ligging ervan, te midden van velden, zijn zelfs theatraal. Dat komt door de stevige, parmantige figuur van het jagertje dat aan komt stappen. De honden dringen en zijn nerveus. Hij komt op ons af. Het is nog maar een kort stuk weg tot hij daar is waar de weg ophoudt. De jager komt energiek naderbij. Links op het veld bevinden zich twee toeschouwers op een klein vlekje schaduw. De wijde lucht is helder open. Ergens schijnt de zon.

Rechts van de weg zijn de landerijen eerder kaal en leeg. Nergens verder is schaduw. Maar het jagertje beweegt zich op een kantig stuk donkerte. Hij loopt daar bijna aan voorbij. Het lommerrijke landschap achter hem is nu echt achtergrond geworden. Op die afstand lijkt de zoom, die Diemen was, wat meer volume te hebben. Uit dat volume dat eerst nog het gewicht van duinen heeft, groeien heel natuurlijk zwaardere bergen, hellingen en valleien. Ook verzonnen door Rembrandt. Ze drongen zich op, hun zware gewicht. Hij kende ze uit Italiaanse prenten, waar altijd bergen in voorkomen – net als zulke Romeinse gebouwen die hier nu ook, boven Diemen, opduiken. De bewegingen van die bergen zijn met wonderlijk vloeiende zachte lijnen getekend.

In de voorgrond van de ets daarentegen zijn de passages landschap heel anders schraal en hoekig gekrast. Links van de weg is de berm eerst kaal, dan stugge begroeiing, een stuk aarden wal, riet ook nog – dan water en twee eenden. Daar gaat de jager met stevige tred, energiek. Aan de andere kant ook een stuk aarden wal waar de wandelaar nadert. Daar groeien ook stompen van een knoestige boom. Uit een stomp boomstam steekt een dode tak. Van de knoestige boom waarvan de stam gespleten is, is het lover schamel en dor. Er fladderen vogels. Verwarde begroeiing, droog gras. Alle motieven van landschap in de ets, merken we nu, zijn heel impulsief in elkaar geschoven. Wij kijkers kunnen niet anders dan gaan dwalen. Dat was ook Rembrandts manier en bedoeling. Dan zie je wel wat je zo tegenkomt.


PS. Het prachtige werk van Erik Hinterding, Rembrandt Etchings from the Frits Lugt Collection, catalogue raisonné, 2 vols, 2008, Foundation Custodia Paris, is een belangrijke hulp bij mijn geschrijf. Nu is Hinterding hoofdconservator prenten bij het Rijksmuseum