De lucide katers van hrabal

Bohumil Hrabal, Trouwpartijen: Een damesroman. Vert. Kees Mercks, uitgeverij Bert Bakker, 223 blz., f39,90
De jury - Yves van Kempen, Marc Reugebrink, Xandra Schutte en Jacq Vogelaar - koos dit keer Bohumil Hrabals Trouwpartijen tot Boek van de Maand. De andere mededingers waren: Rene Girard, Shakespeare: Het schouwspel van de afgunst (vert. Michel Perguy, uitg. Lannoo, 488 blz., f74,50). Een uitgebreide bespreking van het werk van Shakespeare vanuit het perspectief dat Girard in zijn Critique dans un souterrain (Dubbels en demonen) ontwikkelde: dat van de mimetische begeerte of het verlangen tot nabootsing van een concurrerend model. Joyce krijgt de eer in Ulysses dit perspectief bij Shakespeare het eerst ontdekt te hebben. Slaapwandelend land (uitg. Ambo, 198 blz., f32,50), te vergelijken met de verhalen van Ben Okri, is de debuutroman van de Portugese schrijver Mia Couto (1955). In een Mozambique dat wordt geteisterd door reguliere troepen en gewapende benden, hokken op een verlaten weg een oude man en een jongetje in een uitgebrande bus. Uit een paar schriftjes die ze daar vinden leest de jongen tussen hun strooptochten door het verhaal van een zekere Kindzu voor. Mircea Cartarescu, Travestie (vert. Jan Willem Bos, uitg. Meulenhoff, 176 blz., f..). Van de Roemeense schrijver-dichter Cartarescu een hallucinerende roman waarin de volwassen verteller terugkijkt op zijn adolescentie en de aantrekkingskracht die de mysterieuze Lulu, een jongen die zich als meisje vermomt, toen op hem uitoefende.

HET EINDE VAN het totalitaire regime in november 1989 was voor Tjechoslowakije niet alleen in maatschappelijk opzicht een verandering van de eerste orde. De ‘fluwelen revolutie’ onder aanvoering van Vaclav Havel was niet minder een omwenteling in het culturele leven en daarmee ook in de literatuur. Met het verdwijnen van de censuur werd tevens de traditionele indeling in officiele, ondergrondse en in het buitenland gepubliceerd literatuur ongedaan gemaakt. Oude en nieuwe uitgeverijen begonnen in ijltempo stapels boeken te publiceren - natuurlijk het liefst titels waarmee twintig jaar onderdrukking teniet kon worden gedaan. Werk van ook in Nederland min of meer bekende auteurs als Ludrik Vaculik, Pavel Kohout en Ivan Klima die door de communisten het zwijgen was opgelegd, werd zo snel mogelijk toegankelijk gemaakt.
Tot de auteurs die opnieuw in de belangstelling kwamen, behoorde verder Bohumil Hrabal (1914). Een deel van zijn oeuvre was weliswaar de censuur gepasseerd, maar nu konden eindelijk de ongekuiste versies verschijnen en zijn nooit eerder gepubliceerde memoires. Deze bestaan uit drie delen en zijn geschreven vanuit het perspectief van zijn inmiddels overleden vrouw.
Van deze alom geprezen cyclus is zojuist het eerste deel vertaald, Trouwpartijen (1991), een boek dat even goed als een opzichzelfstaande liefdesroman gelezen kan worden. Maar dat is slechts een andere rubricering voor het boek. Belangrijker bij Hrabal is eigenlijk zijn taalvirtuositeit. Resten nog de in hetzelfde jaar gepubliceerde delen Vita Nuova en Kaalslag, de andere titels uit deze trilogie die in eigen land inmiddels toonaangevend is gebleken voor een manier van vertellen waarin de mythologisering van het eigen leven gestalte krijgt als uitdrukking van het menselijk bestaan.
Het gaat hier om persoonlijke ervaringen die worden verbonden met de geschiedenis van een land dat al sinds de Eerste Wereldoorlog een aaneenschakeling van enerverende gebeurtenissen kent op maatschappelijk en politiek niveau. Hrabal begint zijn relaas in de jaren vijftig, wanneer de communistische machtsovername al een feit is en de stalinistische terreur langzaam maar zeker bezit begint te nemen van de samenleving.
DANK ZIJ Kees Mercks is al het een en ander van deze meeslepende verteller in het Nederlands verschenen, maar zijn inspanningen hebben jammer genoeg nooit de aandacht getrokken van een groot lezerspubliek. Nadat Hans Krijt met Zwaarbewaakte treinen al in 1967 voor de introductie van Hrabal had gezorgd, vertaalde Mercks in de afgelopen jaren onder meer Ik heb de koning van Engeland bediend (1990), Gekortwiekt (1991) en De tedere barbaar (1994) - stuk voor stuk hoogst intrigerende boeken waarin de Tsjech op zijn geheel eigen, vrolijk-baldadige en nors- tedere wijze het leven in en met het verleden van Midden-Europa verwerkt. Zijn boeken zijn behekst met grofheid en humor, schoonheid en sarcasme, sensitiviteit, bravoure en angst. Ze lijken volkomen spontaan tot stand gebracht, voortgekomen uit een onweerstaanbare taaleruptie.
Tegen zo'n voorstelling van zaken zal Hrabal niet snel protesteren, zoals mag blijken uit het voorwoord van de groteske roman Ik heb de koning van Engeland bediend. Daar heet het dat dit boek is 'geschreven in felle zomerzon, een die de schrijfmachine zo verhitte dat ze verschillende keren per minuut haperde en stotterde. Niet bij machte de verblindende velletjes onder ogen te zien had ik geen controle over wat ik schreef, ik schreef dus verdoofd door het licht volgens de automatische methode.’
Maar niet alleen zijn schrijven, ook het resultaat ervan, de tekst zelf, doet voortdurend aan een roes denken. De stromen drank die er vloeien, versterken die indruk nog meer. 'De werkelijkheid is alcoholisch’, schreef hij ooit. Die van zijn boeken niet minder.
TROUWPARTIJEN brengt heel het vorige werk van Hrabal voortdurend in herinnering. Ik denk dan aan de cadans van de elkaar voortstuwende zinnen, de regelmaat van herhalingen, de stapeling van anekdotes, de beeldenrijkdom, het geheel van verbluffend scherpe typeringen, de reeks bekenden over wie hij al eerder schreef en situaties die hij maar al te zeer aan den lijve heeft ondervonden. Hij werkte na zijn rechtenstudie in Praag enige tijd als opzichter op een spoorwegstationnetje in Bohemen, was ongeschoold arbeider op de Poldi-hoogovens in Kladno, raakte zwaar gewond en kwam vervolgens terecht in een opslagloods voor oud papier. Dat moment maakt hij tot begin van zijn autobiografische trilogie, waarin hij zich - om zichzelf niet te dicht op de huid te zitten en waar nodig de ironie te bewaren - portretteert door de ogen van een ander, zijn grote liefde en vrouw Eliska, die in het boek meestal Pipsi wordt genoemd. En terugkijkend kan hij niet anders dan constateren dat hij dat alles met liefde heeft gedaan: 'Want ’t leven is helemaal geen tranendal, maar een en al vreugde, een grote trouwpartij, daarom vier ik ook van die trouwpartijen thuis en hou ik van zigeuners.’
De trouwpartijen waarvan hier sprake is, zijn regelmatig terugkerende slemppartijen waarbij er stevig op los wordt gezongen en gezopen. Feesten waarop het bier met emmers wordt aangesleept. De kater van de volgende dag is vervolgens een zeer welkome gast vanwege de luciditeit die zo ontstaat, een onmisbaar hulpmiddel om de schrijfkoorts op gang te brengen en het leven van alle dag te attaqueren. Hrabal beschouwt de kater niet als een pijnlijk ontwaken uit de roes maar eerst en vooral als een verhoogde staat van nuchterheid.
Hetzelfde geldt voor zijn schrijven. Eliska, die hij tot op de dag van hun huwelijk niet tutoyeert, bekent hij: 'Eigenlijk is dat schrijven van mij weet u, nou dringt ’t pas tot mij door, dat hele schrijven van mij is ook een soort verdediging tegen zelfmoord, net alsof ik door dat schrijven voor me uit kan blijven rennen en weg van mezelf, door dat schrijven, maar tegelijkertijd kom ik er soms ook inderdaad achter wat er van me terecht zal komen, wie ik was en wie ik nou ben, door dat schrijven genees ik mezelf als ’t ware 'n beetje.’
HRABAL ZET zichzelf in Trouwpartijen neer als een onaangepaste geest, een even weemoedige als onbeholpen telganger, weggezet naar een plek waar hij niet thuishoort, iemand die eenzaam lijkt maar dat zeker niet is, een voorbeeld van besluiteloosheid, maar evengoed een voorbeeld van levenslust en levensangst. Het zijn precies deze eigenschappen waarop zijn Pipsi al snel verliefd raakt, zeker ook omdat ze volledig corresponderen met de attitudes die nodig zijn om in de snel om zich heen grijpende kou van het communisme te kunnen overwinteren.
Maar voor ze de ultieme trouwpartij met deze 'kanjer van een vent, met wie ik me nooit zou hoeven vervelen en die op zo'n merkwaardige wijze van me hield’ kan vieren, maakt ze op de dag van het huwelijk nog enkele bange uren door. Voor het zover is - de bruiloft markeert het eind van het boek - heeft Hrabal de lezer op onnavolgbare manier ooggetuige en deelgenoot gemaakt van een bijna verdwenen wereld, een die bizar en intiem tegelijk is. Er zitten heel wat onvergetelijke momenten in de roman, te beginnen met Eliska’s entree op de binnenplaats van het huis waar haar toekomstige echtgenoot woont. Scenes, soms zo gedetailleerd beschreven dat de geuren, kleuren en klanken ervan afspatten. Bijvoorbeeld tijdens het slachtfeest, wanneer de keuken van het hotel waar Eliska werkt in een 'natte hel’ verandert. Temidden van varkensbloed, dikke darmen en leverworstjes krijgt ze daar zijn eerste liefdesrozen aangereikt. Vervolgens zijn er hun tochten naar het water met de bijbehorende zwempartijen, de terugkeer naar de brouwerij waar hij ooit kind aan huis was, maar misschien nog wel het meest van al haar kennismaking met de familie Hrabal en daarmee met de bezorgde moeder, de sleutelende vader en aanstaande schoonzus Marta, de manke zwager en de koddige oom Pepin. Stuk voor stuk passages om van te smullen, zo magnifiek dat ik ze hier het liefst woord voor woord zou willen citeren. Een groter compliment kun je een schrijver nauwelijks maken.