Column

De Lucky Sperm Club

In 1958 bedacht Michael Young de term ‘meritocratie’. Vijftig jaar later introduceert zijn zoon ‘celebritariat’. We wachten allemaal tot we ontdekt worden.

Nog een halfjaar voor zijn dood, in de zomer van 2001, las hij Tony Blair de les. De opgewekte profeet van de Derde Weg gebruikte het woord dat hij, Michael Young, gemunt had te pas en te onpas in zijn speeches. ‘Het is hoogst onwaarschijnlijk’, liet Young fijntjes weten in een opiniestuk in The Guardian, 'dat de premier mijn boek heeft gelezen, maar hij is bij het woord blijven hangen, zonder dat hij zich bewust is van de gevaren van dat wat hij bepleit.’

Het boek waar het om gaat is The Rise of the Meritocracy, dat Michael Young in 1958 publiceerde. Over het woord had hij destijds flink getwijfeld. Een bevriend classicus had hem er nog op gewezen dat het niet elegant was een woord uit een Latijnse stam en een Grieks achtervoegsel samen te stellen, maar Young was koppig en introduceerde toch het nieuwe begrip 'meritocratie’. 'De twintigste eeuw’, zou hij bij een heruitgave van zijn boek in 1994 schrijven, 'had ruimte voor het woord. Mensen met macht en privileges waren meer bereid dan ooit om te geloven dat de moderne maatschappij (in de taal van het boek) “niet zozeer door het volk wordt geregeerd als door de slimste mensen; dat het geen aristocratie door geboorte, geen plutocratie van rijkdom maar een werkelijke meritocratie van talent is”.’

Michael Young (1915-2002) was een socioloog en maatschappelijk hervormer. Na de oorlog schreef hij, amper dertig jaar oud, het programma waarmee Labour de verkiezingen zou winnen en werd hij, op de achtergrond, een van de architecten van de Britse verzorgingsstaat. Hij was het type academicus dat ideologie in baksteen en cement kon vertalen. In 1951 verliet hij Labour om zich verder succesvol aan de wetenschap te wijden. Maar beroemd werd hij door The Rise of the Meritocracy, een dystopie in de traditie van Orwells 1984 en Huxley’s Brave New World, behalve dat het geen roman is, maar een pseudo-dissertatie, geschreven in het jaar 2034. Het boek eindigt met een opstand van het volk en rellen in Peterloo. Een voetnoot laat weten dat de auteur helaas zelf in Peterloo is gedood en dat hij de proeven van zijn essay niet meer heeft kunnen controleren.

Onder het gefingeerde academische traktaat gaat een bijtende kritiek schuil op een nieuwe elite die haar positie niet aan haar sociale positie maar de uitkomst van IQ-tests te danken heeft. Hoewel het op testen gebaseerde onderwijssysteem iedereen een gelijke kans lijkt te bieden, voorzag Young dat het gewoon het eeuwenoude klassensysteem was, maar dan in schaapskleren. Hij vatte het nieuwe systeem in een simpele formule samen: IQ + Inspanning = Merite, maar zei daar meteen bij dat diegenen die door geboorte lid waren van de 'lucky sperm club’ al te snel dachten dat hun latere positie hun eigen verdienste was.

Aanvankelijk leek het er overigens op dat het boek helemaal niet zou verschijnen. Elf uitgeverijen op rij wezen het af, omdat ze liever een roman wilden (Young herschreef het boek met een ravissante Lady die een liefdesrelatie krijgt met een oudere loodgieter), of omdat ze uit principe nooit dissertaties uitgaven - waaruit maar weer blijkt dat uitgevers ook vroeger ongevraagde kopij niet altijd zorgvuldig bekeken. Uiteindelijk gaf een oude kennis het boek uit als vriendendienst, en verscheen het al snel daarna als Penguin-uitgave. Zo succesvol als de roman van Orwell werd het niet, maar The Rise groeide niettemin uit tot een bescheiden bestseller, die nog steeds in druk is.

Young merkte zelf al op dat invloedrijke boeken vaak niet gelezen worden - van zijn boek is vooral het zelf gemunte woord over, dat ook nog eens precies het omgekeerde is gaan betekenen. In plaats van een waarschuwing is het veelal een ideologische wens geworden.

Na de dood van Michael Young nam zijn zoon Toby, schrijver en dwars intellectueel, het op zich om misverstanden rond het begrip meritocratie uit de weg te ruimen. In 2008, vijftig jaar na de publicatie van The Rise, stelde hij zelfs dat Engeland nooit een meritocratische elite dankzij het onderwijs heeft gehad; in plaats daarvan heeft het de klasse van de celebrities. In het spoor van zijn vader maakte hij een nieuw woord, celebritariat, dat helaas zo moeilijk bekt dat het onwaarschijnlijk is dat het een lang leven beschoren is.

Toby’s gedachtegang gaat zo: veel meer dan aan de hoogopgeleide elite spiegelen laagopgeleiden zich aan Beroemde Mensen. En dat in een tijd waarin de oude markeringen van klassenverschillen taboe zijn. De sterke toename van de economische ongelijkheid in Groot-Brittannië is hand in hand gegaan met grote sociale en culturele gelijkheid. Dat zie je vooral aan de liefde voor populaire cultuur: rijk en arm leven cultureel niet meer in twee verschillende werelden. Massacultuur is voor iedereen, niet alleen voor de massa.

Als er een werkelijk meritocratische elite bestaat, dan die van de celebrities: de voetbalsterren en hun vrouwen, popsterren, filmsterren, soapies en zij die, om de beroemde definitie van Daniel Boorstin te parafraseren, bekend zijn vanwege hun bekend-zijn. Dankzij tv-programma’s als Idols, X Factor en The Voice of Holland ligt de weg naar roem voor iedereen met talent open. Toby Young heeft het zelfs over een 'lompen-celebritariaat’, en als je denkt aan nieuwe BN'ers als Terror Jaap, en Sterretje, Joker en Barbie uit Oh Oh Cherso, kun je hem niet anders dan gelijk geven: dat lompen-celebritariaat bestaat. Sociaal stijgen: juist in de wereld van de roem lijkt het mogelijk, en dat biedt hoop. Geen wonder dat volgens een recent Brits onderzoek elf procent van de zestien- tot negentienjarigen 'wacht tot zij ontdekt wordt’ en maar liefst 26 procent van hen denkt dat het makkelijk is om beroemd te worden.

Maar zit er niet ook hier een addertje onder het gras? Wat te denken van de Kees van Nieuwkerks, kindertjes Van Kooten, Johnny de Mols en Hugo Metsers jr.’s en Caro Linssens (dochter van Renée Soutendijk)? Beroemde kinderen van beroemde ouders - toch ook leden van de lucky sperm club?