1995: De pianospeler - Thom Karremans

De lucht blijft blauw

In 1995 viel Srebrenica. De Nederlandse overste Thom Karremans, verantwoordelijk voor de moslimbevolking in de ‘veilige haven’ in Bosnië, werd te midden van internationale politieke en militaire machinaties vermorzeld door de Bosnisch-Servische generaal Ratko Mladic.

Medium karremans1

‘Pravac Potočari! Pravac Potocari i Bratunac, nemoj se zaustavljati, hajde!’ ‘Op naar Potocari! Op naar Potocari en Bratunac, zonder dralen, vooruit!’

Het is iets na 16.00 uur op dinsdag 11 juli 1995 als generaal Ratko Mladic in gevechtstenue met korte mouwen het stadscentrum van Srebrenica betreedt. Een uur eerder zijn duizenden burgers – en tussen die burgers ook moslimsoldaten – op de vlucht geslagen naar de compound in Potocari, het hoofdkwartier van Dutchbat, zes kilometer naar het noorden. Een onafzienbare stoet van vluchtelingen, begeleid door de zich terugtrekkende pantserwagens van de Nederlandse B-compagnie waaraan radeloze mensen zich vastklemmen, maakt te voet, op voertuigen, in kruiwagens de vlucht vooruit, onderweg door de Serviërs beschoten met granaten en mortieren – al lijken die meer bedoeld om te intimideren en belanden de meeste projectielen in de berm.

Handenschuddend en kussend neemt Ratko Mladic de felicitaties van zijn manschappen in ontvangst, een pistoolmitrailleur losjes in de linkerhand. Het is het finest hour van de 53-jarige Bosnisch-Servische generaal, die zichzelf bij gelegenheid ooit ‘de Servische Napoleon’ noemde. Terwijl in de verte mitrailleurvuur klinkt, loopt Mladic de trappen van het gemeentehuis van Srebrenica op en steekt een scherf van een plexiglas naambord bij zich.

Om 16.55 uur wordt op de orthodoxe kerk de Servische vlag gehesen en verklaart de triomferende generaal Srebrenica te hebben bevrijd uit handen van ‘de Turken’ en het terug te zullen geven aan het Servische volk. Dan loopt hij door, de provinciale weg op, de R453 in de richting van het noorden, die leidt langs Potocari, het hoofdkwartier van Dutchbat, en het even verderop gelegen plaatsje Bratunac, waar het Bosnisch-Servische leger zijn hoofdkwartier heeft. ‘Vooruit en zonder uitstel: op naar Potocari!’

Luitenant-kolonel Thom Karremans heeft slecht geslapen de afgelopen nacht. Of eigenlijk: al vijf dagen bijna niet. Vijf dagen eerder, op donderdagochtend 6 juli, heeft het Bosnisch-Servische leger de aanval op de enclave geopend. Van de gedemilitariseerde safe haven voor vijftig- à zestigduizend ongewapende burgers, waartoe de VN Srebrenica in 1993 uitriepen, was al maanden, zo niet van meet af aan geen sprake. Terwijl het door Dutchbat gecontroleerde wapenverzamelpunt niet veel meer dan twee kapotte tanks en een handvol handvuurwapens bevatte, ondernamen de naar schatting vijf- à zesduizend wel degelijk aanwezige bewapende moslimsoldaten van het Bosnische regeringsleger desperate moord- en plundertochten naar de Servische dorpen rondom de hongerende enclave.

Maar al waren die uitvallen door het Bosnische regeringsleger voor de Serviërs misschien de aanleiding de enclave voor eens en voor altijd op te rollen, de aanval paste wel degelijk in een groter politiek-strategisch kader: al eerder, begin maart, had de Bosnisch-Servische president Radovan Karadzic zijn beruchte Operationele Order nummer 7 uitgevaardigd ‘om door middel van geplande en weloverwogen gevechtsoperaties een ondraaglijke situatie te creëren van totale onveiligheid, zonder enige hoop op verder overleven of leven voor de inwoners van Srebrenica’.

Nee, de overste Thom Karremans heeft slecht geslapen. Hij is volledig uitgeput, die infame elfde juli. De afgelopen weken heeft hij tegen al zijn gevoelens als krijgsman in de ene na de andere observatiepost aan de buitengrenzen van de enclave moeten ontruimen. Steeds meer stukken van de enclave worden door de Serviërs afgeknabbeld, zijn mannen zijn door de Bosnische Serviërs beschoten en uit hun posten verjaagd. Om dan door de moslimstrijders, het geweer in de aanslag, weer te worden gedwongen de verloren posities te heroveren of zij aan zij met hen tegen de Serviërs te vechten. Voedsel heeft het tot 430 manschappen uitgedunde Dutchbat III – waarvan maar tweehonderd gevechtssoldaten – nog voor hooguit twee weken. Van diesel rest slechts de ‘ijzeren voorraad’, alleen toereikend om de enclave te verlaten. Patrouilles langs de enclavegrenzen worden al wekenlang te voet gedaan.

Op donderdagochtend 6 juli scheren raketten over het hoofdkwartier van Dutchbat in Potocari – en de observatiepost Foxtrot wordt door twee tankgranaten getroffen. Een Servische aanval op de enclave lijkt begonnen. Thom Karremans vraagt het VN-hoofdkwartier in Sarajevo om luchtsteun. Die wordt hem niet verleend. Zijn fax ‘voldoet niet aan de richtlijnen’ en wordt niet in behandeling genomen. Karremans vraagt in de consternatie namelijk om ‘presence close air support’, een niet-bestaand begrip, in plaats van om ‘close air support’, de term die hij had moeten gebruiken.

Vrijdag is relatief rustig, maar op zaterdag 8 juli sneuvelt Dutchbat-soldaat Raviv van Renssen bij het overhaast ontruimen van opnieuw een observatiepost, door een handgranaat. Opnieuw heeft Karremans luchtsteun aangevraagd, opnieuw wordt die geweigerd. Hij realiseert zich bitter dat de belangen van een geheel andere, met name politieke orde zijn dan je druk te maken om een observatiepost in de safe area Srebrenica. De ene na de andere observatiepost wordt nu door de Serviërs veroverd en dertig Nederlandse blauwhelmen die de observatieposten bemannen worden het weekend als gijzelaars meegevoerd naar Bratunac. Uiteindelijk vallen 55 Nederlandse blauwhelmen in handen van de Serviërs.

Op maandag 10 juli krijgt Dutchbat van de VN de opdracht duidelijk zichtbare blocking positions in te nemen bij het stadscentrum van Srebrenica. Er zijn hiervoor nog maar vijftig man en zes pantserrupsvoertuigen beschikbaar. Terwijl het Servische leger met tanks oprukt en huis na huis in brand schiet, bezetten de pantserrupsvoertuigen van Dutchbat met lichte .50 mm-mitrailleurs op het dak drie strategische plekken ten zuiden en westen van de stad. Een streep in het zand, een ‘tot hier en niet verder’ om de Serviërs op hun schreden terug te doen keren, van een hoog denkbeeldig gehalte.

Het trekken van strepen in het zand en het innemen van blocking positions komt feitelijk neer op het aangaan van een ‘groen’ gevechtsmandaat, iets waartoe de vredesmacht van de United Nations Protection Force (‘het bewaren van een vrede die er niet is’) ten enenmale niet is uitgerust. En waarvoor de lichte bewapening van de blauwhelmen niet in het minst toereikend is. En ook nog aan de orde: vanuit Nederland is kort tevoren een schietverbod uitgevaardigd. Wat Karremans dan wél moet doen, zegt Nederland er niet bij.

De blocking positions worden, uiteraard, door de Serviërs aangevallen, voorzover ze er niet omheen trekken, en een Nederlandse pantserwagen schiet, ondanks het Nederlandse schietverbod, vanaf een afstand van vijfhonderd tot duizend meter terug – het enige vaderlandse vuur richting de agressor. Er vallen onder Mladic’ mannen geen doden of gewonden. Maar er is geen houden aan. Karremans vraagt tot twee keer toe luchtsteun aan, de vliegtuigen staan op bases in Italië al op de startbaan met draaiende motoren, maar de VN-top wordt het onderling niet eens. De hoogste VN-generaal, de Fransman Bernard Janvier, weigert de luchtsteun in te zetten.

De weersomstandigheden verslechteren gaandeweg de avond en de hele operatie wordt uitgesteld, zo krijgt Karremans te horen, tot op z’n vroegst de volgende ochtend, dinsdag 11 juli, om 06.00 uur. Tegen middernacht roept een opgeluchte Karremans zijn officieren bij elkaar en vertelt ze dat de VN de Serviërs een ultimatum hebben gesteld: als de Serviërs zich morgenochtend om 06.00 uur niet terugtrekken, zullen massale luchtaanvallen volgen.

Het kan niet anders: Karremans moet het in de consternatie verkeerd begrepen hebben, want lucht-aanvallen (air strikes) zijn binnen het VN-mandaat ondenkbaar. In het uiterste geval, wanneer blauwhelmen of onbewapende burgers gericht worden aangevallen, kan lucht-steun (close air support) worden gegeven, op basis van het smoking gun-principe, letterlijk, en kan een schietende tank of een houwitser met rokende loop door een F-16 worden uitgeschakeld. Áls die tank tenminste nog staat te schieten wanneer de per fax in te dienen aanvraag voor luchtsteun door de respectieve VN-hoofdkwartieren in Tuzla, Sarajevo en Zagreb eindelijk is doorgeleid en goedgekeurd – en door VN-gezant Yasushi Akashi is bekrachtigd.

Het zal de stress of het slaapgebrek geweest zijn, of miscommunicatie vanuit het VN-command in Sarajevo, of de wens die de vader is van de gedachte, hoe het ook zij: ‘Morgen zal alles worden vernietigd’, belooft Karremans ver na middernacht aan het gemeentebestuur van Srebrenica, dat bijeen is gekomen in het plaatselijke ptt-gebouw. De commandant van Dutchbat maakt een opgeluchte indruk. De ook aanwezige bevelhebber van het Bosnische regeringsleger krijgt van hem de raad om zijn moslimtroepen terug te trekken uit het zuidelijke deel van de enclave. Alles ten zuiden van Srebrenica-stad, waarschuwt Karremans, zal een kill box zijn waar de Navo-straaljagers alles en iedereen zullen bombarderen. Hij rekent op zo’n veertig vliegtuigen. ‘Morgen zal alles worden vernietigd. Niemand in die zone zal het overleven.’ Hij geeft voor 06.00 uur bunkeralarm af. Dan, eindelijk, vat hij de slaap. De ochtend van de elfde juli kijkt Dutchbat hoopvol naar de lucht, die, als de ochtendmist is opgetrokken, blauw is en leeg blijft.

De ochtend van 11 juli kijkt Dutchbat hoopvol naar de lucht, die, als de ochtendmist is opgetrokken, blauw is en leeg blijft

Als de zon op is gaan de Serviërs voluit in de aanval. Nog twee keer zal Karremans die dag om luchtsteun vragen. De eerste aanvraag, ’s morgens vroeg, strandt in bureaucratische verwarring en wordt ten slotte, wegens te laat en niet meer aan de orde, afgewezen. Het tweede verzoek om luchtsteun, gedaan rond 10.00 uur, wordt om kwart over twaalf door VN-gezant Akashi dan eindelijk goedgekeurd en om 14.42 uur laten twee Nederlandse F-16’s de eerste van vier bommen vallen op de Servische stellingen. Van invloed is het niet of nauwelijks: slechts één Servische tank raakt licht beschadigd. Een uur later, om 15.50 uur, laten de Serviërs weten dat het bombarderen onmiddellijk moet worden gestaakt. Zo niet, dan worden de dertig Nederlandse gijzelaars in Bratunac gedood en wordt de Nederlandse compound in Potocari in puin geschoten.

Tanks trekken zich dreigend samen. Op dat moment stromen op de compound de eerste van de naar schatting 27.000 vluchtelingen al binnen, vrouwen, bejaarden en kinderen, gewonden, lopend, struikelend en strompelend, hangend aan alles wat rijden en rollen kan, vluchtend in een ‘bijbelse paniek’. Dutchbat vraagt dringend om de luchtacties af te blazen en de straaljagers maken rechtsomkeert en verdwijnen achter de horizon. Een half uur later staat Ratko Mladic zegevierend op het centrale kruispunt van Srebrenica. ‘Vooruit nu, zonder uitstel: op naar Bratunac, op naar Potocari!’

Bratunac, die avond. Overste Thom Karremans steekt zijn hand uit en stelt zich voor als de commandant van Dutchbat. ‘U bent geen commandant!’ briest de woedende Servische generaal die tegenover hem staat. Karremans heeft geen idee wie er hier voor hem staat te tieren. Aan profiling hebben de VN niet gedaan en ook op de voorafgaande training van Dutchbat in het Duitse Vogelsang heeft niemand het nodig geacht de Nederlandse commandant uit te rusten met een foto en een psychologisch profiel van de Bosnisch-Servische legertop. Ze hebben daar in Vogelsang alleen een rollenspel gespeeld, de Nederlanders, waarbij een groep van Dutchbat zich met berenmutsen als Serviërs verkleedde en een andere groep met bidkleedjes slepend zich voordeed als moslims, luidkeels roepend: ‘Allah zal u straffen, respecteer onze religie!’

Maar de woedende generaal die Karremans tegenover zich vindt, draagt allerminst een berenmuts – zo min als de Bosnische moslims doen aan religie. ‘U bent geen commandant’, briest Ratko Mladic. ‘U bent niets en ik ben God!’ Dan valt het kwartje.

Het zaaltje in Hotel Fontana, het geïmproviseerde Servische hoofdkwartier in Bratunac, staat stijf van de sigarettenrook als Karremans daar vergezeld door twee stafleden, majoor Boering en opperwachtmeester Rave, tegen negenen aankomt. De compound in Potocari, waaromheen ongeveer 27.000 vluchtelingen hun heil hebben gezocht, is zojuist weer beschoten en berichten komen binnen dat de Serviërs bezig zijn de laatste Nederlandse observatieposten op te rollen. Steeds meer Dutchbatters worden ontwapend en gevankelijk weggevoerd.

Van de VN-bevelhebber in Sarajevo, Hervé Gobilliard, rolt om 18.45 uur een fax binnen met het bevel ‘om met de Bosnisch-Servische strijdkrachten ter plaatse in onderhandeling te treden over een onmiddellijk staakt-het-vuren’. ‘Het opgeven van wapens of welk militair materieel dan ook’, vervolgt het VN-bevel, ‘is niet toegestaan en kan geen punt van discussie zijn.’ Karremans moet ‘alle denkbare maatregelen’ treffen om vluchtelingen en burgers te beschermen en Dutchbat en de compound te verdedigen ‘met alle mogelijke middelen’, vervolgen de VN. ‘Dit met inbegrip van het verlenen van luchtsteun indien nodig.’ In die laatste zin bespeurt Karremans ‘een vleugje cynische humor’.

Dan, rond 19.45 uur, belt Karremans met de Nederlandse generaal Cees Nicolai van het VN-hoofdkwartier in Sarajevo. ‘Ik moet zo weg. Heb je nog bepaalde instructies?’ Maar Nicolai geeft Karremans een totaal andere opdracht dan in de fax van Gobilliard: Karremans moet de Serviërs vragen om een vrije aftocht van Dutchbat en de evacuatie van de vluchtelingen uit de enclave. Het zijn flagrant tegengestelde bevelen aan de Dutchbat-commandant. Karremans houdt een korte bespreking met zijn officieren ‘om alles op een rij te zetten’. Hij heeft geen idee wat hem te wachten staat, met wie hij moet onderhandelen en wat de uitkomst ervan zal zijn. Hij staat er alleen voor.

Onderweg naar Bratunac had Karremans, in een grijs verleden zelf artillerist, gezien hoe in een veldje twee mortierpelotons werden opgesteld, de compound binnen schootsbereik. Bij Hotel Fontana bevinden zich Servische soldaten in battle dress. Mladic, net terug van het front, ontvangt de Nederlanders staande. Er staat een cameraman opgesteld. Dan gebeuren er dingen die te snel gaan. De hele entourage doet hem denken aan een onverwacht kruisverhoor.

De – geknipte – beelden zouden over de hele wereld gaan, als blijvend monument van het Nederlandse falen. ‘I am only the piano player. Don’t shoot the piano player’, zegt Karremans ten overstaan van Mladic.

Onderhandelen met Mladic is ‘hand-feeding red meat to a rottweiler’, merkte de Britse generaal Sir Michael Rose ooit op. Maar Michael Rose, tot 1995 de flegmatisch-flamboyante VN-bevelhebber in Bosnië, was voor zijn Unprofor-assignment onder meer hoofd van de sas, de Britse Special Forces. Hij leidde de Special Forces in de Falklandoorlog en de onderhandelingen tot de overgave van Argentinië en bevrijdde eigenhandig de gijzelaars in de Iraanse ambassade in Londen. Geen Serviër die het waagde om op hem te schieten als zijn Britse troepen de voedselkonvooien door Midden-Bosnië begeleidden, de zware mitrailleurs ostentatief op de pantserwagens gemonteerd, de lopen gericht op de Bosnisch-Servische stellingen.

Een dik jaar voor het Srebrenica-drama, in het Holiday Inn van Sarajevo losjes tegen de bar geleund, een glas whisky in de hand, deed Michael Rose een Nederlandse correspondent het geheim van zijn succes uit de doeken. Hij combineerde, zei hij, praten met militaire dreiging en won daarmee het respect van de Serviërs. En, belangrijker nog misschien: hij stelde zijn eigen eisen – en nam ontslag als VN-commandant toen zijn eis om meer mannen en een betere bewapening van zijn troepen niet gehonoreerd werd. ‘Ik weiger te werken met een onmogelijk mandaat.’

Een impeccable gladgeschoren Britse gentleman-soldaat met het uiterlijk van een filmster en met gevechtservaring in Noord-Ierland en Argentinië, zelfverzekerd van zijn kunnen, niets dan zijn eigen man die aan zijn regering zijn eisen stelt. Een driesterrengeneraal nog, daarenboven. Versus een Nederlandse officier met als buitenlandervaring twee jaar Unifil-vredesleger in Libanon, met een pittoreske druipsnor, volledig uitgeput. Tevergeefs wachtend op luchtsteun. En bovendien: een overste; een officier van middelhoge rang, geen driesterrengeneraal.

Sigarettenrook blazend in Karremans’ gezicht vervolgt Ratko Mladic zijn tirade. ‘Navo-vliegtuigen hebben ons op uw verzoek gebombardeerd.’

Karremans, in steenkolen-Engels: ‘Ik geloof niet dat generaal Mladic goed begrijpt dat ik niet de persoon ben die in deze specifieke fase… De VN-Force Commander neemt de beslissingen… Na zo’n verzoek in ampele overweging te hebben genomen… Ik geef slechts de informatie door naar…’

‘Was u het die vandaag het bevel gaf om het vuur te openen op mijn troepen in Srebrenica?’ vraagt Mladic.

‘U bent geen commandant’, briest Ratko Mladic. ‘U bent niets en ik ben God!’ Dan valt het kwartje

‘Nee. Ik zal het nogmaals uitleggen. Zo’n verzoek komt niet van mijn bataljon. Het gaat via de Verenigde Naties in New York.’

‘Uw zogenaamde Vredestroepen hebben in Srebrenica het vuur op mijn eenheden geopend. Heeft u daartoe het bevel gegeven?’ Tegen zijn tolk: ‘Vraag die vent of zijn troepen vandaag op zijn bevel in Srebrenica op mijn troepen geschoten hebben!’

‘Ja, maar ik moet u uitleggen, als u me toestaat, dat voor alles wat ik in de enclave doe, militair gezien, ik toestemming vraag aan de Sector Noordoost van het VN-Bosnia Command. Dat is de wijze waarop het bij ons werkt. En als peace keeper word ik liever niet gedwongen om slachtoffers te maken… Hoe zeg je dat? Casualties? Casualties. Door te schieten…’

‘Dus u heeft uw soldaten bevolen om op mijn mannen te schieten? En u heeft de Navo-luchtmacht verzocht mijn troepen te bombarderen?’

‘Nee, nogmaals: dat wordt niet beslist door mij. Dat gaat van beneden naar boven, tot in New York aan toe.’

‘Vertel me geen fantasieverhaaltjes, meneer de luitenant-kolonel! Heeft u het bevel gegeven om op mijn troepen te schieten?’ Mladic houdt zijn handen in de zij, op de koppelriem. De Nederlanders zijn er de eerste tien minuten stellig van overtuigd dat ze ieder moment naar buiten kunnen worden gevoerd om standrechtelijk geëxecuteerd te worden. Schoorvoetend geeft Karremans toe de order gegeven te hebben. ‘Ik gaf ze het bevel zichzelf te verdedigen. Dat is…’

Mladic, nu bijna schreeuwend: ‘Zich verdedigen tegen wie? Wanneer niemand ze aanviel?’

‘Ik werd aangevallen door mortieren en door tanks.’

Met door ingehouden woede beheerste dictie zegt Mladic: ‘Volgens het akkoord van mei 1993, meneer de luitenant-kolonel, was u verplicht de moslims in Srebrenica te ontwapenen. In plaats daarvan voorzag u ze van wapens en rustte hen uit om tegen de Serviërs te vechten! En als klap op de vuurpijl heeft u vandaag bevolen om te schieten op mijn soldaten! Vertel mij wat u van me wilt! U heeft om dit onderhoud verzocht: zeg op!’

Medium karremans2

Na nog wat plussen en minnen en een uiteenzetting over hoe moeilijk het is om met tweehonderd Dutchbat-soldaten de moslims te ontwapenen en een enclave te verdedigen, trekt Karremans de stoute schoenen aan: ‘Twee uur geleden’ – hij kijkt op zijn horloge – ‘heb ik een gesprek gehad met generaal Nicolai en ook met de burgerautoriteiten hier. Over het verzoek ten behoeve van de bevolking. Het is een verzoek, omdat ik niet in de positie ben om ook maar iets te eisen… Wij… de commandant in Sarajevo… heeft gezegd dat de enclave verloren is en ik heb het bevel gekregen van het BH Command om zorg te dragen voor alle vluchtelingen – en er zitten nu naar schatting tienduizend vrouwen en kinderen op de compound in Potocari.’ Het zijn achterhaalde cijfers, nog daterend van de middag: er zitten die avond ten minste 27.000 mensen op en rond de compound. ‘Het verzoek van het BH Command is, eh… om het maar zo te zeggen, te onderhandelen, of… te vragen om de aftocht van het bataljon en van de vluchtelingen en of er mogelijkheden bestaan om die terugtocht te assisteren.’

Nu heeft Mladic Karremans waar-ie ’m hebben wil. Evacuatie. Aftocht.

Ontruiming van de enclave. Karremans’ woorden lijken uit de lucht te vallen. De om 18.45 uur ontvangen fax met instructies van generaal Gobilliard van het VN-hoofdkwartier in Sarajevo rept met geen woord over een evacuatie van Dutchbat. Integendeel.

Van het ene moment op het andere draait Ratko Mladic bij. Een blad met glaasjes slivovic wordt aangerukt en Mladic pakt een glas en reikt het Karremans aan. Karremans schudt vriendelijk van nee. Mladic biedt het glas vervolgens aan aan opperwachtmeester Rave die naast Karremans staat. Ook Rave schudt kortaf van nee. Dan reikt Mladic het glas naar majoor Boering, die buiten beeld staat. ‘No thank you’, klinkt het beleefd maar stellig.

‘Kijk’, zegt Ratko Mladic tegen de Nederlandse correspondent. Het is 1993 en ze staan op een heuvel in Oost-Bosnië. ‘Kijk, daar zitten terroristen, en daar en daar.’ Hij wijst, geeft op een walkietalkie de coördinaten door en biedt thee aan. De correspondent drinkt liever iets sterkers. Mladic komt aan met slivovic. ‘Zelfgestookt!’ zegt hij trots, ‘drink!’ Hij slaat de correspondent joviaal op de schouder. Mladic is een toffe vent.

‘Uw zogenaamde Vredestroepen hebben in Srebrenica het vuur op mijn eenheden geopend. Heeft u daartoe het bevel gegeven?’

‘Rookt u?’ gebiedt Mladic en steekt er zelf een op. ‘Ja, doorgaans rook ik, sir’, zegt Karremans. ‘Doorgaans rook ik, maar ik heb de laatste dagen al te veel gerookt.’

‘Neem een sigaret’, dringt Mladic aan. ‘Dit is niet de laatste sigaret in uw leven.’ Dan accepteert Karremans de voorgehouden sigaret en wordt hem door een ondergeschikte een vuurtje aangereikt. In de ogenschijnlijke ontspanning van het moment wil Karremans graag nog iets kwijt. Over de door de Serviërs opgerolde observatieposten, waar dertig Nederlandse blauwhelmen zich de afgelopen dagen hebben overgegeven en in Mladic’ gevangenschap zijn beland. Ze hebben veelal hun radio’s mogen houden en hun commandant gemeld dat het ze relatief goed gaat. ‘Ik wil graag een persoonlijke opmerking maken’, verstout Karremans zich te zeggen. ‘Ik wil de Bosnisch-Servische militairen bedanken dat ze mijn soldaten goed behandelen.’

‘Niet nodig, dank u’, zegt Mladic bits. ‘Ze zijn hier, in het hotel.’

‘Okay, no problem’, stamelt Karremans – de portee lijkt hem te ontgaan.

‘Maar als u door blijft gaan met bombarderen, zullen ze niet lang meer onze gasten zijn. Wij kunnen ook bombarderen. Wat stelt u als oplossing van deze hele situatie voor?’

Opnieuw blijkt de stemming omgeslagen. ‘Eh… Als ik daar iets over mag zeggen…’, probeert Karremans, ‘en dat is wellicht iets anders dan wat ze in Sarajevo zullen zeggen, want dat zijn beleidsmakers: in mijn opinie zal de enclave verdwijnen – en om wille van de bevolking zal ik zo goed als mogelijk de bevolking moeten assisteren bij het verlaten van de enclave. Dat is mijn taak, als mens.’

‘U heeft ze meer dan genoeg geholpen.’

‘Ik ben hier om de burgerbevolking te helpen en niet de militaire kant.’

‘Ja ja, jullie zijn hier allemaal om de moslims en de Kroaten te helpen’, schampert Mladic. ‘Meneer: wij waren een gelukkig land! En we hadden hier een goed leven. Totdat de moslims begonnen te luisteren naar die vent van jullie, Hans van den Broek, en Kohl en naar wat soortgelijke westerse maffiosi hun wijsmaakten. Vandaag stond ik voor het gemeentehuis in Srebrenica en vanuit een van uw stellingen werd mitrailleurvuur geopend. En ik heb dit aandenken meegenomen om aan u te tonen.’ De scherf van het plexiglas naambord wordt aangerukt. ‘Uw troepen hebben gericht op mij geschoten!’

Karremans steekt zijn handen in de lucht in een verontschuldigend gebaar. ‘Daar weet ik niks van. Het spijt me. Als dat het geval is, wil ik mijn excuses daarvoor aanbieden, als mens en als militair. Doorgaans schieten we niet op generaals.’

Mladic zwijgt en blaast een wolk sigarettenrook richting Karremans’ gezicht. Dan vraagt hij hem naar zijn leeftijd. ‘Ik ben 45’, zegt Karremans, zich een jaar in zijn leeftijd vergissend. ‘Dan bent u zes jaar jonger dan ik’, zegt Mladic. ‘Is dit uw eerste oorlog? Dan bent u naar de juiste plaats gekomen! Dit is de eerste oorlog in mijn carrière en dit is mijn land. U schiet op mij in mijn eigen land. Ik schiet niet op u in Nederland! Nu, wát?’

‘Als ik geweten had dat ik u hier in Bratunac zou ontmoeten had ik me beter op een gesprek als dit voorbereid’, antwoordt Karremans schoorvoetend, en hij vraagt opnieuw om vrije aftocht van de bevolking. ‘En voor wat betreft het bataljon: we hebben vier maanden lang geen bevoorrading gehad en naar mijn mening willen mijn soldaten naar huis.’ Hij geeft er de voorkeur aan te vertrekken na onderhandelingen, na toestemming van de politieke top van Karadzic in Pale. ‘Ik weet niet of ik een antwoord mag verwachten, want ik realiseer me dat dit soort vragen in Pale of in Sarajevo moeten worden gesteld. Daar ben ik nooit geweest, dus ik weet niet hoe het daar werkt. Ik ben, zoals ik pleeg te zeggen, een pianospeler.’

‘Pardon?’ vraagt de tolk, niet-begrijpend.

‘Ik ben, zoals ik altijd pleeg te zeggen, een pianospeler. Don’t shoot the piano player.’

Mladic geeft de doodsteek: ‘U bent een waardeloze pianist.’

‘Meneer: wij waren een gelukkig land! Tot de moslims begonnen te luisteren naar die vent van jullie, Hans van den Broek, en Kohl’

Zo gaat het nog een tijdje door. Bedreven speelt Mladic zijn stemmingswisselingen uit. Good cop/bad cop in één persoon, carrot and stick, in een tijdsbestek van exact veertig minuten. ‘Heeft u vrouw en kinderen?’

‘Ja, twee kinderen’, zegt Karremans. Hij heeft er géén.

‘En zou u die weer willen terugzien?’

‘O ja, natuurlijk.’

‘Mijn soldaten die u vandaag heeft gedood hadden dezelfde wens.’

‘Wat kan ik straks tegen generaal Nicolai zeggen?’ vraagt Karremans ten einde raad.

Dan maakt Mladic het af en formuleert zijn eisen. Met dodelijke dictie: ‘Meneer de luitenant-kolonel, het helpt u weinig om met uw generaal Nicolai te praten. Hij kan u niet helpen. Maar als u erop staat hem iets te zeggen, zeg hem dan dit: het VN-leger is niet het doel van mijn operaties. Uw officieren en soldaten hebben, net als u, maar één leven. En ik geloof niet dat u dat hier wilt verliezen. Ik wil u helpen. Hoewel u het niet verdient; niet als mens en niet als officier. Maar ik zal het doen om wille van die jonge jongens in de rangen van het VN-vredesleger, want ik wil niet dat hun moeders hen terugkrijgen in lijkkisten. Ik wil ook de moslimburgerbevolking helpen, die niet verantwoordelijk is voor wat er is gebeurd. Dat is waarom ik u het volgende vraag: brengt u mij de vertegenwoordigers van de burgerbevolking. Ik zal een overeenkomst met ze uitwerken. U kunt hier allemaal uitkomen, of allemaal blijven, of allemaal sterven. Ik wil niet dat u sterft.’

Karremans krijgt een glas in de hand gedrukt. Hij weigert. ‘Het is tegen de regels. Ik waardeer het zeer, maar mijn soldaten mogen niet drinken, dus vind ik dat ik ook geen bier moet drinken.’

‘U bent een officier. Officieren drinken. We drinken samen een biertje’, zegt Mladic. Maar er blijkt geen bier te zijn, alleen wijn en mineraalwater. ‘Een Spritzer voor ieder van ons!’ roept Mladic. En dan, als terloops: ‘Kunt u wat bussen (voor de evacuatie) regelen via generaal Nicolai?’

‘Dat kunnen we denk ik wel regelen’, zegt Karremans. Mladic heft het glas: ‘Proost!’

‘Kan die tolk even weg, hij staat in beeld!’ roept iemand als Karremans zijn glas heft. Camera’s klikken.

Het doet er niet meer toe, de rest is nasleep: de scheiding van de mannen van de vrouwen, de massamoorden. Wist Karremans ervan? Hij verklaart voor onderzoekscommissies en tribunalen keer op keer stellig van niet, maar getuigenverklaringen van zijn eigen manschappen lijken hem op punten tegen te spreken.

‘Nederland heeft in Srebrenica gecollaboreerd’, zegt de vooraanstaande genocide-onderzoeker dr. Janja Bec-Neumann. Eenzelfde conclusie trekt ook de Haagse rechtbank in juli van dit jaar. De Nederlandse staat is verantwoordelijk voor de dood van de 320 mannen die in de bussen van de compound van Dutchbat zijn weggevoerd, de dagen na de avond. De Nederlandse soldaten hadden volgens de rechter ‘gezien de kennis van dat moment’ niet mogen meewerken aan de deportatie. De staat gaat in beroep.

Hij is onheus behandeld, vindt Karremans. ‘Besodemieterd’ door Mladic. In de steek gelaten door legertop en politiek. Waar zijn de mannen – Ruud Lubbers, Hans van den Broek, Wim Kok en Joris Voorhoeve – die een te grote broek aantrokken? Die Nederland na de val van de Muur als ‘kleinste grote land’ op de kaart wilden zetten? Een lead nation wilden worden in de internationale geopolitiek. En hem met een onmogelijk mandaat op pad stuurden: de vrede te handhaven daar waar geen vrede is? Bosnië als poldermodel.

Hij is de nationale kop van jut. Het neologisme ‘karremans’ staat voor weifelmoedig, incapabel, laf. Niet lang geleden maakte de kro nog een tv-profiel. Met raillerende pianotoontjes. Het doet hem pijn en maakt hem boos. Hij heeft naar eer en geweten gehandeld, als mens en als militair. Tevergeefs heeft hij geprobeerd de tv-uitzending te laten verbieden.

Vandaag is hij in Nederland om voor de rechter te verschijnen. Maar hij woont tegenwoordig in Spanje. Vanwege doodsbedreigingen, naar verluidt.


Robert Dulmers was oorlogscorrespondent in Bosnië-Hercegovina.


Bronnen: De Mladic-tapes: [youtube.com/watch?v=idf_sdeVpO4.](youtube.com/watch?v=idf_sdeVpO4.) Srebrenica, een ‘veilig’ gebied: Reconstructie, achtergronden, gevolgen en analyses van de val van een Safe Area, deel III (Amsterdam, Boom, 2002). Thom Karremans, Srebrenica. Who Cares? Een puzzel van de werkelijkheid_. Arko Uitgeverij, Nieuwegein, 1998. Robert Dulmers,_ De Groene Amsterdammer_, 21 oktober 2009, interview dr. Janja Bec-Neumann, ‘Nederland heeft in Srebrenica gecollaboreerd’._


Beeld: (1) Srebrenica, 12 juli 1995. Generaal ratko Mladic te midden van enkele van de 27.000 vluchtelingen, en een paar Dutchbat-soldaten (blauwhelmen) (McNamara /GAMMA / HH). (2) Mladic en Karremans in Potocari, vijf kilometer noordelijk van Srebrenica, 12 juli 1995 (Oslobodjenjeba).