De luchtbel van de turkse grondwet

Een slepende binnenlandse oorlog. Een inflatie van honderdvijftig procent. Explosieve armoede. Oprukkend fundamentalisme. Een golf van mensenrechtelijke kritiek. Steeds minder uitzicht op Europa. De Turkse militairen hebben wel om minder een staatsgreep gepleegd. Vraag maar aan president Demirel, die twee keer als premier is afgezet. En vraag maar aan premier Ciller, die nu met de aankondiging van liberaliseringsmaatregelen de spanning probeert te verminderen. Maar dan moeten we geloven dat haviken in duiven kunnen veranderen.

In mei 1993 maakte Demirel de overstap naar het presidentschap, dank zij de dood van zijn aartsvijand Turgut Ozal. Als nieuwe leider van Demirels rechtse Partij van het Juiste Pad werd zijn minister van Economische Zaken Tansu Ciller automatisch premier. Een aantrekkelijke vrouw als premier - was dat niet het bewijs dat Turkije met zijn 99 procent moslims een vrijgevochten land was geworden? Een kundig neoliberaal econoom als eerste minister - was dat geen signaal voor het Westen dat Turkije zijn ernstige economische problemen ging aanpakken? En het Koerdische conflict: hoe zou een vrouw iets anders kunnen willen dan vrede? Kortom, werd het voor Europa geen tijd de Turkse kandidatuur van wat toen nog de Europese Gemeenschap heette, serieus te bekijken?
Het liep anders. Ciller heeft in 1994 twee monsterdevaluaties doorgevoerd, zonder navenante loonsverhoging. Die gedwongen bestedingsbeperking heeft haar reputatie van IJzeren Dame versterkt, maar miljoenen tegen haar in het harnas gejaagd. Het beeld van het vrijgevochten Turkije heeft niet lang standgehouden. De burgemeester van Istanbul bestrijdt de droogte met gebeden om regen. De fundamentalistische Welvaartspartij rukt op, hoewel de grondwet partijen op religieuze grondslag verbiedt. De fundamentalistische daders van de brand in Sivas, die 37 schrijvers en intellectuelen fataal werd, zijn relatief licht gestraft. De moslimextremisten hebben al ruim twintig aanslagen opgeeist.
En in de oorlog tegen de Arbeiderspartij van Koerdistan (PKK) is Ciller keihard gebleken. Volgens het ministerie van Binnenlandse Zaken zijn in die oorlog vorig jaar ruim vijfduizend doden gevallen. Acht Koerdische parlementariers werden op 8 december veroordeeld tot straffen van drieeneenhalf tot vijftien jaar. Dat politieke proces heeft in Europa en de VS tot grote verontwaardiging geleid. De enige regeringsleider die er geen reden in zag om een douane-unie tussen de EU en Turkije uit te stellen, was Berlusconi. Ciller reageerde woest op de Europese pressie. ‘We hebben geen concessies te doen, we hebben slechts lessen te geven’, zei ze trots.
Toch heeft ze nu aangekondigd dat ze het grondwetsartikel tegen separatistische activiteiten op grond waarvan de parlementariers en honderden andere mensen werden veroordeeld, wil verzachten en dat ze het verbod op politieke activiteiten van studenten, docenten en vakbondsmensen wil opheffen. Maar Ciller weet ook dat de daartoe vereiste twee-derde meerderheid in het parlement heel moeilijk te halen is. En iedereen weet dat regeringsbeloften over een groter respect voor de mensenrechten sinds jaar en dag loos zijn.